Cuwaert is het haasje en wordt opgegeten

Regelmatig vernemen wij dat deze of gene politicus het boetekleed aantrekt. Dit feit alleen al maakt een nadere studie van dit kleed gewenst.

Mijn zeer oude Petit Larousse geeft aan dat het boetekleed moest zijn gemaakt van geitehaar, bij voorkeur van de geitesik, en op het blote lijf gedragen. Het harde geitehaar kriebelde natuurlijk flink. Plaatjes tonen dat het boetekleed de boeteling van kruin tot enkels of kuiten moest bedekken. Een klein boetekleedje voldoet derhalve niet aan de eisen.

Het boetekleed was het uiterlijk teken van boetedoening, bijvoorbeeld een bedevaart of een leven als kluizenaar. De bedevaart had nog het voordeel dat de boeteling een tijdje onder de kim verdween en terugkeerde met een (duur (Beta)alde) aflaat. Als wij Chaucer's pelgrims naar Canterbury volgen blijkt dat de op reis vertelde verhalen allesbehalve stichtelijk zijn. Vooral de geestelijken komen er bekaaid af. De boetedoening kon zo ook nog genoegelijk worden.

Gaan wij na wat in de Nederlandse literatuur de oudste vermelding van het boetekleed is dan komen wij terecht bij het verhaal van Reinaart de Vos.

Deze verschijnt in het boetekleed (ene scerpe hare) bij Canteclaer de Haan en vertelt dat hij het eten van vlees zal nalaten en als kluizenaar zal gaan leven. Daarop laat Canteclaer zijn toom kippen en kuikens in de wei met heerlijke kruiden los. Reinaart heeft snel het boetekleed afgelegd en de eerste kip gesnaaid. Het is ook niet de laatste.

Driemaal gedaagd moet Reinaart wel naar het hof van koning Nobel. Voor zijn wandaden wordt hij tot de dood door de strop veroordeeld. Bruin de Beer, Iezegrim de Wolf en Tibert de Kater krijgen opdracht de galg klaar te maken. Met zijn belangrijkste vijanden tijdelijk uit de weg vraagt Reinaart of hij een laatste woord mag spreken. Koning Nobel staat dit toe.

Reinaart legt een rookgordijn. Hij begint te vertellen dat hij in zijn jeugd verslaafd raakte aan de smaak van bloed en vlees en dat zijn vader met Bruin en Iezegrim een staatsgreep beraamd had. De noodzakelijke Duitse huurlingen moesten worden gefinancierd uit de legendarische Hunnenschat, die Reinaarts vader had gevonden. Reinaart volgde zijn vader en zag waar de schat lag begraven. Nadat zijn vader was vertrokken groef hij de schat op en verborg deze elders. Daardoor was de staatsgreep verijdeld en Reinaarts vader verhing zich. En passant merkt Reinaart op dat Bruin eigenlijk een vreemdeling uit de Ardennen is, die het op de kroon voorzien had.

De koning hapt toe op het aas van de schat. De vos ruilt de fictieve schat tegen zijn leven. Tiecelijn de Raaf waarschuwt Bruin, Iezegrim en Tibert. Bruin en Iezegrim gaan terug. Iezegrim kritiseert Reinaart en daarmee het koninklijk gratiebeleid. Bruin en Iezegrim gaan in de boeien. Reinaart trekt het boetekleed weer aan en zegt een bedevaart naar Rome te zullen maken. Eerst wil hij naar huis om afscheid te nemen van vrouw en kinderen.

Cuwaert de Haas en de kapelaan Belijn de Ram vergezellen hem. Cuwaert is het haasje en wordt opgegeten. Belijn krijgt zonder dat hij het weet het corpus delicti, Cuwaerts kop, mee.

Reinaart beseft dat de truc met het boetekleed en pelgrimage nu te doorzichtig zijn en trekt zich met vrouw en kinderen terug in het bos, waar hij niet zo makkelijk zal zijn te vinden.

Het verhaal van Reinaart de Vos is eigenlijk een politiek schotschrift, waarvan de achtergronden ons ontgaan. Voor tijdgenoten zal de gelijkenis tussen de dieren en bepaalde personen maar al te duidelijk zijn geweest. De schrijver meldt in de voorrede alleen dat hij al een ander geschrift op zijn naam heeft staan, maar blijft wijselijk anoniem.