Lesbrieven zonder opgeheven vingertje

Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Bedrijven weten dat en daarom bedenken ze de 'Pennierekening' en 'My first Sony'. Maar natuurlijk geldt deze aloude wijsheid ook voor stichtingen die bewuster gedrag willen bevorderen. Want terwijl volwassenen en pubers vaak wat blase reageren op de informatie van ideele instellingen, staan jonge kinderen er nog open voor. En dus moeten instellingen als Milieudefensie, Veilig Verkeer Nederland, Greenpeace, de Nederlandse Hartstichting, de Stichting Vredesopbouw, de Anne Frank Stichting, de Consumentenbond en al die andere grote en kleine voorvechters van de goede zaak de basisschool binnen zien te raken.

Maar hoe kom je als instelling de school in? Ongevraagd opgestuurd informatiemateriaal loopt grote kans in de prullenbak te belanden. Een opstel- of tekenwedstrijd heeft een incidenteel karakter. Instellingen die structureler contact met het onderwijs nastreven, stellen een eigen onderwijsmedewerker aan of zetten een educatieve afdeling op. Die verpakt het specifieke doel van de stichting in aantrekkelijke lessen. Zo ontstaat een lesbrief over tandenpoetsen of een boekje met een lessenserie over de gevaren van te vet eten.

Gemakkelijk gaat dat echter niet. Zo weet een educatieve afdeling dat het opgeheven vingertje niet werkt. Wil de boodschap overkomen, dan moet in ieder geval de gebruikte taal aanslaan. De lestitel 'Pienter met je poen' (uit een lespakket voor de basisschool van de Consumentenbond) suggereert dat de leerlingen niet bang hoeven te zijn voor gezeur. De lessen zijn in de eerste plaats leuk de boodschap wordt zorgvuldig verpakt.

Ook de Nederlandse Hartstichting bezint zich voortdurend op de optimale manier om de verschillende onderwijsgroepen te benaderen. Beleidsmedewerker Martine Bouman: ' Alleen informatie geven is niet voldoende. Als dat zo was, zou nu niemand meer roken. Beinvloeden van menselijk gedrag is nu eenmaal een subtiele zaak. Als gezondheidsvoorlichters hebben we ons vooral op dat gebied gespecialiseerd. We zetten lijnen uit. Voor het basisonderwijs betekent dat bijvoorbeeld veel aanschouwelijk materiaal en 'doe-activiteiten'. Een extern bureau voor didactische produkties krijgt de opdracht de lijnen te vertalen in lesmateriaal.' De Hartstichting werkt zoveel mogelijk samen met verwante organisaties. Leerkrachten moeten niet het idee krijgen dat de verschillende instellingen om de beurt met hun boodschappenkarretje voor de deur staan.

Duur zijn de uitgebreide lespakketten niet. De Nederlandse Hartstichting brengt maar een fractie van de kosten in rekening. Ze gaat ervan uit dat mensen die jaarlijks geld in de collectebus stoppen, recht hebben op voorlichting. Ook andere instellingen gebruiken de subsidie van overheid, leden of donateurs om scholen alleen symbolisch in de kosten te laten bijdragen. Alleen de Consumentenbond vormt een uitzondering. Die blijft trouw aan haar uitgangspunt van eerlijke warenvergelijking: de door de educatieve afdeling geproduceerde lesmaterialen verschijnen via commerciele educatieve uitgeverijen, waardoor ze een normale leermiddelenprijs hebben.

Lobbyen

Maar stichtingen richten hun pijlen niet alleen op de scholen. Ze nemen ook graag plaats in advies- en overlegcommissies over onderwijsvernieuwing. Hierin wordt beraadslaagd over de verandering van de inhoud van bestaande vakken, of over de manier waarop jonge vakgebieden uit de Wet op het Basisonderwijs (zoals 'bevordering van gezond gedrag' en 'consumenten-educatie') van de grond moeten komen. Het Instituut voor Leerplanontwikkeling SLO heeft daarin een coordinerende taak. Instellingen als de Hartstichting en de Consumentenbond hebben op hun terrein belangrijke adviestaken.

