Moraalbegrip in criminologie verouderd

In het augustusnummer van Justitiele Verkenningen is opnieuw de relatie tussen godsdienst en criminaliteit aan de orde gesteld. Opnieuw, want in ons land kunnen we wat dit onderwerp betreft op een vrij lange traditie terugzien. De criminologen Bonger, Kempe en Nagel waren hoofdrolspelers in deze discussie en vanzelfsprekend komen hun standpunten aan de orde in deze aflevering. Bij twee artikelen wil ik enkele kanttekeningen zetten. 'De secularisering van moraal', een beschouwing over de relatie tussen godsdienst en criminaliteit door drs. J. C. J. Boutellier en 'Godsdienst en delinquentie' door drs. M. Junger en drs. W. Polder, dat het resultaat bevat van een empirisch onderzoek onder etnische groepen.

Het onderzoek heeft betrekking op Marokkaanse, Turkse en Surinaamse jongens van 12 tot en met 17 jaar. Hun gedrag is vergeleken met dat van Nederlandse jongens in vergelijkbare sociaal-economische omstandigheden. Het resultaat van het onderzoek is, dat men niet kan concluderen dat de morele gemeenschappen waarin de jongens leven, leiden tot lagere misdaadcijfers. Er bestaat geen systematische samenhang tussen godsdienst en delinquentie op groepsniveau. Opvallend is het grote verschil tussen de politiecontacten van hindoestani en creolen. En frappant is maar dit terzijde dat de befaamde uitspraak van Marx voor de zoveelste keer verkeerd geciteerd wordt. Godsdienst als 'opium voor het volk' moet immers zijn: 'opium van het volk'.

In het voorwoord bij het geschrift worden alle te hanteren begrippen achter elkaar genoemd, maar zonder duidelijke definiering en omschrijving. De vraag wordt gesteld of religie op een of andere manier een rem op criminaliteit vormt. De omslag van het tijdschrift vermeldt de begrippen 'Godsdienst en criminaliteit' en het behoeft geen betoog dat godsdienst een smaller begrip is dan religie.

Een andere dimensie wordt toegevoegd door de vraag of de sterk gestegen criminaliteit te maken heeft met de ontzuiling van de Nederlandse samenleving. En nog breder wordt de problematiek bij de vraag of religieuze bewegingen in deze tijd (nog) een bijdrage (kunnen) leveren aan de bestrijding van het criminaliteitsprobleem. 'Met andere woorden, hoe relevant zijn de Tien Geboden nog voor de (post)moderne samenleving?', aldus het voorwoord. De auteurs wekken de indruk dat het daarom gaat, want vervolgens staan dan de Tien Geboden in de Statenvertaling afgedrukt.

Wetenschappelijk gesproken lijkt me de verwarring dan vrijwel volledig. Want godsdienst is niet hetzelfde als religie; religie niet hetzelfde als zuilen; zuilen zijn geen religieuze bewegingen en religieuze bewegingen kan men niet zonder meer in relatie brengen met de Tien Geboden.

En het in het artikel van Boutellier zelf geciteerde pleidooi van de minister van justitie voor een rehabilitatie van de levensbeschouwelijkheid als remedie tegen veronderstelde normloosheid, legt weer een ander accent. Want levensbeschouwing valt niet samen met godsdienst en ook niet met religie. Er is dus wel enige aanleiding om de moed op te geven na het lezen van het voorwoord, omdat men zonder precieze definiering niet tot heldere beleidsadviezen kan komen.

Maar voor wie doorzet volgt dan de lezenswaardige beschouwing van Boutellier. In de eerste zinnen zet hij de lezer even op het verkeerde been door met een citaat van W. F. Hermans de suggestie te wekken dat het in de godsdienst gaat om hel, straf en beloning. Gelukkig komt dit beeld van veel in hun jeugd getergde Nederlandse romanciers daarna nauwelijks meer terug.

Optimistische visie

We ontmoeten de visie van Bonger, Kempe en Nagel. De eerste werd befaamd door zijn voornamelijk op de economische omstandigheden gerichte verklaring voor de criminaliteit en door zijn 'optimistische visie'. 'Ook al zou de godsdienst geheel verdwijnen, dan nog zouden misdaad en criminaliteit niet toenemen', schreef Bonger. Nagel doet vele jaren later een frontale aanval op die visie. Hij stelt dat Bonger niet veel van de essentie van het geloof begrijpt. Daarbij loopt men bij de beschrijving van geloof en godsdienst al gauw het risico moeilijk verstaanbare taal te spreken, zeker voor mensen die niet geloven in een 'andere werkelijkheid'.

