Nieuwe veiligheidsstructuur Europa begint vorm te krijgen; Nederland moet technisch netwerk opzetten om bij schending van de afsprakensnel overleg te kunnen voeren

WENEN, 13 okt. In Wenen beginnen de contouren van de nieuwe veiligheidsstructuur van Europa steeds duidelijker zichtbaar te worden. Diplomaten werken er onder hoge druk aan de laatste details van de over vijf weken in Parijs definitief te bezegelen afspraken. Op 19 november komen in de Franse hoofdstad de staatshoofden of regeringsleiders bijeen van de 34 landen die deelnemen aan de Conferentie voor Europese Veiligheid en Samenwerking (CVSE), namelijk alle Europese landen (minus Albanie), de Verenigde Staten en Canada.

Diplomaten werken in Wenen aan een gemeenschappelijke verklaring waarin met vreugde wordt teruggekeken op de ontwikkelingen die zich de afgelopen maanden en jaren in Europa hebben voltrokken, terwijl ze tegelijkertijd bezig zijn met de formulering van afspraken die de ontspanning in Europa en het proces van democratisering verder kunnen bevorderen.

De verwachting is dat in de Verklaring van Parijs onder meer komt te staan dat NAVO en Warschaupact elkaar niet meer als vijanden zien en bereid zijn elkaar de hand te reiken. De neutrale en niet-gebonden landen zullen deze wederzijdse verklaring in enigerlei vorm officieel verwelkomen. Naast deze uitgebreide niet-aanvalsverklaring zal de conferentie van Parijs lijnen uitzetten naar de nabije toekomst. Zo zullen de 34 deelnemende landen zich binden aan nadere afspraken op het terrein van de mensenrechten, de veiligheid, de economische samenwerking en het milieu. Het derde deel van de Verklaring van Parijs zal meer concrete afspraken omvatten, zoals de instelling van een permanent secretariaat van de CVSE, dat zijn zetel vermoedelijk in Praag krijgt en de vorming van een centrum voor conflictpreventie dat in Wenen gevestigd zal worden.

Het permanente secretariaat van de CVSE, zou een administratief karakter moeten krijgen en zeker niet over uitvoerende bevoegdheden moeten beschikken, zo menen Westerse diplomaten in de Oostenrijkse hoofdstad. Door het secretariaat zou tussen de deelnemende landen regelmatig hoog ambtelijk overleg kunnen worden georganiseerd. Dat overleg zou, in geval van acute problemen, op zeer korte termijn georganiseerd moeten kunnen plaatshebben. Voorts zal de Parijse verklaring voorzien in regelmatig overleg van de 34 ministers van buitenlandse zaken, terwijl de staatshoofden en/of regeringsleiders iedere twee jaar bijeen zouden moeten komen.

De discussie in Wenen spitst zich momenteel toe op de vraag welk gewicht het centrum voor conflictpreventie moet krijgen. Het centrum zal, en daarover zijn alle betrokkenen het eens, in de eerste plaats moeten toezien op de naleving van de afspraken die worden gemaakt over de zogeheten vertrouwenwekkende maatregelen. Wanneer een land bijvoorbeeld opeens overgaat tot ongebruikelijke militaire activiteiten of tot onverwacht grote troepenconcentraties in een bepaald gebied, dan kan het centrum worden ingeschakeld om opheldering te krijgen over wat er precies aan de hand is. Vooral Duitsers en Canadezen en zij worden daarin gesteund door de Sovjet-Unie willen het centrum echter een grotere rol geven. Andere Westerse landen blijken daar wat huiverig tegenover te staan, omdat ze bang zijn dat een dergelijk centrum zich zou kunnen ontwikkelen tot een soort Veiligheidsraad voor Europa, met dien verstande dat het een V-raad wordt met 34 veto's, aangezien alle aan het CVSE deelnemende landen daarin op voet van gelijkheid participeren. Het grootste deel van de Westerse landen geeft vooralsnog de voorkeur aan de eigen NAVO-structuur als het om het zeker stellen van de veiligheid gaat.

