DE VOORDELEN VAN HET HUWELIJK

Het aantal homoseksuelen dat wil trouwen neemt volgens berichten in de krant toe. Dat is opmerkelijk in een tijd dat het huwelijk onder heteroseksuelen niet meer zo vanzelfsprekend is als voorheen.

Tijden veranderen en seksuelen veranderen mee.

Toen ik in de jaren zestig actief was in een stichting die ijverde voor emancipatie en integratie van homoseksualiteit in de samenleving en ik daardoor vrij veel homoseksuele paren kende, werd ik keer op keer bevestigd in mijn idee dat het slechts weinigen gegeven was een intieme relatie in stand te houden zonder de steun van een formeel instituut.

Misschien was de kiem voor dit idee bij mij wel gelegd door een opmerking van huisvriendin die ik, toen ik een klein meisje was, tegen haar man hoorde zeggen: ' Je kan nou wel zo'n grote mond opzetten, maar vanavond moet je toch weer gewoon naast me in bed liggen hoor.'

Zonder precies te begrijpen wat het een met het ander te maken had, zei iets in de lucht me dat het hier om meer ging dan een plagerij, maar om iets fundamenteels van het getrouwd zijn. Bij elkaar horen in goede en kwade dagen, waarbij het kwaad niet alleen van buitenaf kan komen, maar ook intern kan wroeten. En dan toch weer samen in het echtelijk bed. Echtscheidingen waren in die tijd alleen nog voor lichamelijke en emotionele noodsituaties. In de jaren zestig was dat nog steeds zo.

Jong en getrouwd naar traditioneel model als ik zelf toen was, dacht ik argeloos dat het huwelijk voor iedereen het beste was. De afwezigheid van een mogelijkheid voor twee homoseksuelen om te trouwen leekmij dan ook een grote emotionele handicap.

Homoseksuelen zelf moesten er echter niets van hebben als ik opmerkingen in die richting maakte. Het heteroseksuele huwelijk was voor hen een afschrikwekkend keurslijf. Inderdaad: 'savonds weer in dat ene bed moeten. Het was juist veel beter iedere dag in vrijheid weer voor elkaar te moeten kiezen (' Slapen we bij mij, bij jou, of helemaal niet samen?'). Dat was pas liefdes keurmerk. En op het moment dat je die keuze niet meer kon opbrengen, moest je trouw zijn aan jezelf en de relatie stoppen.

Homoseksuelen waren koplopers wat betreft de seksuele moraal. Na enige tijd werd deze opvatting ook gemeengoed onder grote groepen heteroseksuelen. Dat is uitgelopen op een hoog echtscheidingspercentage en veel LAT-relaties.

En nu willen homoseksuelen trouwen, en heus niet alleen vanwege erfrecht en pensioenregeling. Het zou me niet verbazen als hier weer het koplopersfenomeen optreedt en dat zij als eersten bespeuren dat die vrijblijvendheid niet werkt, noch bij heteroseksuelen, noch bij henzelf. En het zou mij evenmin verbazen als hun opeisen van het recht om te mogen trouwen een herwaardering van het huwelijk in het algemeen zou inluiden. Niet als romantisch, noch als heilig instituut, maar als een toch wel handzame leefgemeenschap met verplichtingen op basis van loyaliteit.

Natuurlijk zijn (en waren) er mensen die inderdaad helemaal op eigen kracht een intieme relatie kunnen vorm geven en in stand houden. De meesten hebben echter behoefte aan een model.

Bovendien is het een steungevende geruststelling dat een relatie als zij eenmaal is geformaliseerd, een onafhankelijk bestaansrecht heeft. Dat geeft speelruimte voor ruzies, misverstanden en onderlinge onzorgvuldigheden, zonder dat de verbintenis alszodanig in gevaar komt, als er voldoende gezamenlijkheid tegenover staat (' vanavond toch weer... ', enzovoort).

Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat ruim driekwart van degenen van wie een eerste huwelijk is mislukt hertrouwt. Ook daaruit kan men opmaken dat velen op het tweede gezicht de voordelen van het getrouwd zijn onderkennen.

