In Oorthuys' fotoarchief trekt de wereld aan het oogvoorbij

Op 22 oktober verhuist het archief van de Amsterdamse fotograaf Cas Oorthuys het grootste archief dat door een Nederlandse fotograaf is aangelegd naar de Stichting Nederlands Fotoarchief in Rotterdam. Het onlangs verschenen fotoboek Rotterdam, dynamische stad 1950-1990 is een hommage aan hem. Nu staan ze er nog, de lange rijen archiefboeken, 444 in totaal, die de sleutel vormen tot het archief van de in 1975 overleden fotograaf Cas Oorthuys. Met zo'n 500.000 negatieven is dit het grootste eenmans-fotoarchief in Nederland; dank zij die 444 ordners vol contactafdrukken is het tevens een van de toegankelijkste. Op 22 oktober wordt het op initiatief van zijn weduwe Lydia (71) overgebracht van het huis aan de Amsterdamse Prinsengracht naar de Stichting Nederlands Fotoarchief in Rotterdam, de stad waaraan Oorthuys zo'n 15.000 opnamen wijdde.

'Ik kan me nauwelijks voorstellen hoe het zal zijn als al die kasten leeg zijn, ' zegt Lydia. 'Maar ik denk er al anderhalf jaar over na en dit is een goede oplossing. Ik ben er te moe voor.' We praten in het achterhuis, jarenlang een zoete inval voor de vele kunstenaars en fotografen die hun vriendenkring vormden. Hun vorige huis, aan de Amstel, stond ook in moeilijker tijden als een vrijplaats bekend: Oorthuys ging niet alleen door met fotograferen tijdens de oorlog maar nam ook onderduikers in huis.

Lydia was getrouwd met de fotograaf, maar ging daarnaast een huwelijk aan met zijn archief. Hijzelf hechtte er groot belang aan dat zijn archief uitgebreid en toegankelijk was. In Vrij Nederland haalde journalist Wim Alings, die diverse malen met Oorthuys op reis ging, onlangs een uitspraak van hem aan: 'Wat ik van al mijn werk aan geld overhoud is niet zoveel; voor mij is het archief het belangrijkst.'

Toen haar man in 1975 overleed hij was pas 66 kwam het niet in haar op om iets anders te doen dan het archief voort te zetten. 'Onze acountant zei: 'Ga reizen!', maar dat vond ik werkelijk een slecht idee. Ik sterf liever dan dat ik op m'n eentje op Ibiza ga zitten. Maar feit is wel, dat ik door dat archief geleefd werd. Ik ben tenminste blij dat ik nooit heb leren afdrukken!'

In de archiefkamer trekt Nederland, maar ook de wereld, in keurige lemmata aan het dwalende oog voorbij: Pernis, Brederode, drukkerijen, dieren, muziek, onderwijs, klederdrachten, Amsterdam, Rotterdam, PTT, Spoorwegen. Aan de manier waarop mensen het archief bejegenen ziet Lydia al gauw of ze 'een beetje fantasie in hun donder' hebben. 'Wie hier met een strak lijstje aan komt zetten zoekt alleen iets om het gat in de bladzij te vullen. Je moet een zekere souplesse hebben om goed te zoeken, je moet ruimte laten voor associaties.'

Hoewel het Oorthuys-archief gedurende tientallen jaren intensief is gebruikt, en ondanks het feit dat hij meer dan zeventig boeken alleen al bij uitgeverij Contact publiceerde, bevat het nog altijd grote hoeveelheden nauwelijks bekende en zelfs ongepubliceerde foto's. 'Cas is bijvoorbeeld ooit naar Moskou geweest voor een tentoonstelling van zijn eigen werk, ' vertelt zijn weduwe, 'maar er wordt haast nooit naar die foto's gevraagd.' De politiek kon hierin ook een rol spelen. In opdracht van de Belgische Rijksvoorlichtingsdienst trok Oorthuys drie maanden door Kongo. Maar bij zijn terugkeer werd de publikatie niet meer opportuun geacht en verdwenen de zesduizend negatieven met codenummer in la en ordner.

Lydia zelf heeft met Cas z'n ogen leren kijken, zegt ze. 'Ik merk dat ik bij het uitzoeken van foto's ook vaak terugval op de opnamen die hijzelf voor publicatie had uitgezocht. Is dat op safe spelen? Misschien wel. Maar door dat zoeken leer je wel kijken op scherp. Bovendien is de hoeveelheid zo groot, dat ik telkens weer foto's tegen kom die ik nog niet kende. Het zoeken is daarom nooit vervelend: het archief is elke keer nieuw.'

