Bepalen van omslagtijdstip is van essentieel belang

Het is niet zeker of, zoals ik in mijn artikel van 17 augustus 1990 heb uiteengezet, wij de Commissie-Brundtland moeten volgen in het aanbevelen van een verdere ontwikkeling van de wereldproduktie (de som van de nationale produkten van alle landen). Het scenario dat ik schetste was dat 'zolang het feitelijk gebruik van natuurlijke hulpmiddelen de 'toegestane hoeveelheid' niet overtreft... expansie van de wereldproduktie van goederen en diensten (kan) worden nagestreefd'. 'Als de feitelijke (consumptie) van hulpmiddelen gelijk is geworden aan de toegestane hoeveelheid, heeft een omslag plaats. Daarna wordt het feitelijke verbruik groter dan het toegestane. Van dat moment af is een expansie van het wereldprodukt niet verantwoord'. 'Want dan komen de belangen van ons nageslacht en van de Derde wereld in het gedrang: voor hen wordt dan minder gereserveerd dan nodig zou zijn. Opnieuw kan enig (...) kwantitatief onderzoek ons verder helpen. Wij kunnen het tijdstip bepalen waarop de feitelijke consumptie aan de toegestane gelijk wordt'. Dit tijdstip zal, op grond van het voorgaande, het omslagtijdstip genoemd worden.

Onder de toegestane consumptie van een natuurlijk hulpmiddel verstaan wij de hoeveelheid die, bij een constante bevolking en een constant verbruikspeil van eindprodukten, mag worden verbruikt om het nageslacht hetzelfde verbruikspeil te kunnen garanderen. Dit is alleen mogelijk als er een technische ontwikkeling komt, waardoor de hoeveelheid hulpmiddel die nodig is om een eenheid eindprodukt te produceren, jaarlijks met een bepaald percentage afneemt. Dat percentage nemen wij als constant aan, omdat deze gelijkheid voor gehele volkshuishoudingen, alsook voor energie, gebleken is met grote benadering te gelden. Voor aardolie is de technische vooruitgang bijzonder hoog, namelijk 4,87 procent naar een der gemaakte schattingen. (De andere worden hierna besproken).

Reserve

Uit dit cijfer kan worden afgeleid zoals in mijn artikel van 22 juni is uiteengezet dat de toelaatbare hoeveelheid van olieverbruik de totale bekende reserve, gedeeld door 1/(1-0,9593) = 24,5, is. De reserve was in 1988 136,8 miljard ton. De toegestane olieconsumptie was dus 5573 miljoen ton.

Om het omslagtijdstip te berekenen, moeten wij ons afvragen in hoeveel (x) jaren het feitelijk verbruik, dat in 1989 3097,8 miljoen ton was, en waarvan de ontwikkelingssnelheid per jaar 0,998722 (in de tien jaren 1979-89) was, het peil van 5573 bereikt heeft. De uitkomst is: x = -417. Dit betekent dat het omslagtijdstip al vier eeuwen geleden bereikt zou zijn! Inderdaad moet een jaarlijks dalend verbruik de toegelaten consumptie, die hoger ligt dan het verbruik in 1989, al in het verleden bereikt hebben. Het afnemende verbruik in de jaren 1979-89 is de oorzaak van deze onverwachte uitkomst. Hadden wij de gegevens over een veel langere periode genomen, dan zou er natuurlijk een stijging geweest zijn.

Deze onverwachte uitkomst brengt ons in grote moeilijkheden. Zij betekent dat wij eigenlijk al lang geleden hadden moeten ophouden, verdere ontwikkeling van de wereldproduktie na te streven. Tegelijkertijd weten wij dat dat niet zo is, als wij rekening houden met een langere periode uit het verleden.

Andere berekeningen

Er zijn ook alternatieve gegevens voor de besproken verschijnselen. In de eerste plaats voor de groei van het wereldprodukt, waarvoor wij het cijfer voor de periode 1965-80 hebben genomen. Nemen wij daarvoor de periode 1980-87 dan wordt x = -189.

Ook de groei van de olieconsumptie heeft (in de periode 1979-89) geschommeld. Tussen 1979 en '80 of tussen 1985 en '86 golden andere cijfers dan tussen 1979 en '89. Op grond van 1979-80, waar de minimale stijging van het olieverbruik tussen twee opeenvolgende jaren als basis is genomen, wordt x = -854 jaar gevonden. De combinatie van de groei van het wereldprodukt over 1980-87 en de olieverbruiksstijging 1979-80 levert dan nog x = -744.

Nog twee alternatieven, waarbij de maximale stijging van het olieverbruik tussen twee opeenvolgende jaren (1985/1986) als basis is genomen, leveren x = +542 op benevens een andere verrassing in het laatste alternatief: daar blijkt geen technische ontwikkeling van het gebruik van olie te bestaan. Het blijkt overigens dat de alternatieve schattingen de aanvankelijke van -417 jaar met de grootst mogelijke meerderheid steunen.

Het positieve getal 542 dat in dit alternatief optreedt verdient ook nog commentaar. Dit geschiedt steeds, wanneer het toegestane verbruik kleiner dan het werkelijke en er tevens een dalend verbruik is: dan immers kunnen toegestaan en werkelijk verbruik alleen in de toekomst gelijk worden.

Conclusie

De dalende tendentie van de olieproduktie, waarschijnlijk vooral toe te schrijven aan het optreden van de OPEC, vergroot de kans dat een verdere groei van de wereldproduktie van alle goederen en diensten niet te verwezenlijken is wegens schaarste van aardolie; wordt zo'n expansie toch begonnen (of voortgezet), dan laten wij onvoldoende olie over voor onze nakomelingen.

De Commissie-Brundtland heeft zich kennelijk laten leiden door het optimisme van de deskundigen die een stijgende olieproduktie verwachten. Zij kunnen daarin gelijk hebben, maar tussen 1979 en 1989 is het niet gebeurd. Wanneer zal de stijging weer beginnen? Zolang als deze er niet duidelijk is waarmee ik bedoel: enige jaren achtereen is elke expansiepolitiek er een die ten koste van onze nakomelingen gaat. De 'toelaatbare hoeveelheid' die de belangen van die nazaten moet dienen, dreigt dan steeds kleiner te worden.

Andere energiesoorten

De twee grote andere energiesoorten, steenkool en aardgas, zullen minder problemen brengen. De kans dat daar daling van de consumptie zal optreden is vrijwel nul. Uit de gegevens van de British Petroleum Statistical Review of World Energy, waaruit ook alle voorgaande energiecijfers zijn gehaald, wordt nog het volgende duidelijk. Uit de gegevens voor elf jaren (1979 tot en met 1989), laten zich 55 groei- en dalingscijfers afleiden, door vergelijking met het eerstvolgende, het na twee jaar volgende, tot en met het na tien jaar volgende verbruikscijfer. Van deze 55 zijn er bij olie 24 dalingen; maar bij steenkool slechts drie en bij aardgas een.

De gegevens nodig om het omslagtijdstip te bepalen, zijn in de bovengenoemde publikatie van British Petroleum naar mijn mening niet te vinden. Als het meningsverschil tussen hen en mij opgelost is, hoop ik daarover mijn laatste bijdrage te leveren.