Britten desnoods met keukentrap naar golfcourse

ST. ANDREWS, 15 okt. Het plafond van de groei in de golfsport is nog altijd niet in zicht. In St. Andrews onthulde Ken Schofield, de directeur van de Europese PGA-Tour, dezer dagen de wedstrijdkalender voor 1991, waarbij hij tevreden kon opmerken dan opnieuw niet aan alle aanvragen voor toernooien kon worden voldaan. Vertegenwoordigt het golf in de Verenigde Staten thans een economische macht waarin jaarlijks met 22 miljoen beoefenaren twintig miljard dollar omgaat, ook in Europa stijgt de aandacht nog altijd, hetgeen scherp tot uiting komt in het profcircuit.

'Vooral op het continent is thans nagenoeg elk land op zoek naar een eigen prestigieuze titelstrijd. Je ziet het deze week in Oostenrijk, een land met nauwelijks 11.000 beoefenaren, maar er wordt in Salzburg wel een top-evenement georganiseerd', aldus Schofield, die 38 officiele toernooien heeft toegelaten op basis waarvan de Europese ranglijst (Order of Merit) wordt samengesteld. Dit seizoen bedraagt het hieraan verbonden prijzengeld veertig miljoen gulden, maar voor de competitie in 1991 wordt na de afronding van alle onderhandelingen een stijging van twintig procent verwacht.

Epicentrum

Met name de groeiende populariteit van golf op het continent stelt de PGA voor grote problemen. Van oudsher vormde Groot-Brittannie in dit deel van de wereld het epicentrum van de golfsport, maar door de jaren heen is er vooral binnen Europa een zekere machtsstrijd onstaan. Niettemin loopt de plaats van deze sport in de samenleving van verschillende landen nog altijd sterk uiteen. Waar beoefenaren en toeschouwers op het vasteland in veel gevallen een sociale status aan hun relatie met golf verbinden, geeft deze bezigheid in Groot-Brittannie waar het publiek en spelers betreft een dwarsdoorsnede van de bevolking te zien. Golf wordt in Groot-Brittannie niet geassocieerd met elitair tijdverdrijf, hetgeen onder andere duidelijk tot uiting komt bij grote evenementen waar toeschouwers uit alle lagen van de bevolking op af komen, enthousiasme uitstralen en niet te beroerd zijn de desnoods met verfspatten besmeurde keukentrap mee te torsen naar de course om vanachter de altijd aanwezige haag van mensen langs de holes toch vooral niets te missen.

Zo ook in het Schotse kustdorpje St. Andrews, waar gisteren de jaarlijkse strijd om de Dunhill Cup werd afgerond. De autochtonen aldaar zijn vakbekwamer dan de gemiddelde Nederlandse amateur-speler, niet in de laatste plaats doordat golf daar deel uitmaakt van de opvoeding. In heel Groot-Brittannie wordt nagenoeg ieder kind in de gelegenheid gesteld in aanraking te komen met de finesses van het spel en een dergelijke mentaliteit alsmede de historische achtergronden vormen dan ook de basis voor het succes van de Britse spelers.

St. Andrews geldt bovendien als The Home of Golf en derhalve ontwikkelde de Dunhill Cup tussen zestien landen zich dit jaar opnieuw als een prestigekwestie. Japan was de enige natie die de bestaande verhoudingen bijna doorbrak. Het team waande zich zaterdag aanvankelijk zelfs verzekerd van een plaats in de finale, maar in de twee play-offs via het principe van de 'sudden death' toonde Engeland zich uiteindelijk toch de sterkste. Gisteren in de eindstrijd bleek het team van captain Howard Clark, Mark James en Richard Boxall evenwel niet opgewassen tegen de Ierse formatie die de finale over 36 holes met 31/2-21/2 in zijn voordeel besliste. Van het totaal beschikbare prijzengeld van een miljoen dollar kregen Ronan Rafferty, David Feherty en Philip Walton ieder honderdduizend dollar. De verliezende spelers moesten het met de helft hiervan stellen.

Breekpunt

Bevestigde de ontwikkeling in dit jaarlijkse landentoernooi opnieuw de Britse hegemonie, voorts werd onderstreept waarom de Old Course van St. Andrews een van de fraaiste alsmede moeilijkst te bespelen baan ter wereld is. Met name de zeventiende (de Road Hole, par 4) vormde een breekpunt in het kampioenschap. De weg langs het hotel en de mansdiepe bunker vlak voor de vlag zijn obstakels die iedere speler angst en ontzag inboezemen.

Acht bogeys (een boven par) vielen er in de finale tussen Ierland en Engeland op de zeventiende, hoewel dit aantal nog relatief laag was in vergelijking met eerder gespeelde ronden waarin bijvoorbeeld Mark Mouland voor Wales genoegen moest nemen met maar liefst negen slagen (vijf boven par). Behalve de kwalificatie 'ongewoon slecht' is hiervoor nog geen officiele golfterm ontwikkeld.

Ook David Feherty verkrampte gisteren op de zeventiende, waardoor een play-off uiteindelijk de beslissing moest forceren. Nadat in de eerste omloop van achttien holes de stand tussen beide landen met 11/2-11/2 in evenwicht was, won Mark James in de tweede serie van Philip Walton, waarna Ronan Rafferty voor Ierland de stand opnieuw gelijktrok via winst op Richard Boxall. Feherty had op de zeventiende een slag voorsprong op zijn concurrent Howard Clark, maar moest die voorsprong als gevolg van een zwakke putt uit handen geven. Ook de laatste hole bracht geen beslissing meer en een nieuwe reeks moest de winnaar aanwijzen.

Feherty, ooit studerend voor operazanger, greep daarop uitgerekend op de Road Hole zijn revanche. Waar Clark zich een moeilijke positie verwierf, joeg hij met een prachtige slag de bal tot vlak bij de vlag en haalde hij met een simpele afwerking de winst over drie extra gespeelde holes binnen. De verlenging betekende voor de Ierse teamgenoten van Feherty een drama wegens het zonder iets te kunnen uitrichten moeten meelopen in de verlenging. Feherty: 'Iets dergelijks is voor ons eigenlijk ongewoon. Bovendien veroorzaakt het spelen voor een land toch een gespannen situatie. Het afhankelijk zijn van elkaar voor het resultaat geeft een bijzondere dimensie aan het golf, dat doorgaans eigenlijk een bijzonder egoistisch spel is.'