In een overzichtsartikel geven Wendy Wood cs. een meta-analyse van de resultaten van 93 onderzoeken naar het verband tussen huwelijk en welbevinden, en naar sekseverschillen die daarbij zijn geconstateerd. Het meest consistente beeld dat daaruit naar voren komt is dat getrouwd zijn als zodanig samengaat met een grotere tevredenheid met het leven in het algemeen dan wanneer men niet getrouwd is. Over de kwaliteit van individuele huwelijken zegt dit nog niets. Hoewel de auteurs daar niet expliciet over zijn, kan men echter wel aannemen dat, nu echtscheiding tot de makkelijk bereikbare mogelijkheden hoort, de groep getrouwden in dergelijke onderzoeken in het algemeen opgevat moet worden als 'getrouwd gebleven' of 'hertrouwd', zodat de grootste mislukkingen er uit zijn verdwenen en men te maken heeft met een zekere selectie.

Maar hoe dan ook, hoe valt de constatering van Wood cs. dan te rijmen met de in andere onderzoeken regelmatig aangetroffen ontevredenheid van getrouwde vrouwen? Volgens de auteurs is hier sprake van een schijntegenstelling die ontstaat als onderzoekers ervan uitgaan dat positieve en negatieve gevoelens elkaar uitsluiten. Anders gezegd: dat het twee polen zijn van een continuum. In werkelijkheid is dit niet zo. Positieve en negatieve gevoelens ten aanzien van een situatie of medemens kunnen heel goed naast elkaar bestaan, elk met een eigen intensiteitsschaal. Ook binnen een huwelijk en ten aanzien van man of vrouw zijn beide terug te vinden.

Als men de negatieve gevoelens wil inventariseren om te bewijzen hoe slecht het is gesteld met de hoeksteen van de samenleving, krijgt men die heel makkelijk te horen. Vraagt men als onderzoeker anderzijds systematisch naar het positieve, dan kunnen echtelieden die met hetzelfde gemak opsommen. Doordat vrouwen in het algemeen met intensere emoties bij een relatie betrokken zijn zullen zij zowel grotere ontevredenheid als sterker welbevinden onder woorden brengen.

Dit samengaan van positieve en negatieve aspecten doet het gunstige effect van de huwelijkse staat als zodanig echter absoluut niet te niet. Mannen en vrouwen varen beiden wel bij het getrouwd zijn, vrouwen zelfs nog een beetje meer.

Als een van de belangrijkste voordelen wordt in het algemeen de bufferfunctie genoemd die echtelieden voor elkaar kunnen hebben ten aanzien van stress buiten de echt. Tegen man of vrouw kun je klagen over onuitstaanbare collega's, lastige kinderen en vervelende familieleden. Een wat positievere benadering wijst op de uitbreiding die het huwelijk geeft van de rollen die men in het leven speelt met twee: echtgeno(te)ot en (meestal) ouder. Dat verhoogt de kans dat men althans ergens goed in is, wat weer gunstig is voor het zelfgevoel.

Niet in systematisch onderzoek vastgesteld, maar wel een ervaringsfeit dat velen uit hun omgeving kennen is dat paren in een tweede huwelijk vaak soepeler zijn ten opzichte van elkaar dan in het eerste. Het is onwaarschijnlijk dat men die tweede keer de Grote Liefde heeft getroffen. Het ligt meer voor de hand dat men door ervaring wijzer is geworden en minder hooggespannen verwachtingen heeft. Gezien het bovenstaande zou men kunnen zeggen dat die tweede keer de positieve kanten ook voor hen een afdempend effect hebben op de invloed van de negatieve.

Ik zou me kunnen voorstellen dat een volgende generatie, die dit allemaal om zich heen heeft gezien, zelf al in een eerste huwelijk wat realistischer te werk zal gaan, hetgeen zou kunnen leiden tot lagere echtscheidingspercentages.

De wens van homoseksuelen om getrouwd te kunnen zijn zou dus ook van realisme kunnen getuigen.

    • Rita Kohnstamm
    • No. 2
    • Sex Differences in Positive Well-Being
    • Vol. 102
    • Nancy Rhodes And Melanie Whelan
    • Wendy Wood