Nagel komt tot de enigszins speculatieve opvatting dat bij de afname van de intensiteit van het geloof (hoe is die te meten?) de ethiek van de betrokkene op drijfzand komt. Ik maak hierbij de kanttekening dat naar mijn indruk de geloofsintensiteit in Zuid-Afrika vrij hoog lijkt te zijn en dat naar oorgetuigen verklaren deze geloofsintensiteit bij veel politiemannen niet minder hoog is. Tegelijk weten we, dat het optreden van een aantal van hen criminele grenzen nadert en overschrijdt. Die categorie brengt ons niet zoveel verder om de relatie tussen godsdienst en criminaliteit goed op het spoor te komen.

Met de opvattingen van Bonger en de zijnen (inclusief het idee: godsdienst is straffen en belonen) kunnen we weinig beginnen en het gepubliceerde (kleine) onderzoek levert geen causale verbanden. Men zal eerst wat nauwkeuriger moeten aangeven wat men onder geloof en godsdienst verstaat. Hierover bestaan legio opvattingen. Ik wil proberen een zekere noemer te vinden, die aansluit bij discussies in de oecumenische beweging.

Deze vormt, zoals bekend, een soort tegenbeweging ten opzichte van de traditionele opvattingen en vormen. Kernwoorden zijn: bevrijding, vernieuwing, gerechtigheid, lijden, zingeving, schuld, maar ook en niet minder reflectie op wat genoemd is het bittere raadsel van de goede schepping, de hardnekkigheid van het kwaad, de nalatigheid van mensen en dit alles met zijn gevolgen, zoals onvrijheid, geweld, onrecht. En, alsof dat alles nog niet genoeg is, tenslotte ook het nadenken over het thema 'Geliefd is de mens' en over de vraag: welke vormen heb je nodig om het vol te houden en om op het rechte spoor te blijven? Voor christenen betekent dit laatste op het door Jezus getrokken spoor te blijven. Godsdienst wordt dan wel wat anders dan straffen en belonen.

Hoe stel je nu vast hoe mensen die in de door mij omschreven traditie staan in een criminele sfeer zijn gekomen of dreigen te komen? De auteurs geven daarvoor geen indicatie. Misschien is het ook ondoenlijk, maar dan moet overwogen worden de discussie stop te zetten.

Verschraling

Ik zou Boutellier geen recht doen door niet ook het tweede deel van zijn artikel te vermelden, een beschouwing over secularisering en moraal. Hij stelt daarin onder meer dat de benadering door de sociale wetenschappen van de maatschappelijke vraagstukken een ernstige verschraling heeft ondergaan. Daarin val ik hem gaarne bij.

Ook in mijn eigen wetenschap de economie is een dergelijk proces al jarenlang aan de gang. Veel moderne wetenschap gaat niet in op morele problemen of ontkent zelfs dat er van enige problematiek sprake is. Hetzelfde verschijnsel zien we in de politiek, waar het pragmatisme hoogtij viert en zelfs tot principe is verheven.

De opinie dat in de sociale wetenschappen een belofte zou zitten voor een rationele beheersing van de maatschappij, is sterk ondergraven. Een citaat uit Boutelliers artikel: 'Het succes van het rationalisme in de beheersing van maatschappelijke processen, lijkt te stuiten op de grenzen van de door haar voorgestane waardenvrijheid. Het huidige criminaliteitsprobleem confronteert in die zin de technocratische samenleving met haar eigen morele machteloosheid.'

Boutellier pleit voor hernieuwde aandacht voor de moraal. Dit begrip wordt naar zijn mening gelijkgeschakeld met het zich ongevraagd bemoeien met anderen en met het doen van speculatieve uitspraken in de wetenschap. Ook pleit hij voor hernieuwde aandacht voor het moraalbegrip in de criminologie. Uitstekend, maar dan moet het wetenschappelijk toch op een vernieuwde basis worden gesteld. Het artikel in Justitiele Verkenningen zoekt het waarschijnlijk te snel in de richting van de godsdienst en naar ik vrees ook in een wat beperkte opvatting van godsdienst.