Literaire tijdschriften

Bevers en vlinders

Twee jaar na het dubbelnummer over de autobiografie brengt De Arbeiderspers een dubbelnummer van Maatstaf over de biografie. Concurrent De Gids had in mei 1988 een thema-aflevering over de literaire biografie, met teksten van SLAA-lezingen die gehouden waren door Jan Fontijn (Van Eeden), Rudi Wester (Last), Wam de Moor (Van Oudshoorn) en J. J. Oversteegen (Debrot). Niet alleen zij ontbreken nu, helaas, in Maatstaf. Ongetwijfeld moeten ook Bastet (Couperus), Brandt Corstius (Multatuli), Dubois (Emants) en Hazeu (Achterberg) tot het maken van behartenswaardige opmerkingen over schrijversbiografieen in staat worden geacht. Ook degenen die van het Fonds voor de Letteren een opdracht kregen voor het schrijven van een biografie: Hans Goedkoop (Heijermans), Toke van Helmond (Arthur Lehning) en Jan van der Vegt (Andreus). Zij zijn er evenmin bij.

Maar daar is wel Sem Dresden, auteur van een standaardwerk over de biografie; Anja van Leeuwen van het Platform Biografie; en de aankomende biografen van Marsman (Goedegebuure) en Nijhoff (Andreas Oosthoek). En Martin Ros, hoofdredacteur van De Arbeiderspers en zeer betrokken bij de befaamde Prive- en Open-Domeinreeks.

Ros onderscheidt een 'bever-biografie' en een 'vlinderbiografie'. Beverachtig is bijvoorbeeld Shawbiograaf Michael Holroyd (meneer Drabble), die in een reeks boekdelen alle feiten op tafel wil leggen'; vlinderend is 'de onovertroffen meester' Nabokov, die Gogol schetste door te tippen aan enkele van zijn eigenschappen. Ook zet hij de 'belijdende en verheerlijkende' tegenover de 'debunkende' levensbeschrijving. De Nederlanders hebben, vindt hij, te veel 'kolossale beverbiografieen' voortgebracht, bloedeloze feitenlijsten die wel geleerd zijn, maar nergens sprankelen. Als altijd optimistisch ziet Ros een nieuwe toekomst voor de biografie gloren, dat wil zeggen voor de 'emotioneel-empatische-kritische'. De Nieuwe Biograaf stort zich op en in het leven van zijn held en neemt liefst zelfs trekjes van hem over. 'De biografie is een onuitputtelijk genre en daarom het leesgenre van de toekomst', meent Ros 'Ziel, geest en hart verliezen aan de lotgevallen van anderen kan de meest intense herschepping opleveren van onszelf'.

Richard Holmes, geinterviewd door Henk Romijn Meijer, gelooft niet dat de biografie lezers van het 'echte' werk zal afhouden. Hij hoopt juist dat ze gestimuleerd zullen worden dat ook te lezen, en ziet de biografie als een uitweg uit de moderne ik-gerichtheid. Het vraaggesprek heeft Romijn Meijer zo genereus weergegeven, dat alle belangrijke kwesties aan de orde komen, de vorm, de betrouwbaarheid, irritatie of gene bij de biograaf, het 'lezen' van oorspronkelijke handschriften (bij Coleridge kon hij eraan zien wanneer hij veel opium gebruikte), en de ethiek: Holmes sloeg een verleidelijk aanbod van een Amerikaanse uitgever af, hij wilde niet tegen de wil van Salinger zijn leven beschrijven. Portrait of a Marriage van Nigel Nicolson noemt hij een triomf van de biograaf: 'om onder zulke gevoelige omstandigheden toch met zo'n indrukwekkend boek voor de dag te komen.' Een Nederlandse pendant voor dit boek Nijhoffs biografie wordt geschreven door Andreas Oosthoek, zijn dagboekaantekeningen in deze Maatstaf lopen tot aan het moment in de zomer van 1989 waarop hij daar aan begon.

'Waarom worden biografieen steeds langer?' vraagt Robert Lemm zich grommerig af in een aanklacht tegen het ordinaire detail, tegen het benadrukken van 'wat gewoon, zwak of slecht is'. Als iets duidelijk wordt uit dit dubbelnummer over de literaire biografie, dan is het hoe verdeeld de meningen zijn.