Soms vinden de stichtingen het nodig op politiek niveau te lobbyen. Als de wettelijke grondslag van het onderwijs wordt veranderd, is het extra belangrijk de wetgever het grote belang van milieu-educatie of intercultureel onderwijs onder de neus te wrijven. Zo bepleit de Hartstichting op dit moment een sterkere plaats voor gezondheidsonderwijs in het voortgezet onderwijs, als reactie op de door de staatssecretaris gepubliceerde plannen voor de basisvorming.

Een enkele keer heeft zo'n lobby ook succes. In de aanloop naar de basisschool dreigde het vak verkeer als verplicht vakgebied te verdwijnen. Voor Veilig Verkeer Nederland en andere verkeersinstellingen was dat onaanvaardbaar: een niet verplicht vak sterft meestal een langzame dood. De wetgever was niet ongevoelig voor de aangedragen argumenten. Verkeer kreeg zijn plek en er kwam een nieuw vak, geformuleerd als ' Bevordering van sociale redzaamheid, waaronder gedrag in het verkeer'.

Hoe belangrijk het is om in de Wet op het Basisonderwijs genoemd te worden, merkte de Consumentenbond. Zodra consumenten-educatie in de wet kwam, hoefde de Consumentenbond niet meer achter de scholen aan te lopen om er aandacht voor te vragen. Erik van Rijn van Alkemade van de afdeling educatie: ' Het eenrichtingsverkeer is afgelopen. De vragen komen nu ook van de andere kant. Scholen, begeleidingsdiensten en uitgevers zien zich door de wet verplicht iets aan consumenten-educatie te doen, bijvoorbeeld in samenhang met rekenen, taal of wereldorientatie. Uitgevers van leerboeken kloppen bij ons aan voor advies. De auteurs kiezen hun voorbeelden steeds vaker uit de maatschappelijke werkelijkheid. Dan gaat het al gauw over ons terrein, kiezen en kopen.'

Dringen

Consumenten-educatie beoogt kinderen weerbaar te maken tegen de verleidingskunsten van de reclame en de strenge merkencodes van leeftijdgenoten. Belangrijk, wie zou dat durven te ontkennen? Alleen: dat geldt natuurlijk ook voor mondiale vorming, milieu-educatie, vredesopvoeding en nog meer 'educaties'. Het is dringen in het klaslokaal. Daarbij verkeren lang niet alle instellingen in de gunstige adviespositie van de Consumentenbond en de Hartstichting.

De meeste kleine stichtingen kennen niet de luxe van een eigen educatieve afdeling of onderwijsmedewerker. Zij streven naar andere accenten in vakken als aardrijkskunde, geschiedenis en maatschappijleer. Ook zij benaderen daarom de SLO. Ze willen dat hun speciale terrein in de publikaties over onderwijsvernieuwing niet wordt overgeslagen.

Drs. J. Hooghoff is bij de SLO vakconsulent voor aardrijkskunde, geschiedenis en maatschappijleer. Hij heeft kaartenbakken vol adressen van groepen, stichtingen, clubjes en clubs, die allemaal het onderwijs in willen. De laatste twintig jaar is er op dat gebied een waar woud ontstaan. Hooghoff: ' Iedere instelling of club die andere mensen bewust wil maken, komt vroeg of laat bij het onderwijs uit. Scholen zijn geinteresseerd in kwalitatief goed, met didactische know-how gemaakt informatiemateriaal. De grote instellingen komen steeds beter aan die wens tegemoet.'

Volgens Hooghoff zouden kleine stichtingen het beste de krachten kunnen bundelen. In enkele gevallen heeft dit al tot goede samenwerkingsvormen geleid. Maar bij veel kleine clubs dringt dat besef maar langzaam door. Hooghoff: ' Sommige produceren wel veel drukwerk, maar doen weinig moeite om klantgericht te werken. Zendingsdrang kan dan tot drammerige lesbrieven leiden. Daar zitten scholen niet op te wachten, waardoor het rendement van alle inspanningen soms heel beperkt blijft.'