Texaco-Nederland in eerste winstgevend olieveld China; Volksrepubliek kan door enorme binnenlandse vraag slechts weinig olieexporteren

HONGKONG, 13 oktober Drie weken na de invasie van Koeweit, toen de geindustrialiseerde wereld wanhopig op zoek was naar een gegarandeerde toevoer van olie, kwam er uit een onverwachte hoek hulp.

China bood de Verenigde Staten en Japan aan om hun mogelijke tekorten aan te vullen met in China gewonnen olie. Geen enkele Chinese autoriteit kon evenwel bij navraag aangeven hoeveel olie China dan wel aan deze landen zou kunnen leveren.

De opmerking van een directeur van een Chinese staatsoliemaatschappij dat de extra olie die China aan de Verenigde Staten zou leveren ten koste zou gaan van bestaande clienten, beloofde weinig goeds over de mogelijkheden van China om de produktiecapaciteit snel op te kunnen voeren.

Tim Brennand, directeur China van de Koninklijke Shell, toont zich sceptisch over het Chinese 'olie-offensief'. 'China kan haar olieproduktie niet als een diplomatiek wapen inzetten, daar mist de Volksrepubliek de capaciteit voor. Sterker nog, China is hard op weg naar een oliecrisis. Als de binnenlandse consumptie in het huidige tempo doorstijgt bij een aanhoudend stagnerende produktie dreigt het van olie exporteur zelfs een netto-importeur te gaan worden.'

Olie-analisten verwachten dat dit omslagpunt in 1995 bereikt zal zijn. China, dat met een produktie van 137 miljoen ton ruwe olie per jaar de zesde olieproducent ter wereld is, kan echter door zijn grote binnenlandse vraag die de ruim een miljard inwoners opeisen slechts 35 miljoen ton ruwe olie exporteren. Dat is nog altijd voldoende om de positie van olie als het belangrijkste exportprodukt van China te handhaven. De verkoop van ruwe olie maakt momenteel 22 procent uit van China's inkomsten in harde valuta.

Naast het aanbod om de Verenigde Staten en Japan in geval van nood olie te leveren verschijnt er sinds kort een hausse aan artikelen in de Chinese pers over de fantastische perspectieven die er voor de Chinese olieindustrie in het verschiet liggen. Voor dit 'pers-offensief' kwam de ingebruikneming van het eerste offshore olieveld de Huizhou 21-1, dat een verwachte produktie boven de miljoen ton per jaar heeft, als een godsgeschenk. Huizhou 21-1 ligt 160 km ten zuiden van Hongkong. Tot nu toe was de totale Chinese olie offshore industrie goed voor 900.000 ton per jaar.

Sinds in het begin van de jaren tachtig door de open-deurpolitiek van Deng Xiaoping ook de buitenlandse oliemaatschappijen een voet tussen de deur in China kregen heeft geen van hen een cent in de Chinese offshore olie-industrie verdiend. Ook Shell klaarblijkelijk niet, ondanks dat dit concern de laatste zeven jaar zo'n zeventig putten heeft geboord, maar geen enkele keer op voldoende olie is gestoten om tot exploitatie over te gaan.

'Het eerste winstgevende offshore veld is het vorige week geopende Huizhou 21-1', zegt Brennand van Shell. Dit veld is een joint-venture van China National Offshore Oil Corp (CNOOC) met de buitenlandse maatschappijen Agip, Chevron en Texaco-Nederland. CNOOC heeft 50,5 procent eigendom binnen deze combinatie en de drie partners elk ruim 16 procent.

Tang Pei Ji, de vertegenwoordiger van de CNOOC in Hongkong, dicteert tussen een sigaret en enkele luidruchtige telefoongesprekken door: 'De perspectieven van de Chinese olieindustrie zijn glorieus. Over twee jaar zal de totale offshore produktie verdubbeld zijn tot twee miljoen ton. In 1995 zal de produktie zelfs vijf miljoen ton bedragen.'

Brennand moet meewarig glimlachen over zoveel optimisme. 'De zes ontdekte olievelden ten zuiden van Honkong zijn allemaal marginaal. De meeste hebben een geschatte totale capaciteit van vijftig miljoen vaten. Vergelijk dit met de Noordzee waar sommige velden een capaciteit hebben van in totaal 2000 miljoen vaten. Dit is ongeveer het verschil tussen klein en groot.'

Toch ziet Brennand, die vijfentwintig jaar als geoloog bij Shell in dienst is, nog een kans voor de Chinese offshore olie-industrie: De Oost-Chinese zee voor de kust van Shanghai. Deze wateren hebben de buitenlandse oliemaatschappijen nog niet mogen exploreren wegens een diplomatiek probleem. In de Oost Chinese zee ligt het eiland Diaoyutai waarover de soevereiniteit zowel door China als Japan wordt opgeeist.

De meestbelovende Chinese oliereserves liggen evenwel niet onder water maar onder de Tarimwoestijn in het uiterste westen van het land. De afgelopen weken meldde de officiele China Daily keer op keer dat bij proefboringen in de Tarimwoestijn veelbelovende olievondsten zouden zijn gedaan.

Brennand: 'Er is een stroom olievondsten aankondigd zonder veel verdere informatie. Die zullen de Chinezen ook niet snel geven, omdat dit gebied gesloten is voor buitenlandse oliemaatschappijen. De Chinezen willen de exploratie zelf uitvoeren, terwijl het een van de moeilijkst plaatsen ter wereld is om olie te winnen en dit zal zeer kostbaar zijn. Er zijn geenwegen in een omgeving van honderden kilometers. De temperaturen in de Tarimwoestijn fluctueren tussen bloedheet overdag en vrieskou 's nachts. Het gebied wordt geteisterd door de meest extreme temperatuurverschillen ter wereld.'

Daarbij is de Tarim, die in de provincie Xinjinang ligt, berucht om haar zandstormen die boortorens onder het zand kunnen laten verdwijnen. Als deze problemen overwonnen zijn, moet de olie nog vervoerd worden door een naar schatting 3000 kilometer lange pijpleiding die naar het oosten van China moet worden aangelegd.

Tenslotte is er een politieke complicatie. De provincie Xinjinang die grenst aan de Sovjetunie heeft een omvangrijke Islamitische minderheid die zich nooit ingenomen heeft getoond met de huidige overheersing door de Han Chinezen uit Peking.

Ondanks al deze obstakels hoopt Brennand dat Shell in de Tarim mag gaan werken. 'Maar niet als toeleverancier van technologie. Shell wil bij voorkeur door samenvoeging van onze technische kennis met onze financiele kracht het risico nemen of we de olie winstgevend uit de grond kunnen halen.' Brennand meent dat Shell een strategische kaart in handen heeft: 'Wij kunnen de Chinezen snelheid bieden. Als ze zelf de techniek onder de knie willen krijgen om deze velden te exploiteren, vloeit de eerste olie op zijn vroegst over vier jaar. Die tijd kunnen de Chinezen zich niet permitteren als ze een binnenlandse oliecrisis willen afwenden'.

Hun huidige stagnerende olieproduktie dreigt zelfs te gaan dalen doordat het produktieveld Daqing in het noord-oosten van China, goed voor veertig procent van de totale olieproduktie, uitgeput raakt. 'De Tarim is daarom bijzonder belangrijk voor ze, maar de tijd werkt in dit geval tegen China', zegt Brennand.