Anja van Leeuwen van Platform Biografie pleit voor het omverwerpen van de drie grootste obstakels van de Nederlandse biografie: de chronologische opbouw, de wetenschappelijke degelijkheid en de onopvallende neutraliteit van de biograaf. Tegendraadse levensbeschrijvingen zijn er al wel: Tine, of De dalen waar het leven woont van Nelleke Noordervliet, Het volk met de lange rokken. Vrouwen rondom Constantijn Huygens van Elisabeth Keesing en De mensch Deelder 'De Nederlandse biografie begint zich van haar Assepoestercomplex te bevrijden.'

Opmerkelijk is Jan Versteegs bijdrage over Andre Maurois' idee van de ideale biografie. Maurois' ideaal uit 1928 blijkt heel dicht te liggen bij de Nieuwe Biograaf van Martin Ros, overigens zonder dat Versteeg daar erg in heeft. Maurois wilde veel aandacht voor het priveleven en voor het schijnbaar onbelangrijke detail. 'Alleen bij het jezelf er volledig ingooien zal de huidige biograaf misschien even aarzelen', aldus Versteeg. Andere artikelen in dit dubbelnummer gaan over de (on)bestaande biografieen van Marsman, Ab Visser, Chateaubriand, Von Platen, Mohammed ('Zo kon hij tijdens een veldslag niet zelf op een rotsje klimmen omdat hij te zwaar en te stijf was'), Fontane en Sterne. Ed Schilders spoort biografen aan ruim gebruik te maken van het sappige, 'onversmaadbare' detail: 'Rimpels in het voorhoofd, scheurtjes in het borstbeeld, een snotje aan een neus, een schroefje dat los zit: lezers zijn er dol op. Terecht. Niemand leeft rimpelloos.'

Maatstaf 1990/9-10. Over de biografie, 168 blz. fl.34,90.

Collectief en literatuur

Kan een collectief Literatuur maken? Nee, zegt critica Joke Linders, de schrijversgroep die zich Konsalik noemt valt alleen al buiten de Literatuur door de anonimiteit en de massaconsumptie. Dit is onzin natuurlijk.

Linders schreef het openingsartikel van Bzzlletin dat geheel gewijd is aan het twintig jaar oude 'Schrijverscollectief' van Hans Dorrestijn, Karel Eykman, Ries Moonen, Fetze Pijlman, Jan Riem en Willem Wilmink; de mannen van de Stratemakeropzeeshow, J. J. de Bom, De Film van Ome Willem en Het Klokhuis.

Alle collectiefleden werkten aan deze Bzzlletin mee; de meesten schreven een lovend stukje over een ander collectieflid.

Piet Mooren toetst het kunstgehalte van de meestal voor televisie geschreven teksten, en bekijkt de doelstellingen van de verschillende programma's en publikaties. Remco Ekkers vergelijkt in 'Het kind levend gehouden' de kwaliteiten van de tekstdichters Wilmink, Eykman, Dorrestijn en Fetze Pijlman.

In dit nummer staat ook het register van de vorige, negentiende jaargang.

Bzzlletin 178, Het Schrijverscollectief. 80 blz. fl.12,50

Mystiek van 't eeuweinde

Het is verleidelijk overeenkomsten aan te wijzen tussen het vorige fin-de-siecle en dat waar we nu in leven. Jacqueline Bel bestudeert voor haar proefschrift het Nederlandse proza uit de periode 1885-1900. Ze waarschuwt in Literatuur: 'Les queues des siecles se ressemblent', de eeuweindes lijken op elkaar, maar alleen als je niet goed kijkt.' In dit artikel bekommert ze zich vooral om de hang naar de middeleeuwen die onze generatie gemeen heeft met die van de vorige eeuwwende. Maurice Maeterlinck, Arij Prins, Arthur van Schendel en Louis Couperus bijvoorbeeld zochten inspiratie in de middeleeuwen, maar in hun middeleeuwen. De Victoriaanse moraal kuiste de middeleeuwse wereld van alle grofheden, boertigheden en smerigheid. 'Het is een tijd vol mystiek en bovennatuurlijke verschijnselen, waarin de liefde een onlichamelijke, etherische aangelegenheid is.' Bel benadrukt dat de mystiek van Burnier, Kellendonk en Oek de Jong niets middeleeuws heeft, en juist die combinatie van mystiek en middeleeuwen typeert het vorige fin-de-siecle.

Verder in dit nummer: K. D. Beekman over experimentelen en postmodernen; en H. Pleij met S. Raue over een deugdenleer voor vrouwen uit 1514. In een cursiefje spreekt Ton Anbeek van een 'stille revolutie' in de neerlandistiek: het 'ergocentrisme' kalft af.

Literatuur 90/5. Uitg. HES, 70 blz. fl.11.

    • Margot Engelen