Pronk voorziet meer ruzies in Derde wereld

UTRECHT, 15 okt. Als twee olifanten vechten, lijdt het gras eronder. Beminnen ze elkaar, dan heeft het gras het zeker zo hard te verduren. Ten tijde van de Koude oorlog hebben de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten gebruik gemaakt van de Derde wereld om hun conflicten uit te vechten. Maar nu de twee grote mogendheden nader tot elkaar zijn gekomen, zullen de ontwikkelingslanden in het vergeetboekje raken.

Zo beschreef T. Bediako, secretaris-generaal van de All African Teachers Organisation (AATO), afgelopen zaterdag de positie van ontwikkelingslanden ten opzichte van de twee wereldmachten. Bediako gaf zijn sombere toekomstvoorspelling op de jaarlijkse conferentie van de Nederlandse Commissie voor Ontwikkelingssamenwerking (NCO), die dit jaar in samenwerking met de FNV was georganiseerd. Thema van de conferentie Oost-West, Zuid lest? was de invloed van de omwentelingen in het oostblok op ontwikkelingslanden.

Minister Pronk (ontwikkelingssamenwerking) toonde zich een optimist. Op economisch terrein zal er niet zoveel veranderen voor de ontwikkelingslanden, aldus de minister. Behalve de VS wil geen van de Westerse landen de hulp aan Oost-Europa ten koste laten gaan van de zuidelijke landen. Ook particuliere investeerders blijven volgens Pronk hun geld in het zuiden steken. De markten van Azie en Zuid-Amerika zijn te groot om zomaar te verlaten, en die van Oost-Europa is nog te onzeker om alle kaarten op te zetten.

Politiek zag Pronk grote voordelen voor het zuiden. Wel zal het aantal regionale conflicten op korte termijn toenemen. 'De angst voor bemoeienis van de grote mogendheden is weg, dus zullen allerlei sluimerende conflicten tot een uitbarsting komen. Maar we zien nu al in de Golfcrisis dat de Verenigde Naties slagvaardiger zijn geworden. Regionale conflicten zullen in de toekomst beheersbaarder zijn.'

Met name de uitbreiding van de internationale agenda is volgens Pronk van belang. 'Ten tijde van de Koude oorlog konden we maar over vier punten praten: grondstoffenprijzen, industriele investeringen, ontwikkelingssamenwerking en schuldenregulering. Nu kunnen we onderwerpen aankaarten als ecologisch beleid, energie, migratie, demilitarisatie, democratisering en onderwijs.'

Bediako schetste een heel wat somberder beeld van de toekomst. 'We moeten niet alleen kijken naar de gebeurtenissen in Oost-Europa, maar de discussie uitbreiden met de Europese eenwording, het economisch beleid, met name van het Internationale Monetaire Fonds, en de internationale economische orde.'

Ten slotte merkte Bediako op, dat het einde van de Koude Oorlog een einde aan de belangstelling voor de ontwikkelingslanden kan betekenen. 'We zijn bezorgd over de houding van het Westen, nu er geen serieuze ideologische competitie meer is, en de hulp uit het oostblok wegvalt. Een aantal ontwikkelingslanden heeft profijt gehad van de Koude oorlog. Als je geen steun kreeg in het Westen, dan kon je je altijd nog tot het Oosten wenden.'

Ook I. Dobozi, hoogleraar wereldeconomie aan de Academie voor Wetenschappen in Boedapest, was aanmerkelijk pessimistischer dan Pronk. Toenemende economische activiteit in Oost-Europa en intensievere handel tussen oost en west zullen de kloof met het zuiden vergroten. Het is daarom niet genoeg om de ontwikkelingshulp aan het zuiden op hetzelfde peil te houden; er moet meer worden gedaan, bijvoorbeeld in de vorm van schuldenverlichting. Dat laatste wordt volgens Dobosi des te noodzakelijker, omdat de rentestand flink zal stijgen. 'De wereld-rentestand staat onder grote druk door de groei van investeringen in het oosten en de actievere leenpolitiek van de Sovjet-Unie.'

Net als Bediako wees Dobozi op het gevaar van 'disengagement', een afname van de Westerse betrokkenheid bij ontwikkelingslanden.

F. van Dam, hoogleraar internationale betrekkingen in Leiden en voormalig adviseur van Pronk, noemde 'disengagement' juist een gunstige ontwikkeling. 'Indonesie en Zuid-Korea hebben laten zien dat ze zelf in staat zijn economische vooruitgang te boeken. De kongsie tussen de rijke landen levert een doodenge situatie op: leegzuigen of verwaarlozen van ontwikkelingslanden. Ik zou als Afrikaan voor het laatste kiezen. Het moet een verademing zijn zelf het initiatief te kunnen nemen.'