Cocainegebruik blijft meestal in de luwte en zonderaanstoot

Mensen kunnen hun cocainegebruik heel wel in de hand houden. Het snuiven van cocaine de meest voorkomende wijze van inname hoeft niet uit te draaien op een excessief gebruikspatroon, met alle schadelijke gevolgen vandien voor het eigen lichaam en het sociale leven.

Criminalisering van cocainebruikers en de kleinschalige cocainedealers heeft vooral negatieve gevolgen en de kans is gering dat daarmee het toch al geringe gebruik nog verder teruggedrongen kan worden. Voor een stringentere strafrechtelijke aanpak van cocainegebruikers en de detailhandel is dan ook geen reden. Integendeel, een meer liberale politiek, zoals die in Nederland voor soft-drugs (marihuana en hasjiesj) van kracht is, zou ook voor de sociale regulering van cocaine wenselijk zijn.

Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het Amsterdamse cocaineonderzoek waarop dr. Peter Cohen van de Universiteit van Amsterdam onlangs promoveerde. Titel van het proefschrift: Drugs as a Social Construct.

Voor dit onderzoek zijn 160 door de wol geverfde, maar nadrukkelijk niet-deviante of problematische cocainegebruikers geinterviewd. Cohen heeft expliciet voor deze beperkte onderzoeksgroep gekozen omdat, zo stelt hij, de publieke oordeelsvorming over het drugsprobleem eenzijdig wordt gevoed. In de meeste onderzoeken worden immers de probleemgevallen als bron van informatie gebruikt. Maar noch de criminele drugsgebruikers, noch de mensen die in de hulpverlening terecht komen zijn exemplarisch voor de gehele populatie van drugsgebruikers; net zo min als dat alcoholisten een juiste afspiegeling zijn van alle alcoholgebruikers.

Om deze moeilijk te vinden onderzoekspopulatie op te sporen heeft Cohen gebruik gemaakt van de zogeheten sneeuwbalmethode. Daarbij werden de respondenten gevraagd uit eigen kennissenkring weer andere niet-deviante cocainegebruikende respondenten aan te leveren.

De momentopname (1987) van het onzichtbare Amsterdamse cocainewereldje laat zien dat het merendeel van deze gebruikers blank is, tussen de 26 en 35 jaar oud en dat het iets meer mannen dan vrouwen betreft. Meer dan de helft (63%) was alleenstaand. Een kwart van deze 160 cocainegebruikers zit in het kunstenaarscircuit en een ander aanzienlijk deel is werkzaam in de horeca. Drie kwart van hen was voor het eerst met cocaine in aanraking gekomen tussen het 16e en het 25 levensjaar, veelal via vrienden.

Opvallend is de zelfsturing die deze mensen aan de dag wisten te leggen inzake hun gebruik. Van een grenzeloze escalatie in het cocainegebruik was geen sprake, en in de meeste gevallen werd de tering naar de financiele nering gezet. Abstinentie-periodes van 4 maanden, oplopend tot twee jaar kwamen opvallend vaak voor.

Een curieus gegeven uit dit onderzoek is dat een aanzienlijk deel (een derde) van de 160 niet-problematische cocainegebruikers van oordeel is dat het cocainegebruik veel strakker door de overheid gereguleerd zou moeten worden. (Jan-Willem Gerritsen)