Het feit dat juist de Duitsers verder willen gaan, wordt in Wenen overigens niet zozeer uitgelegd als een Duitse relativering van het Atlantisch bondgenootschap, maar meer als een behoefte om de Sovjet-Unie zoveel mogelijk te betrekken bij alles wat er op het gebied van vrede en veiligheid in Europa gebeurt.

In de Verklaring van Parijs zal ook de aanzet worden gegeven tot de vorming van een Assemblee voor heel Europa, een soort parlement van de CVSE-landen dat ten minste eenmaal per jaar bijeenkomt. De bedoeling is dat deze Assemblee haar zetel in Straatsburg zal krijgen en gebruik zal maken van de faciliteiten van de Raad van Europa. De leden van de Europese Assemblee zouden moeten worden aangewezen door de parlementen van de 34 landen.

Voorts wordt in Wenen nagedacht over de mogelijkheid van verplichte verzoeningsbijeenkomsten als zich conflicten voordoen. Daarbij denkt men onder meer aan de mogelijkheid van de aanwijzing van onpartijdige arbiters die een niet-bindend advies kunnen uitbrengen. Nederland ziet daarbij een rol weggelegd voor het Permanente Hof van Arbitrage in Den Haag, dat experts zou kunnen aanwijzen om voorstellen voor de regeling van een conflict uit te werken. Ons land zou ook voorstander zijn van een verdere versterking van de controle op de naleving van de mensenrechten, waarbij de mogelijkheid zou moeten worden geschapen om experts ter plaatse beweerde schendingen van mensenrechten te laten onderzoeken.

De besprekingen over de Verklaring van Parijs verlopen redelijk voorspoedig, omdat er, zoals een ingewijde zei 'van een tegenstelling tussen Oost en West geen sprake meer is'. Veel moeizamer gaat het bij het zogeheten CFE-overleg, over de beperking van de conventionele bewapening in Europa. Begin deze week besloten de landen van NAVO en Warschaupact ook in de avonduren en op zaterdag te gaan vergaderen zodat ze op tijd klaar zullen zijn met de formulering van het CFE-verdrag, dat in Parijs zal moeten worden ondertekend. Vooral de Amerikanen, maar zij niet alleen, hebben vanaf het begin duidelijk gemaakt dat zij niet aan de CVSE-top zullen meedoen als er geen CFE-akkoord ter ondertekening gereed ligt. 'Het zal er wel op uitdraaien dat we straks ook op zondag vergaderen', aldus een medewerker van een Westerse delegatie.

Tijdens hun recente ontmoeting in New York hebben de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Baker en zijn Sovjet-collega Sjevardnadze weliswaar een groot aantal knopen doorgehakt, maar de technische uitwerking van een en ander vergt nog veel tijd. 'Wij dreigen echt in tijdnood te raken om de wat banale reden dat alle afspraken in het Engels worden gemaakt en daarna nog vertaald moeten worden in de andere talen van de deelnemende landen en omdat die vertalingen vervolgens geautoriseerd moeten worden. Eigenlijk moeten we over drie weken al met alles klaar zijn', aldus een hoge Westerse diplomaat. Overigens bestrijdt hij de hier en daar wel geventileerde uitlating dat de door Sjevardnadze en Baker gemaakte afspraken in New York het karakter van een onderonsje hadden. De zogeheten High Level Task Group, waarvan de NAVO-landen deel uitmaken, was nauw bij het overleg betrokken.

Het feit dat in New York op tal van terreinen opeens doorbraken konden worden bereikt, zoals over aantallen gevechtsvliegtuigen, tanks, pantservoertuigen en helikopters die de twee bondgenootschappen er straks nog op na mogen houden, wordt in Wenen mede toegeschreven aan feit dat er dit keer geen hoge militairen in de Sovjet-delegatie zaten, hoewel er wel hoge Sovjet-militairen in de VS aanwezig waren. Minister Sjevardnadze bleek mede daardoor, met kennelijke rugdekking van Sovjet-leider Gorbatsjov, opeens in staat op tal van cruciale punten in staat knopen door te hakken.

