Vijf subsidies voor conceptuele kunst van jonge schilders

AMSTERDAM, 13 okt. Koningin Beatrix heeft gistermiddag in het Paleis op de Dam aan vijf schilders subsidies van elk vijfduizend gulden uitgereikt. De onderscheiding is bedoeld als stimulans voor schilders onder de 35 jaar van wie 'het werk een belofte lijkt in te houden'.

Het niveau van de inzendingen voor de Koninklijke Subsidie voor de Vrije Schilderkunst is over het algemeen teleurstellend. Dit valt op te maken uit het juryrapport waarin staat dat, net als vorige jaren, bij de eerste selectieronde 'onmiddellijk zeer veel werkstukken afvielen, die noch voor subsidie, noch voor opname in de tentoonstelling in aanmerking kwamen'. De jury, bestaande uit Kees Broos, Marie Helene Cornips, Wim Gijzen, J. C. J. van de Heyden, F. M. Hutchison, Ellen Joosten en Toon Verhoef, heeft dan ook niet het maximale aantal van zes, maar slechts vijf schilders voorgedragen. In totaal zonden 694 deelnemers 1388 schilderijen in (tegenover 1660 schilderijen verleden jaar).

De bekroonde schilderijen zijn allemaal conceptueel van aard. De grote collages van Britta Huttenlocher bestaan uit gefotokopieerde fragmenten van negentiende-eeuwse schilderijen, van het type dat vroeger wel op koektrommels werd afgebeeld. Zich herhalende motieven van ruiters, briesende paarden en jachthonden vormen een hecht weefsel met hier en daar openingen naar een arcadisch landschap. Het effect van deze onconventionele techniek is schilderachtig, en de sepiakleur verleent er een sfeer van nostalgie aan. De verstilde 'foto-schilderijen' van F. T. Gh. Ros herinneren aan het werk van andere kunstenaars, bij voorbeeld Gunther Forg. Toch zijn ze niet onverdienstelijk. In het ene lichtgrijze schilderij opent zich een diepe, mistige ruimte, terwijl het beeld naar de randen van het doek is gedrongen. De koele, geconstrueerde composities van Paul Vos de Wael zijn minder streng geometrisch dan ze op het eerste gezicht lijken. Kleine verschuivingen en nuances behoeden het beeld voor monotonie. Dit laatste kan helaas niet gezegd worden van de 'Maxi-Color' schilderijen in zwart-wit van W. J. M. Kok. De pointe van zijn uitvergrote Dick Bruna-motieven (een lamp en een bloem) ontgaat mij geheel. Het 'grammaticaal-visuele programma' van Jan van der Ploeg tenslotte staat wat mij betreft teveel in het teken van de rebus.

De koele, conceptueel-georienteerde schilderkunst geniet kennelijk de voorliefde van de jury, want op de tentoonstelling hangt een aantal doeken dat aan die kwalificatie niet voldoet maar toch zeer de moeite waard is, zoals het abstracte schilderij van Dino Ruissen, dat opvalt door zijn mooie textuur en het geraffineerde kleurgebruik, de compositie van Allard Budding, en de aandoenlijke 'Quark' van R. Berning. De inzending als geheel mocht dan teleurstellend zijn, de tentoonstelling van zeventien exposanten is van een hoger niveau dan andere jaren.

Tentoonstelling in het Koninklijk Paleis te Amsterdam. T/m 21 oktober. Dagelijks geopend 12.30-16.30 uur.