Tentoonstelling in Brussels museum gewijd aan samenleving vande Inca's; Zonnehulde in het Rijk van de Vier Windstreken

Inca-Peru is de titel van een uitbundig aangekondigde tentoonstelling in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel. Her en der in Brussel hangen de affiches met het woord 'Inca' in gouden letters op een roetzwart fond een belofte van schittering en magie. Vierhonderd objecten uit de uithoeken van de wereld moeten tot eind dit jaar zo'n 400.000 mensen naar het Jubelpark lokken.

Niet langer dan een eeuw waren de Inca's de onverbiddelijke heersers van Peru, het ruim tweeduizend kilometer lange, bergachtige land aan de Stille Zuidzee. De Spanjaarden maakten in de zestiende eeuw korte metten met deze heidenen, die hun tentakels tot in Ecuador, Bolivia en Argentinie hadden uitgespreid. Hun bijgeloof moest voorgoed verdwijnen. Zelfs gemummificeerde familieleden kwamen in de vlammen terecht, in het vuur waar de Inca's zo bang van waren. Het goud, 'het zweet van de zon', dat aan de tempelwanden kleefde, en dat, naar verluidt, in de graven en op de velden voor het oprapen lag, smolten de conquistadores meteen maar om. De Zonnemaagden, kuis in dienst van de machtige Zonnegod, vielen in handen van de soldaten-horden.

Net als bij de Azteken, die in die tijd Mexico en Midden-Amerika bewoonden, zag een kleine groep Spanjaarden, 185 man met een paar paarden en kanonnen onder leiding van Francisco Pizarro, in korte tijd kans een leger van 50.000 krijgers aan zich te onderwerpen. Bij hun intocht geloofden de Inca's hun ogen en hun oren niet. Die vreemde paarden, die bebaarde mannen, het kanongebulder; ze wisten niet beter of de Zonnegod maakte eindelijk zijn entree. Dat godsbesef is de gouddorstige Spanjaarden goed van pas gekomen.

Oases

Aan de ondergang van de ingenieus georganiseerde Inca-samenleving zijn duizenden jaren vooraf gegaan, waarin uiteenlopende en aan elkaar verwante Indianenstammen de kust, de hoogvlakte, de woestijnen en de oases van Peru bevolkten. Pas vanaf zo'n 1.300 jaar voor Christus, vanaf de periode dat er tempels in de Andes verrezen, spreekt men over 'beschaving', over het Chavin-tijdperk, dat tot circa 500 voor Christus zou duren.

Uit de restanten van de u-vormige Chavin-tempels kwamen de vroege stukken monochroom aardewerk en stenen sculpturen tevoorschijn; afbeeldingen van monsters met venijnige hoektanden, symbolisch voorgesteld als een speels netwerk van kronkelige lijnen dat her en der, in de architectuur, als textielweefsel en aardewerkpatroon, eeuwenlang zou terugkeren. Een donkergrijze stenen vijzel in de vorm van een vis en een grote, gegraveerde vleugelhoornschelp, twee opvallende stukken in Brussel, laten zien dat de bewoners van de bergflanken toen al contact hadden met tijdgenoten, ver weg aan de evenaar.

In de Vroege en Late Tussenperiode, na het Chavin-tijdperk, hebben talloze 'beschavingen' elkaar opgevolgd. Salinar, Viru, Mochica, Pukara, Paracas en Nasca; begrippen voor de Peruanen en raadsels voor de westerling. Geschreven documenten lieten ze niet na en hun graven vielen vaak ten prooi aan plunderaars, waardoor belangrijke onderzoeksgegevens verloren gingen.

Vooral in de noordelijk gelegen Mochica-graven zijn pronkstukken blootgelegd. Vazen met zogenaamde begeltuit-handvaten, geproduceerd uit tweedelige mallen, werden in bruin-rode tinten beschilderd met krijgstaferelen tussen mensen en goden. Ze spartelen als uitgelaten figuurtjes langs de bolle wanden van het vaatwerk. Je zou niet vermoeden dat het in deze cultuur een voorrecht was om te worden geofferd. Vermoedelijk wijzen de kruiken in de vorm van armen, benen en handen, op een levendige offercultuur.

Voor de 'portretvazen' van de Mochica poseerden autoritaire mannen met krachtige jukbeenderen, een vooruitgestoken kin, gespannen neusvleugels en een paar wrede lippen. Diezelfde macho's, maar nu in het bezit van een gigantische fallus, komen we in een achteraf zaaltje, beneden naast de uitgang, opnieuw tegen. Hun penis, een schenktuit in dit geval, ontneemt hen het uitzicht; de opscheppers. De vrouw diende trouwens zelden als keramisch model. Op een van de Nazca-stukken zien we haar als een 'lastdier' afgebeeld, in gezelschap van een lama-aan-de-lijn. Nee, over de positie van de vrouw bij de Nazca-beschaving, in het zuiden van Peru, hoeft men zich weinig illusies te maken.