Dat betekent echter niet dat alles nu al geregeld is. De Westduitse ambassadeur bij de CFE-besprekingen Rudiger Hartmann zei medio vorige week in Wenen dat de tekst van een CFE-verdrag nu voor de helft rond is. Maar er is bij voorbeeld nog geen definitieve overeenstemming over de kwestie van de gevechtsvliegtuigen. In New York zijn Sjevardnadze en Baker overeengekomen dat de Sovjet-Unie afgezien van 500 te land gestationeerde marinevliegtuigen 5150 gevechtsvliegtuigen mag houden in Europa, waarbij NAVO en Warschaupact als geheel dan elk zouden mogen uitkomen op maximaal zo'n 7000 vliegtuigen. Westelijke waarnemers houden er echter rekening mee dat dit aantal in de laatste fase van de onderhandelingen nog kan worden teruggebracht tot 6850.

Sjevardnadze en Baker bereikten in New York ook een akkoord over de inspectie op de naleving van de bereikte akkoorden, zonder daaraan echter gedetailleerde uitwerking te geven. Onduidelijkheid bestaat er in Wenen bijvoorbeeld nog over de aantallen inspecties die elk land moet toestaan en hoe de inspecties over de deelnemende landen zullen worden verdeeld.

Wel bestaat er nu overeenstemming over het vervolg op het in Parijs te ondertekenen CFE-akkoord. Afgesproken is dat de landen van NAVO en Warschaupact na Parijs doorgaan met onderhandelingen over verdere reducties waarbij ook afspraken zullen worden gemaakt over aantallen manschappen. Die aantallen zijn buiten het eerste CFE-akkoord geraakt, omdat de feitelijke terugtrekking eerder bereikte overeenstemming volledig had achterhaald. Nu heeft alleen Duitsland zich eenzijdig vastgelegd op een maximale omvang van zijn leger, maar Duitsland wil op den duur niet als enige aan zo'n maximum gebonden zijn. In een zogeheten CFE-1-bis akkoord zal waarschijnlijk ook tegemoet gekomen worden aan de Sovjet-behoefte om ook te komen tot een maritieme wapenbeheersing. Na de totstandkoming van CFE-1-bis, dat begin 1992 rond zou moeten zijn, zullen in het verdere vervolg niet alleen de landen van NAVO en Warschaupact, maar ook de neutrale en niet-gebonden landen dan bij een verdere reductie van de bewapening in Europa moeten worden betrokken. Ook de Amerikanen hebben zich inmiddels bij die gedachte neergelegd. Of er tegen die tijd nog behoefte zal zijn aan verdere reductie, zal moeten worden afgewacht.

Het Westen doet overigens niet moeilijk over het feit dat de Sovjet-Unie duidelijk bezig is een deel van het militaire materieel dat onder het CFE-verdrag komt te vallen, terug te trekken naar achter de Oeral. Men wijst er daarbij op dat, zolang er nog geen handtekeningen zijn gezet, feitelijk niet van een verdragsschending kan worden gesproken. Daarbij wordt er de nadruk op gelegd dat minister Sjevardnadze zijn Amerikaanse collega in volstrekte openheid over de omvang van de terugtrekking van het materieel naar het Aziatische deel van de Sovjet-Unie en over de gewenste ombouw van militair materieel voor civiele doeleneinden heeft ingelicht. Daar komt bij dat de tanks en pantservoertuigen in de open lucht zullen worden opgeslagen waardoor de kwaliteit ervan snel zal afnemen.

Het lijkt waarschijnlijk dat Nederland, zoals dat in het conferentiejargon heet, 'depositaris' van het CVSE-akkoord van Parijs gaat worden. Dat kent ons land een belangrijke rol toe bij de organisatie van een mogelijke herzieningsconferentie over enkele jaren. Bovendien krijgt ons land als taak een technisch communicatie-netwerk op te zetten in het kader van de controle op de naleving van de gemaakte afspraken (de zogeheten vertrouwenwekkende maatregelen), waardoor de betrokken landen zich snel met elkaar kunnen verstaan in geval van dreigende schending van de gemaakte afspraken. Dat netwerk zou zo snel mogelijk na de conferentie in Parijs moeten worden opgezet.