Still-videocamera's gehandicapt door televisiestandaarden; Digitale optekening staat hogere resolutie toe, maar opslagmedia zijn nog niet zover

Later, als filmpjes ontwikkelen en afdrukken tot het verleden behoren, zal de Emmy Award die deze week aan Sony werd toegekend als een belangrijke mijlpaal worden herkend. Toen begon het, zullen de kranten schrijven bij het graf van de fotografie. In de meidagen van 1989 hadden de Chinese autoriteiten de internationale satellietverbindingen verbroken en de videocamera's van ABC en CNN konden het nieuws van het Plein van de Hemelse Vrede niet meer live in de huiskamers brengen. Wat er aan bewegende beelden op de TV werd vertoond, was afkomstig van opgestuurde videobanden, en die waren op zijn minst 12 uur oud. CNN zond daarop een ploegje fotografen met Sony Promavica still-videocamera's naar Peking. Een still-video foto kon zelfs over het antieke Chinese telefoonnet in vier minuten naar de VS worden gestuurd en hij was dan onmiddellijk klaar voor uitzending. En zo kon de wereld binnen luttele minuten kennis maken met die man die in zijn eentje een tank van het Volksleger tegenhield.

Still-videocamera's bestaan al sinds 1981. In dat jaar kwam Sony met zijn eerste Mavica-camera (van Magnetic Video Camera). Aan de buitenkant zag hij er uit als een gewone kleinbeeldcamera, maar inplaats van een filmpje zat er een beeldchip in, een Charge Coupled Device (CCD). Een CCD bestaat uit een groot aantal in rijen onder en boven elkaar gelegde lichtgevoelige cellen. De lens projecteert het beeld op de CCD, de CCD zet de lichtvariaties in spanningvariaties om en schrijft die spanninkjes weg op een kleine floppydisk in de camera. Het was dus een analoog systeem, er werd niets naar enen en nullen vertaald, maar net als in een 'gewone' videocamera werden de spanninkjes opgetekend op magnetisch materiaal zij het deze keer niet op een band, maar op een schijfje.

Sony poogde indertijd vooral een standaard af te dwingen en dat lukte. In 1983 kwamen 20 fabrikanten overeen een 2 inch schijfje te gebruiken (VFS geheten, van Video Floppy System) en zich te conformeren aan de videostandaarden. Vooral dat laatste was belangrijk. Het betekende dat de foto's van de still-videocamera's volgens de fabrikanten op de televisie bekeken zouden gaan worden; er werd niet aan papieren prints of aan computerverwerking gedacht. Andere onderdelen van de standaard waren de mogelijkheid om aan elke opname een aantal data toe te voegen (bij voorbeeld de datum, nummer van de opname, sluitersnelheid, etcetera). Verder was er op het schijfje nog ruimte gereserveerd voor het vastleggen van geluid.

Veel mensen vonden zo'n stilstaande en bovendien zwijgend plaatje maar een eng gezicht en vandaar de mogelijkheid om geluid in te dubben. Er zijn twee systemen: het ene begint automatisch op te nemen vlak nadat de sluiter is ingedrukt, het andere staat toe dat ook nog later te doen. Voor geluid zijn aparte sporen op het schijfje gereserveerd, voor elk beeldje een. Het geluid wordt opgenomen op een spoor van het schijfje. Nu draait dat per seconde ongeveer 50 keer rond en in die 1/50 seconde valt natuurlijk weinig substantieels te berde te brengen.

Voor dit probleem is een ingenieus systeem van datacompressie en -expansie bedacht. Het met een microfoon opgenomen geluid (20 seconden in matige, of 5 seconden in goede geluidskwaliteit) wordt in een chip gedigitaliseerd, gecomprimeerd, vervolgens weer in een analoog signaal omgezet en in een schijfomwenteling op het schijfje weggeschreven. Bij het afspelen wordt de omgekeerde weg bewandeld en in plaats van gecomprimeerd wordt er nu geexpandeerd. Lang niet alle camera's maken overigens van deze mogelijkheden gebruik.

Maar in weerwil van alle fraaie mogelijkheden zijn de still-videocamera's nog steeds geen commercieel succes. De belangrijke camerafabrikanten hebben er allemaal een of twee. In de Verenigde Staten worden ze mondjesmaat verkocht en in Japan is het niet veel beter. Professionele camera's als de Sony Promavica vinden wel kopers, maar de wat eenvoudiger camera's als de Canon Xap Shot blijven dure speeltjes. Op de Europese markt is het aanbod van still-video al helemaal van weinig betekenis en dat komt vooral doordat het televisiesysteem in Japan en de VS (NTSC) een ander is dan het in Europa gebruikte (PAL). Ombouwen op PAL is kostbaar en wordt pas overwogen als er een interessante vraag naar is.

Waarom is die vraag er nog niet? Per slot van rekening hebben still-videocamera's veel voordelen: de beelden kunnen meteen worden bekeken, er komen geen kwaadaardige chemicalien aan te pas en de foto's kunnen gemakkelijk door een telefoonlijn worden verstuurd.

Het eerste probleem is het onbelangrijkst: de prijs. Still-videocamera's zijn duur. Professionele systemen als de Sony Promavica kosten gauw twintigduizend gulden. De enige in ons land verkrijgbare (PAL) still-videocamera, de Canon Ion, kost ongeveer 1700 gulden. Maar dit is een kwestie van aantallen: als er maar genoeg worden gemaakt, zullen de prijzen snel zakken.

