Kees Verwey legt een bom onder het perspectief

In de tien maanden die verstreken sinds zijn uitvoerige overzichtstentoonstelling in het Dordrechts Museum is er in het Haarlemse atelier van Kees Verwey voldoende nieuw werk ontstaan om, nu in het Haags Gemeentemuseum, een indrukwekkende aanvulling op zijn oeuvre te exposeren. Een reeks het vorige en dit jaar op grote tot zeer grote formaten geschilderde impressies met vooral het eigen atelier als aanleiding is in Den Haag de kern van de presentatie Van de edele en vrije schilderkunst.

De tentoonstelling is gewijd aan de laatste vijftien jaar van zijn lange schildersleven. Er zijn dan ook overlappingen met de recente tentoonstelling Kunst is spiegeling in Dordrecht, maar de serie nieuwe schilderijen en de aandacht die in Den Haag wordt gegeven aan een zijn deels experimentele tekeningen verschaffen toch weer nieuwe accenten.

Voordat de bezoeker de zalen met Verweys werk bereikt, passeert hij elders al een aantal doeken van zijn hand die in de museumcollectie zijn opgenomen. De eerste ontmoeting met Verwey betreft een groot zelfportret uit 1985. De schilder heeft zichzelf ten voeten uit staande afgebeeld. In de geheven rechterhand omklemt hij een penseel alsof het een slagwapen is, het palet in de andere hand kan dan als schild dienen. De kunstenaar is hier vervuld van een agressieve creativiteit, een weerbare en weerbarstige vitaliteit die ook het jongste werk van deze negentigjarige kenmerkt.

Als hij met oostindische inkt, houtskool of krijt op papier of houtboard aan het tekenen is lijkt hij zijn thematiek en onderwerpen af en toe te lijf te willen. Portretten van collega's als Peter Struycken en Lei Molin worden in zware contouren, vegen en vlekken neergesmeten, onmiddellijk raak, fel, met vaste hand, viriel en zonder flauwekul. In een ruim twee meter hoog drieluik uit omstreeks 1986 legt hij met zwarte inkt op houtboard een bom onder het perspectief. De onderdelen haken, hoeken, cirkels vliegen alle kanten uit, de hele geometrie ontploft.

Dit drieluik is een der vrij zeldzame voorbeelden van een verkenningstocht langs de grenzen tussen figuratie en abstractie. Hij blijft graag in dat grensgebied opereren, vooral daar tastend en vindend waar vormen en kleuren in elkaar oplossen. Ook schilderend doet hij dat af en toe om toch steeds weer te keren naar het houvast van de herkenbaarheid.

Zijn recente schilderijen zijn, naast enkele portretten, grotendeels impressies van het eigen, zo beroemde Verwey-atelier: composities met gipskoppen, verstofte boeketten van jaren terug, verse bloemen, een wrakke stoel, lappen en papierproppen, de rommel en dierbare rotzooi die in de loop der decennia tot Verweys levenslucht is verdampt. Het licht danst door de stofwolken en veroorzaakt per minuut nieuwe schilderijen, Verwey kan het nauwelijks bijhouden. Zijn interieurs zijn zelfprojecties, indirecte zelfportretten en niet ophoudende verkenningen in een vertrouwd maar nooit volledig te ontginnen terrein.