Het dagelijks leven, maar bovenal de dieren van de vlakten, de zee en de bergen bracht de pottenbakkers eeuwenlang op talloze ideeen. Roofvogels, kerkuilen, jaguars, papegaaien, apen, herten, slangen, duizendpoten, haaien, kikkers en slakken: was er eigenlijk een diersoort die zich niet leende voor de gestileerde vormgeving van een schenkkan, een vaas of een schaal. Soms waren de kruiken zo vernuftig vervaardigd dat de hals van een kruik, in de gedaante van een slang bij voorbeeld, ging sissen zodra de chicha, maiswijn, werd uitgeschonken; uit kannen in vogelvormen borrelde een kwelend geluid op.

Kinderkroon

Naarmate in Brussel het tijdperk van de Inca's dichterbij komt, tonen de vitrines een grotere diversiteit in meer vergankelijke objecten: een kinderkroon van fel gele en blauwe veertjes bij voorbeeld, Chancay-poppen van textiel, beschilderde kalebassen, sierlijk bewerkte houten roeispanen, katoenen en wollen mutsjes, en een ronduit schitterend weefsel, waarop 33 verschillende, gestileerde rode handen staan afgebeeld. Dank zij het droge klimaat zijn de halve meter hoge, houten beelden van de Chimu-beschaving, die met parelmoer werden ingelegd, gaaf bewaard gebleven. Mannetjes in een stramme houding, met een schortje en een hoofdtooi, observeren de toeschouwer als angstige kinderen.

Angst moet de meeste bewoners van het Inca-rijk permanent hebben beheerst. Angst voor de Zonnegod, angst voor de Inca-leider, die als zoon van de Zonnegod de dienst uitmaakte, voor de vele voorouders die, tussen de Guinese biggetjes, als geesten in de lemen hutten, op de velden en in de wolken ronddwaalden, voor het hierarchische netwerk van duizenden ambtenaren, die niet alleen de kleding van de bevolking, maar zelfs hun bescheiden bezittingen inspecteerden, angst voor de roofdieren ook, die ieder op zich weer een onbegrijpelijk natuurverschijnsel symboliseerden. Het leven in deze Inca-dictatuur was doordrenkt van tovenaars, heksen, magiers en vuurdemonen. Een mens was minder waard dan een mug.

Datzelfde Rijk van de Vier Windstreken bracht een 16.000 kilometer lang wegennet en ingenieuze irrigatie-systemen voort. Er werden maar liefst veertig gewassen gecultiveerd. In en rondom de hoofdstad Cuzco, op de vlakten tussen de besneeuwde bergtoppen, verrezen vierhonderd heiligdommen. Hangbruggen overspanden de rivieren en getrainde hardlopers brachten in twee dagen tijd de vissen uit het Titicacameer naar de keizerlijke keuken, bijna vijfhonderd kilometer verderop. Tijdens feesten dansten de met papegaaien-veren getooide hoogwaardigheidbekleders een soort menuet met hun dames. Er klonk muziek van trommels, panfluiten en aardewerken trompetten, en het zonlicht deed de gouden oorschijven, borstsieraden en enkelbanden schitteren als honderdkaraats-diamanten.

'Een boom in een weide trekt meer de aandacht dan honderd bomen in een bos', zei Confucius al. Dus geen feestelijke overdaad in de Inca-vitrines, maar steeds een mooi houten gordeldier, een sobere, vierkante stenen schaal, een granieten Inca-hoofd, een bronzen offermes in de vorm van een lama en een gouden doodsmasker, zo dun als papier.

De Inca's hebben eigenlijk maar een klein aandeel in deze tentoonstelling. Ze laten zich nauwelijks kennen. Hun voorgangers, met name de Chimu en de Chancay, gaan met de eer strijken. En ook wat hen betreft roepen de summier toegelichte grafvondsten in Brussel veel vragen op. De 800 pagina's tellende, tweedelige catalogus biedt uitkomst. Deskundigen laten hun gedachten gaan over de Peruaanse weefsels, de stilistische verscheidenheid van het aardewerk, de talloze nederzettingen en grafplaatsen en de kunst van het verenwerk.

Over de kern van de Inca-beschaving, de majestueuze pre-Colombiaanse bouwkunst, komt men op de tentoonstelling niets te weten. Daarvoor moet men naar tientallen lokaties in Peru reizen en de KLM-piloot vragen een voorzichtige duik te maken boven de 2500 meter hoog gelegen stad Machu Pichu, hetgeen op verzoek van een bemanningslid weleens schijnt te gebeuren. Vanaf die hoogte zal het de reiziger ontgaan dat de uit graniet gehouwen, veelhoekige stenen tot op de centimeter in elkaar passen. Verder vliegend over de oude Inca-hoofdstad Cuzco zal hij geen spoor meer kunnen ontdekken van de gouden lama's, het gouden gras en de gouden bomen, waarmee ooit bij tempels en terrassen een hulde aan zon is gebracht.

Tentoonstelling: 'Inca-Peru'. Tot 31/12 in Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. Jubelpark 10, Brussel. Geopend: 10-17 uur, wo. 10-22 uur, ma. gesloten. Catalogus: Bfr. 1.250.-.

    • Marianne Vermeijden