VOORWAARDEN VOOR MENSELIJK GELUK

In de zomer van 1948 werd er in de Verenigde Naties gedebatteerd over de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De Australische gedelegeerde wilde in een bepaald artikel een zinsnede opnemen, waarin stond dat het individu zich alleen vrij en volledig kan ontwikkelen in een samenlevingsverband. De Belgische vertegenwoordiger verklaarde zich daar tegen: Robinson Crusoe bewees het tegendeel, meende hij. Maar de gedelegeerde van de Sovjet-Unie ondersteunde het Australische amendement. Zijn Belgische collega had Robinson Crusoe niet goed gelezen, zei hij. Crusoe beschikte immers over de produkten van menselijke cultuur (werktuigen en boeken) die hij in het wrak van zijn schip had gevonden. De woordvoerders waren zich welbewust van hun achttiende-eeuwse voorgangers.

In zijn bijdrage aan The Enlightenment and its Shadows (een bundel artikelen van docenten aan de universiteit van Essex), verdiept Michael Freeman zich in allerlei problemen rondom mensenrechten, toen en nu. Mensenrechten zouden anarchistisch zijn en anti-sociale implicaties hebben; zij zouden individueel egoisme onderschrijven en de mens teveel benaderen als geisoleerde atomen. Universele mensenrechten veronderstellen universele morele waarden; zij zijn teveel het produkt van het Westen, en houden geen rekening met andere culturen.

Wat dat laatste betreft, poneert Freeman dat bijvoorbeeld martelingen wel tot een bepaalde cultuur kunnen behoren, maar daarom binnen die cultuur nog niet zijn aanvaard. Bovendien hebben regeringen van verschillende ideologische en culturele kleur de Universele Verklaring vrijwillig onderschreven. En wat die eerste bezwaren betreft, die al rond 1800 opkwamen, verwijst Freeman naar titel en tekst van de Declaration des Droits de l'Homme et du Citoyen uit 1789, waarin het gaat om mensenrechten en burgerplichten. De mens heeft natuurlijke, onvervreemdbare rechten maar maakt ook deel uit van een sociale organisatie. Niet alleen de invloed van Locke, maar ook die van Rousseau is onmiskenbaar aanwijsbaar: het zogenaamde individualisme van de Verklaring wordt onmiddellijk gevolgd door de bevestiging van de autoriteit van de natie.

GELUK

Zowel Locke als Rousseau komt in een aparte bijdrage aan bod. Jay Bernstein gaat in op Rousseaus idealisering van de natuurstaat (een fictie, en daarvan was Rousseau zich bewust), waarin de mens niemand anders nodig had dan zichzelf en gelukkig was. De overgang naar de samenleving was in het denken van Rousseau een geseculariseerde zondeval: de mensen gingen zich met elkaar vergelijken en gingen zich anders voordoen dan zij waren (een vorm van zelfvervreemding) waardoor zij hun natuur geweld aandeden. Zo ontstond ongelijkheid. Bernstein meent dat hier de corruptie van de moderne mens wordt geanalyseerd. Ten onrechte, want die corruptie begon volgens Rousseau al in de eerste samenlevingen, bij het ontstaan van landbouw en metaalbewerking. Niet toevallig was Robinson Crusoe het boek dat Rousseau aan Emile (de hoofdpersoon van zijn gelijknamige pedagogische roman) voorhield als voorbeeld.

Locke, aan wie Peter Hulme een bijdrage heeft besteed, had ook zo zijn gedachten over de natuurstaat, en daarbij had hij vaak Noord-Amerika voor ogen. Dat is niet zo vreemd; hij was namelijk onder meer secretaris van de Committee for Trade en de board of Lords Proprietors of Carolina. Volgens Locke was het recht op eigendom een natuurrecht, maar kon men dat enkel laten gelden door het land te bewerken. Arbeid gaf recht op eigendom, een puriteinse gedachte: de Puriteinen in New England eigenden zich de grond van de Indianen toe door deze in cultuur te brengen. Men kon zich daarbij naar keuze beroepen op de beredenering van Locke of op het gezag van de Bijbel.

