Mozambique vertrekpunt voor Camperts tijdsreis

Jan Roeltan schreef in Praag

een neger te hebben ontmoet

een neger uit Mozambique

die in Tsjecho-Slowakije een studie maakt

van de stroomversnellingen in de Moldau

In 1950 was Remco Campert een twintigjarige die door Europa trok, in Parijs op een kleine kamer ging wonen die hij deelde met Rudy Kousbroek om de beurt in het ene bed en op de grond slapen, een tafel en zelfs, zoals Kousbroek zich meent te herinneren, maar een pen. Hij schreef het gedicht 'Een neger uit Mozambique', gaf met Kousbroek samen het gestencilde tijdschrift Braak uit, en had geen cent. Nu, veertig jaar later, zien wij hem het Centraal Station binnenlopen, door Praag wandelen, in Parijs aankomen en er met Kousbroek herinneringen ophalen. Hij zit met zijn collega dichters Bert Schierbeek en Gerrit Kouwenaar in het cafe waar ze vroeger ook zaten en waar bijna niets is veranderd, behalve dat er 'he kijk' nu een foto van de toen jonge vrienden aan de muur hangt.

De Moldau met mist, dunne bomen erom heen. Mensen die door Praag lopen. Campert op een bootje dat een golf over de oever veroorzaakt. Havel die vanaf een balkon spreekt. Een Praagse hotelkamer. De dichter loopt, naar eigen zeggen 'beschroomd' rond door deze 'pasgeboren werkelijkheid, een rillend musje.' Af en toe horen wij hem flarden uit 'Een neger uit Mozambique' zeggen.

De twintigjarige Campert van toen en de zestigjarige van nu zijn 'bevriend' en benieuwd naar hoe het toen was. Zij bekijken oude Polygoonjournaals in de Cineac. De zestigjarige zit lang in de metro, stemmige muziek op de achtergrond, en ziet de politiek in de Parijse straat en buurtnamen: Metro Stalingrad, Avenue Franklin D. Roosevelt. In Praag zijn de oude en de jonge 'voorgoed samengevallen': 'Ik bevind me midden in de stroomversnelling van Europa en Mozambique is elders' klinkt het tot besluit. Zo zal het wel zijn.