Belangrijker is het probleem van het geringe scheidend vermogen, de resolutie. Een beeldje dat met de Canon Ion is gemaakt heeft een resolutie van ongeveer 150.000 beeldpunten (pixels), de beste still videocamera's komen tot 500.000 pixels. Het eerste de beste kleinbeeldnegatief moet daar hartelijk om lachen. Zonder veel moeite kan dat 20 miljoen beeldpunten van elkaar onderscheiden.

Professionele still-videocamera's scoren iets beter dan de Canon, vooral doordat ze twee keer zoveel beeldlijnen optekenen. Televisiebeelden worden namelijk in twee fasen opgetekend en vertoond: eerst de oneven beeldlijnen, een fractie later de even beeldlijnen. Dat 'vlechtwerk' zorgt ervoor dat het televisiebeeld niet flikkert. De Canon Ion geeft alleen de oneven lijnen weer en daardoor wordt de gangbare TV-resolutie nog eens met de helft verminderd. Op een televisiescherm is dat nog wel acceptabel (vergelijkbaar met een stilgezet gewoon videobeeld, ook dan wordt maar de helft van de beeldlijnen getoond) maar een print op een kleurenprinter laat onmiddellijk zien hoe superieur het gewone fotografische procede nog steeds is.

De gebrekkige resolutie van de still-videocamera's wordt dus niet door de CCD's bepaald, die zijn meestal tot meer in staat. De resolutie wordt begrensd door de keuze voor video-compatibiliteit. Een alternatief is digitale optekening van het beeld. De resolutie-limiet wordt dan bepaald door de CCD. Voor elke beeldpunt kan de 'lichtwaarde' dan in een byte worden weggeschreven. Dat geeft 256 verschillende waarden, ongeveer ook het aantal trapjes dat een conventionele film kan verwerken. Een enorme datastroom is het gevolg, maar aan nieuwe opslag- en datacompressietechnieken wordt gewerkt. Fuji en Toshiba zijn al enkele jaren in de weer met prototypes van digitale camera's die hun data wegschrijven op floppies die zo in de computer kunnen op geheugenchips en op DAT-recorders.

Digitale beelden bieden ook spectaculaire mogelijkheden voor beeldmanipulatie. Gerard Holzmann, een Nederlandse computerspecialist die op de AT en T Bell Labs in New Jersey werkt, schreef er een aardig boek over (Beyond Photography, Englewood Cliffs, ISBN 0130744107). Hij laat zien dat met het intikken van een paar programmaregels gezichten vervormen, neuzen langer worden en kapsels kunnen worden verwisseld. Holzmann gelooft vast dat de traditionele fotografie het van de elektronische gaat verliezen. 'De ontwikkeling van de CCD's gaat heel snel, vooral onder invloed van de satellietfotografie. We zijn hier in Bell Labs bezig met CCD's die een resolutie hebben van 36 miljoen pixels, dat is al voorbij de fotografische limiet. Het belangrijkste probleem is nog het hoge uitvalpercentage.'

De opslag van al die gegevens blijft voorlopig ook nog wel een opgave. Een foto van 20 miljoen pixels komt neer op 20 megabyte, ongeveer de complete harde schijf van een PC. Kodak heeft daar nu een mooie oplossing voor bedacht: de Photo CD. Met dit systeem, dat in 1992 beschikbaar zal komen, kunnen op een beschrijfbare CD (een WORM, een write once read many times) 100 gedigitaliseerde kleurenfoto's worden gezet. De invoerapparaten zijn er in overvloed en hebben een resolutie waar de allerduurste still-videocamera's niet aan kunnen tippen: gewone kleinbeeldcamera's.

Het Kodak-systeem is er op gebaseerd dat de consumenten hun filmpjes gewoon laten ontwikkelen en dan met de negatieven en de afdrukjes een CD meekrijgen waar de foto's ook op staan. Dat is gebeurd door de negatieven door een geavanceerde scanner te halen die elk beeldje omzet in een computerbestand van 18 megabyte. De CD kan maximaal 100 foto's bevatten en moet in een speciale CD-speler worden gestopt die Kodak samen met Philips ontwikkelde (en die ook geschikt zal zijn voor gewone CD's en voor de CDI's van de toekomst)

Op een tv- of een computerscherm kunnen de beelden zichtbaar worden gemaakt met een veel betere kwaliteit dan bij gewone still-video. De weergave wordt alleen maar begrensd door de resolutie van het scherm en op een HDTV-scherm zal het resultaat nog beter zijn. Beter dan een geprojecteerde dia op een scherm zal het nooit kunnen, maar dat beeld is alleen nog maar bij een slinkende minderheid bekend.

De informatie kan ook aan een kleurenprinter worden toegevoerd en zelfs bij flinke vergrotingen is er geen verschil met een traditionele fotografische afdruk te zien. Een slimme zet. Terwijl Kodak met dit systeem zijn eigen filmbelangen beschermt, heeft het een nieuwe norm gezet in de digitale fotografie. Kodak doet intussen volop onderzoek aan CCD's en als de films op de schroothoop van de geschiedenis belanden, hoeft de firma daar geen traan om te laten.