Jeruzalem verwerpt resolutie van V-raad; Regering Israelweigert hulp bij onderzoek VN

ROTTERDAM, 15 okt. Om 6.55 uur plaatselijke tijd begon het bombardement dat zaterdag een eind maakte aan de opstand van de christelijke Libanese leider generaal Michel Aoun. Drie Syrische Soechoi-bommenwerpers volgens sommige bronnen deed, voor de vorm, ook een oude Libanese Hawker-Hunter mee bombardeerden het presidentieel paleis in Beiroets voorstad Baabda waar Aoun sinds het najaar van 1988 leefde. Daarop volgde een artillerie- en tankaanval door 10.000 militairen, van wie meer dan de helft Syriers, die Aouns hoofdkwartier na zes uur vechten bezetten. Maar voor die tijd had Aoun zich al overgegeven en zijn toevlucht gezocht in de Franse ambassade.

Het laatste offensief tegen Aoun eiste nog zeker 250 levens, bovenop de ruim 2.000 doden die al waren gevallen bij de twee grote, en mislukte, campagnes die Le General in zijn korte periode in het presidentieel paleis had gevoerd. Maar ondanks het relatief grote aantal slachtoffers dat hij heeft gemaakt Libanon is maar klein was de bevolking van het gebied dat hij tot zaterdag in handen had niet opgelucht over zijn val. Sommigen voelden zich eerder verraden door zijn snelle overgave, omdat hij de dag tevoren nog had gezworen door te vechten 'tot de dood of de overwinning'. 'Onze hoop en dromen zijn versplinterd', zei een inwoner van Oost-Beiroet. 'Mijn buren zijn officier van het leger van generaal Aoun', zei een huisvrouw. 'Ze zijn razend. Ze hopen nu dat de Fransen (onder wier hoede Aoun zich bevindt) hem aan ons uitleveren om hem te berechten.'

Maar veel anderen waren verslagen. In de kerk zaten gisteren veel mensen te huilen. 'Onze natie is verloren. De mensen kunnen zich nu alleen nog tot God wenden', zei een priester. 'Hij had geen keus', meende een arts. 'Zelfs Amerika stemde in met een aanval.'

Held

Ondanks het geweld, ondanks alle pogingen van de Syrische regering en de buitenwereld, die niets meer met Libanon te maken wilde hebben, om de onder Syrische druk gekozen president Elias Hrawi aan de Libanezen te verkopen als de enige kans op vrede, ondanks alle inspanningen Aoun af te schilderen als een krankzinnige of een verrader en waarschijnlijk allebei, was de generaal voor veel Libanezen een held gebleven. Hij was de man die Libanon ging verlossen van de Syrische bezettingstroepen die al jaren te lang waren gebleven, die een eind ging maken aan de willekeur van de milities, kortom die orde op zaken ging stellen en Libanon ging normaliseren.

Na vijftien-en-een-half jaar burgeroorlog met verwoestende strijd tussen iedere militie tegen alle andere hebben de nog achtergebleven Libanezen tegen beter weten in de hoop op een vreedzaam Libanon niet verloren. Dat Libanon zou vrij zijn van buitenlandse interventie en bezetting en niet langer het hele Midden-Oosten de plaats bieden om de onderlinge conflicten met de handschoen uit te vechten.

Voor de cynische waarnemer is zo'n Libanon een utopie, omdat nu een hele generatie is opgegroeid met het idee dat conflicten gewapenderhand worden opgelost: wapengeweld is onderdeel van het gewone leven van alledag geworden waarbij protectie van een militie toegang tot de universiteit oplevert. Maar toen generaal Aoun in het voorjaar van 1989 zijn 'bevrijdingsoorlog' uitriep tegen de Syrische bezettingsmacht, stonden de Libanezen enthousiast achter hem, christenen en moslims.

Aoun was in feite een van hen; een man uit een hele gewone familie uit Zuid-Beiroet niet een van de grote families als de Chamouns en de Gemayels en de Jumblatts die het leven in Libanon al zo lang beheersen die het door zijn militaire capaciteiten tot opperbevelhebber had gebracht. Hij boezemde vertrouwen in: hier stond niet een van die meer of minder criminele militieleiders die het puur om macht en geld te doen was.

Toen het Libanese parlement er in september 1988 niet in slaagde een opvolger voor president Amin Gemayel te kiezen, benoemde deze Aoun als premier, een mogelijkheid die de grondwet biedt om de continuiteit van de christelijke oppermacht te waarborgen zolang er geen staatshoofd is. Islamitisch Libanon verzette zich formeel tegen deze stap, maar knikte goedkeurend toen Aoun vervolgens in christelijk gebied orde op zaken ging stellen en de christelijke militie, de gehate, moorddadige Libanese Strijdkrachten, intoomde.