Als Locke kan gelden als secretaris en advocaat van de opkomende Engelse burgerij, dan is de Schotse filosoof Adam Ferguson haar rechter en criticaster. Anders dan Locke geloofde Ferguson niet in een natuurstaat omdat daarvoor het empirisch bewijs ontbrak. En anders dan Rousseau geloofde Ferguson dat de mens van nature sociaal is. Met Rousseau anderzijds was hij weer van mening dat grote ongelijkheid en overdreven welvaartsvorming en luxe de genealogie vormden van het ongeluk. In zijn Essay on the History of Civil Society (1767) maakt Ferguson duidelijk dat de mens drie voorname driften heeft: die tot zelfbehoud, tot het vormen van samenlevingen en tot de verbetering van zijn huidige situatie. Deze drie driften voeren de mens in de 'enterprise culture' echter tot de vernedering van waarden en mensen tot materiele belangen en werktuigen van welvaart. De 'ondernemerscultuur' corrumpeert beschaving en bezitsvorming tot zelfvervreemding en moreel atomisme. De fabriek floreert het meest waar het verstand het minst wordt geraadpleegd, en waar de werkplaats met weinig verbeeldingskracht kan worden opgevat als een machine met mensen als onderdelen, schrijft Ferguson. In zijn bijdrage over Ferguson toont Ted Benton aan dat deze zijn tijd ver vooruit was.

UCHRONIE

Merciers L'An 2440 past meer in het vooruitgangsgeloof van de Verlichting. Het is een utopie, of liever: een uchronie, een beschrijving van een andere tijd. Het boek werd in Frankrijk en Spanje verboden en door de katholieke kerk op de index gezet. Als schrijver kon men zich minder wensen, in die tijd. L'An 2440 is het verhaal van iemand die na een lange slaap ontwaakt in de vijfentwintigste eeuw, in Parijs. De hoofdpersoon beschrijft een samenleving die doortrokken is van de verlichtingsidealen. De samenleving van het jaar 2440 is egalitair; privileges zijn opgeheven. De handel is geliberaliseerd en luxe wordt gezien als verstoring van de economie. Diamanten worden dan ook in zee gegooid. De burger van de toekomst gehoorzaamt enkel aan de stem van de natuur, is enkel onderworpen aan de wetten van de rede, en de rede voert hem naar het geluk. Door het hele boek heen is de natuur een steeds terugkerend referentiepunt. De godsdienst is die van het deisme. De eerste communie bestaat hierin dat men een jongeling naar een observatorium brengt en hem door een telescoop en een microscoop laat kijken, om zo een idee te krijgen van de God van het universum die zich openbaart temidden van zijn werken. Simon Collier merkt in deze bijdrage op dat in onze ogen Merciers technologische speculaties weinig voorstellen, minder ook dan in de eerdere utopie van Bacon, New Atlantis. Wat dat betreft had de hoofdpersoon van L'An 2440 nog wel even mogen doordromen.

De beste bijdrage wordt wellicht geleverd door Onara O'Neill. Zij dringt door tot een van de essenties van Kants kritische filosofie. Kant had de Verlichting opgevat als de verlossing van de mens uit zijn zichzelf verschuldigde onmondigheid. Volgens Kant was iemand onmondig als hij zijn verstand niet kon gebruiken zonder de leiding van een ander. Kant wilde het denken autonoom maken. O'Neill beschrijft de bijzonder moeilijke problemen die Kant hierbij moest overwinnen. Descartes had nog gemeend dat God er garant voor stond dat onze ideeen omtrent de werkelijkheid op waarheid berusten. Dat impliceerde echter afhankelijkheid. Probleem is echter dat men voor de verdediging van een onafhankelijk verstand dat verstand zelf nodig heeft. Zo blijven we in cirkels redeneren. Kant vond zijn kwadratuur van de cirkel door het verstand op te vatten als het actieve vermogen kennis te construeren op basis van innerlijke coordinatie a priori (vooraf), uiterlijke waarnemingen en een oordeelsvermogen dat we delen met anderen en dat richting geeft aan het verstand. Met haar bijdrage heeft O'Neill een prima prestatie geleverd.

The Enlightenment and its Shadows bundelt een aantal bijdragen die sterk uiteenlopen qua onderwerp, tijd, plaats en niveau. Behalve traditionele onderwerpen, zoals het denken van Locke en Rousseau, is er bij voorbeeld ook een bijdrage over de muziek van de Verlichting. De Verlichting wordt ruim opgevat en de bijdragen voeren ons van Descartes tot in de Franse Revolutie en van Parijs tot in Noord-Amerika. Schaduwzijde van het boek is dat nergens wordt uitgelegd wat nu die schaduwen van de Verlichting zijn, die in de titel worden genoemd.

The Enlightenment and its Shadows

door Peter Hulme en Ludmilla Jordanova (red.)

232 blz., geill., Routledge 1990, f127,40

ISBN 0415042313

    • Marinus M. de Baar