De eerste keer dat Aad Speksnijder, docent kunstgeschiedenis in Rotterdam en houder van Galerie Duo/Duo, Oorthuys' archief raadpleegde, was het eigenlijk voor de grap. Hij zocht foto's die Oorthuys in 1954 had gemaakt van een middagje dollen op het Waterlooplein met W. F. Hermans en Gerard Reve. Hij en Ton Cremers hebben daaruit het boekje Een anekdote samengesteld. 'Hermans heeft nog voor leuke publiciteit gezorgd door te proberen het te verbieden.'

Al bladerend in de tien Rotterdam-ordners ontdekte Speksnijder dat van de tienduizend opnamen van de Rotterdamse wederopbouw, slechts een fractie was gebruikt voor de uitgave Rotterdam, Dynamische Stad uit 1959. Zo ontstond het idee een vervolg te maken: Rotterdam, Dynamische Stad 1950-1990.

'Anderhalf jaar geleden ben ik serieus met het selecteren begonnen. Driehonderd foto's heb ik opnieuw laten afdrukken. Daarvan zijn er uiteindelijk 130 gebruikt, waaronder dertig 'klassiekers' uit het vorige Rotterdam-boek. Daarnaast zijn er 75 foto's opgenomen van drie jonge fotografen Carel van Hees, Jannes Linders en Freek van Arkel die een voortzetting in de jaren negentig laten zien van Oorthuys' beeld van de wederopbouw. In zwart-wit, natuurlijk, want zoals Oorthuys al zei: zwart en wit, dat zijn de kleuren van mijn generatie.'

Subsidie kreeg hij niet, volgens het ministerie van cultuur omdat de nadruk onvoldoende op levende kunstenaars lag. Hij heeft toch doorgezet en er dan maar 2,5 ton eigen geld in gestoken. Om te voorkomen dat 'zijn' boek, dat in een oplage van drieduizend is gedrukt en 125 gulden kost, in de ramsj terechtkomt heeft de kersverse uitgever 'heel eigenwijs, ja' de distributie toevertrouwd aan een beperkt aantal boekwinkels.

'Oorthuys heeft een eigen dynamiek van het Rotterdam van de jaren vijftig geschapen', zegt Speksnijder. 'Die moesten deze jonge vakgenoten in de jaren tachtig en negentig kunnen evenaren.' Dat is gelukt, niet in de laatste plaats omdat er geen sprake is van concurrentie, maar van een vervolg. Jannes Linders deelt Oorthuys' voorliefde voor de architectuur van de stad en de onbestemde, rafelige plekken daarin. Maar er is een belangrijk verschil in sfeer: bij Oorthuys zijn de leegtes tijdelijk, ze vormen een toneel waarop elk moment een drukte van belang zal losbarsten. Linders daarentegen schept beelden van verlatenheid, van een stad die door de mens is geschapen maar waaruit zijn sporen definitief zijn gewist.

Carel van Hees en Freek van Arkel hebben zich daarentegen toegelegd op de sociale structuur van de stad nu. Het is geen beeld om vrolijk van te worden. Zo toont Van Arkel geen bedrijvige haven maar het Maritiem Museum. De etalage is gewijd aan Kapitein Rob: de stoere schippers zijn van karton en de Hef dient slechts als decor. De drie mannen, zoals bijna alle mannen in Van Arkels serie, hebben hun handen in hun zakken.

Oorthuys, ga je onwillekeurig denken, had het makkelijk. Hij kon zijn rug naar de verschrikkingen van het verleden keren en tonen wat er nog komen zou. Met zijn foto's laat hij haven en kranen en sleepboten met dikke rookpluimen beloftes voor de toekomst uitspreken.

Wat zou Oorthuys van het werk van zijn 'nazaten' hebben gevonden? Te oordelen naar een uitspraak die hij in 1973 deed in een interview met deze krant zou hij met deze voortzetting van zijn Rotterdamse werk tevreden zijn geweest. 'Als iemand kans ziet om door middel van de techniek iets over te brengen waarbij ook zijn denken en zijn gevoel mee bepalend zijn', zei hij, 'dan is er sprake van kunst.'