Maar toen Aoun in maart 1989 een soortgelijke maatregel aankondigde tegen de moslim-milities en hun illegale havens blokkeerde, was het oorlog, en die verhevigde alleen maar toen hij korte tijd later zijn bevrijdingsoorlog tegen Syrie lanceerde.

Ruim 1.000 doden later kwam door Arabische bemiddeling en met Syrische medewerking in oktober het 'akkoord van Taif' tot stand, een vredesplan dat de macht in Libanon in zekere mate herverdeelde ten gunste van de achtergestelde moslims zij het lang niet voldoende naar de zin van de shi'itische minst-bedeelden en dat tegelijk de Syrische aanwezigheid institutionaliseerde. Aoun erkende het niet.

Rene Mouawad, de eerste president van Libanon die krachtens dit plan werd gekozen, werd vermoord; het is nooit bekend geworden welke van de vele potentiele daders de bom had geplaatst die zijn auto op 21 november 1989 opblies. Mouawad was een verzoener; Elias Hrawi, die bij geheel door Syrie gearrangeerde verkiezingen als zijn opvolger werd aangewezen, is meer een uitvoerder, van Damascus.

Ondergang

De aanhoudende massale volkssteun voor Aoun in christelijk gebied verhinderde Hrawi zijn dreigement uit te voeren om de generaal uit het presidentieel paleis te verdrijven. Aoun op zijn beurt besloot eind januari nu eerst definitief orde op zaken te stellen in eigen gebied en verklaarde de Libanese Strijdkrachten de oorlog. Het zou zijn ondergang worden, maar hij kon niet anders: hij had de inkomsten broodnodig die de militie nu binnenkreeg door illegale tolheffingen.

Tegen de verwachting in bleek de kleinere maar veel hardere militie van Samir Geagea de sterkste in deze broederkrijg en Aoun raakte twee derden van zijn gebied kwijt. Misschien was hem toen al de genadeslag toegediend als niet in een voor Libanon zo kenmerkende ommezwaai enkele door Syrie gesteunde christelijke groepen hem wapensteun hadden geleverd. Damascus wilde daarmee twee vliegen in een klap slaan: verhinderen dat de Libanese Strijdkrachten te machtig werden (Syrie heeft dat in zijn 14 jaar in Libanon geen enkele groep, christelijk of islamitisch, toegestaan) en de pogingen van Irak en de PLO dwarsbomen om Aoun en Geagea met elkaar te verzoenen en zo een anti-Syrisch front in Libanon in stand te houden.

Waarom Syrie nu toch heeft ingegrepen, is nog niet duidelijk. Zeker is dat het internationale politieke klimaat nu geschikt was, met alle aandacht gericht op die andere bezetting, de Iraakse van Koeweit, en de 21 Palestijnse doden op de Tempelberg. Syrie is in de kwestie-Irak bovendien een gewaardeerde bondgenoot van de Verenigde Staten, hoewel gezegd moet worden dat Washington de laatste jaren altijd het Syrische optreden in Libanon heeft gesteund.

Zeker is ook dat de regering-Hrawi, een bonte verzameling politici en militieleiders van alle gezindten, het de laatste tijd nog moeilijker had dan tevoren. De druzische militie van minister van openbare werken Jumblatt ondermijnde, met steun van de door Iran gesteunde fundamentalistisch-shi'itische beweging Hezbollah, de blokkade van Aouns gebied door Hrawi's legereenheden en de Libanese Strijdkrachten. Het leek er even op dat de door ongekende corruptieschandalen ondermijnde regering nog voor Aoun zou vallen.

Zeker is ten slotte dat Libanon geen stap dichter bij vrede is gekomen. Door de verwijdering van Le General heeft de militie van Geagea automatisch weer meer macht gewonnen, wat Geagea's vele doodsvijanden en uiteindelijk ook Syrie op den duur niet kunnen tolereren. De Syrische bezetting van Oost-Beiroet is een nieuw fait acompli dat in Israel met zorg wordt gadegeslagen. De shi'ieten, de grootste godsdienstige groep in Libanon, blijven ontevreden over 'Taif'. En dan zijn nog, enigszins buiten het nieuws, de andere oorlogjes gewoon aan de gang, tussen de shi'ieten, tussen verschillende Palestijnse facties, omdat het nu eenmaal Libanon is.

    • Carolien Roelants