De overheid is nu bijna in haar subsidieringswoedegestikt

Tijdens de algemene beschouwingen in de Tweede Kamer, vorige week, kreeg het 'maatschappelijk middenveld' nogal ervan langs, vooral van de fractieleider van de VVD, Bolkestein. Er zouden machtsposities zijn ontstaan, oncontroleerbaar door het parlement, bij organisaties van welker diensten ook anderen dan de oorspronkelijke initiatiefnemers gebruik moeten maken. Deze oncontroleerbaarheid door de politiek ziet Bolkestein als een gevaar. Een merkwaardige opmerking in een wereld van vrije markteconomie en onderlinge concurrentie. Tenslotte horen ook de politieke partijen zelf als organisaties in dit maatschappelijk middenveld thuis, zij het dat ons politiek bestel, de democratie, de partijen heeft opgesierd met het primaat van de politiek. Ook zij weten wat concurrentie en machtsvorming betekent en wat zij in de samenleving verrichten bindt evenzeer leden als niet-leden. En wat betreft het falen van de politieke controle op wat zich in het maatschappelijk middenveld afspeelt, dit is niet te wijten aan het maatschappelijk middenveld zelf, maar aan de omstandigheid dat de politiek vervreemd is van wat zich daar afspeelt.

Wat is dit maatschappelijk middenveld eigenlijk? Iets erg ingewikkelds, dat wel, waar maar moeilijk zicht op te krijgen is. Het gaat om een immens ingewikkelde organisatorische structuur waar een voortdurende stroom, rechtstreeks uit het maatschappelijke leven voortvloeiende initiatieven een aldoor wisselende organisatorische vorm krijgt. Tienduizenden georganiseerde eenheden met een meer of minder sterke organisatorische structuur krioelen dooreen: verenigingen, instellingen, stichtingen, commissies, werkgroepen, adviesraden, protestcomites, vakbonden, groene fronten, groot en klein, allemaal groepen en groepjes mensen die gezamenlijk in een georganiseerd verband iets trachten te bereiken. Ieder kan zich vrijelijk erbij aansluiten of kan met anderen samen iets nieuws beginnen. Men kan het zo gek niet bedenken of er bestaat wel een organisatie voor. Door dat alles is er iets gegroeid dat als verzorgingsstaat wordt aangeduid. Want hoewel het woord 'staat' erg is gaan prevaleren onder het primaat van de politiek, voelen de burgers zich toch eigenlijk het prettigst bij hun eigen vereniging, societeit, bij die warwinkel van instituties, die in alle porien van de samenleving doordringt, op een autonome, zelfstandige, en gelukkig van staatswege ongecontroleerde manier.

Scheidingslijn

Wat nu de naam maatschappelijk middenveld draagt heette vroeger, een halve eeuw geleden, nog particulier initiatief. Los van het commerciele bedrijfsleven gold dit voor al die vormen van maatschappelijke organisatie, buiten de overheid, die de samenleving zo leefbaar mogelijk moeten maken.

De opkomst van dit particulier initiatief valt vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw, toen volgens de toenmalige liberale opvattingen het beginsel van de staatsonthouding heerste. De staat hoorde niet in te grijpen in de werking der vrije maatschappelijke krachten. Zijn taak was slechts bescherming, de organisatie van het onderwijs en het vermijden van excessen, waar deze in de samenleving dreigden. Tussen staat en maatschappij bestond een scherpe scheidingslijn. Er moest zich in de samenleving al iets heel ergs voordoen, om van een te bestrijden exces te kunnen spreken. Het Kinderwetje-van Houten (1875) dat kinderarbeid verbood is hiervan een duidelijk voorbeeld.

Een groot deel van het particulier initiatief was van kerkelijke oorsprong. Tot de Tweede Wereldoorlog en tijdens de hele negentiende eeuw was de invloed van de kerk groot. Zij bepaalde de moraliteit, en behartigde, zij het met de jaren in afnemende mate, de armenzorg. In de jaren dertig van deze eeuw was het bij de gemeentelijke sociale diensten en de burgerlijke armbesturen nog gebruikelijk aan belijdende leden van de kerken te vragen of ze zich wel eerst bij de kerk van hun confessie hadden gemeld om steun. In rooms-katholieke kring ging men toen nog strikt uit van het subsidiariteitsbeginsel: de overheid komt pas in aanmerking waar de kerk bij bedeling, verzorging of ziekenzorg tekort schiet. In gereformeerde kring gold de soevereiniteit in eigen kring: wij zorgen voor onze eigen mensen. In kerkelijke kring was in de schoolstrijd de eigen school bevochten. Achter dit alles stak behalve de wens naar eigen onderwijs ook de behoefte de gelovigen door eigen krachten te laten verzorgen om hen zo af te schermen tegen het gevaar van andersdenkenden. Hier ligt de basis van de verzuiling, die het particulier initiatief tenminste in drieen verdeelde. Hoewel de zuilen zijn ingezakt zijn hun sporen nog altijd duidelijk zichtbaar in het organisatiepatroon van de samenleving, meer op grond van traditie dan door kerkelijke invloed overigens.

Initiatieven

Naast de bemoeienis van de kerk begon zich echter in de tweede helft van de negentiende eeuw ook de sociale idee steeds sterker te ontwikkelen. Door het particulier initiatief werd van alles aangepakt waarop later de staat, regelend en subsidierend, zou inhaken. De arbeidersbeweging begon gestalte te krijgen, de kruisverenigingen gingen zich met de gezondheidszorg inlaten, de eerste woningbouwverenigingen werden gesticht en er kwamen steeds meer initiatieven van verontruste burgers. Particulieren stichtten bedrijven die later zouden opgaan in de openbare nutsbedrijven. Dit alles legde de grondslag voor wat in de twintigste eeuw zou uitgroeien tot de verzorgingsstaat, maar nog tot de Tweede Wereldoorlog bleef de invloed van het particulier initiatief die van de overheid bij de uitoefening van verzorgende taken vaak verre overtreffen.

Daarna begon de overheid met haar regels en vooral met haar subsidiering, die ook weer met regels gepaard ging, geleidelijk een overheersende rol bij het particulier initiatief te spelen. Dat werd, voorzover het zich bezig hield met verzorgende taken, steeds meer ondergesneeuwd met regels en duiten en raakte zo al evenzeer gebureaucratiseerd als de overheid zelf.

Maar er beginnen zich symptomen van verandering voor te doen. De overheid is bijna in haar subsidieringswoede gestikt en begint de subsidiekraan moeizaam terug te draaien. Moeizaam, want rijkelijk aan subsidiering gewend geraakte particuliere instellingen slaken allerwege alarmkreten en zien hun fraaiste initiatieven wankelen. Maar inmiddels heeft de politiek toch een punt gemaakt van een systematische besnoeiing op overheidssubsidies. Het helemaal drijven op de overheid door het particulier initiatief lijkt zijn langste tijd te hebben gehad.

Dan is er het privatiseringsstreven. De overheid gaat er steeds meer toe over taken weer over te laten aan particuliere instellingen. We draaien, heel langzaam, weer terug naar meer terughoudendheid, naar meer onthouding door de overheid, naar een minder overdreven regelwoede, naar een teruggave van eigen verantwoordelijkheid aan de burgers en hun organisaties zelf, overigens ook een moeizaam karwei nadat die burgers eerst grondig verwend zijn en van eigen verantwoordelijkheid ontlast.

De auteur is oud-burgemeester van Meppel en emeritus-hoogleraar Bestuurskunde Erasmus Universiteit.