HOE MOEILIJK HET IS AARDIG TE ZIJN VOOR DIEREN

Mentaliteitsgeschiedenis is in. De voorstellingen en beelden die mensen zich, veelal onbewust, van de wereld vormen, krijgen in toenemende mate aandacht van de wetenschap. Desondanks is er over dierbeelden nog niet zoveel geschreven, en zeker niet over westerse. Perceptions of Animals in American Culture is een bundel die voorkomt uit een eerder gehouden interdisciplinair symposium. De bijdragen in deze bundel zijn nogal heterogeen van aard, niet in de laatste plaats door de grote onderlinge verschillen in abstractieniveau. Veel Amerikaanse sociale wetenschappers zijn nogal dol op psychologische 'survey research': empirische en kwantitatieve metingen van attitudes van losse individuen die zijn ingedeeld naar leeftijd, beroep, opleiding en woongebied (stad, platteland of wildernis). In een onderzoek als dat van Stephen Kellert konden respondenten op zevenpunts-schalen hun voorkeur voor of juist hun afschuw van bepaalde diersoorten aangeven. Ook werd hun instelling tegenover zaken als dierproeven, jacht, en dergelijke, kwantitatief gemeten. De meest geprefereerde dieren bleken, niet zo verrassend, honden en paarden te zijn en de meest gehate dieren haaien, kakkerlakken en slangen.

Naast dit soort algemene surveys treft men in de bundel artikelen aan die ingaan op de (voor)oordelen ten aanzien van een specifieke diersoort, zoals bijvoorbeeld de wolf. Vroeger verguisd en rucksichtslos vervolgd, nu opnieuw gewaardeerd (zie de bijdrage van Klinghammer). De antropologe Elizabeth Lawrence wijst op het hedendaagse verschijnsel van neotenisering, het voorstellen van dieren als schattige maar volkomen aan ons ondergeschikte, hulpeloze kindertjes. Lawrence contrasteert dit met de respectvolle houding van de Amerikaanse Plains-indianen die dieren in hun volle glorie en kracht uitbeelden en ze dus meer in hun waarde laten. Ook vermenselijkte dieren als Donald Duck en Mickey Mouse passeren de revue in deze bundel, dieren die ons minder over respectievelijk eenden en muizen vertellen dan over (de percepties van) hun geestelijke vaders.

SPEELBAL

Het tweede boek onderzoekt menselijke percepties van dieren vanuit een heel andere invalshoek. De Amerikaanse Harriet Ritvo beschrijft in The Animal Estate het Victoriaanse tijdperk in Engeland. Haar uitgever noemt het boek een voorbeeld van 'de sociologie van dieren'. Een nogal verwarrende term want gaandeweg wordt duidelijk dat het boek draait om de manier waarop Engelse menselijke klassen en standen ten opzichte van elkaar opereren en zich met elkaar uiteen zetten. Dieren spelen hierin nauwelijks een actieve rol, zij zijn het passieve ideologische object, de speelbal in een strijd tussen menselijke, handelende subjecten. Ritvo's boek is dus bewust antropocentrisch: het gaat haar om de verhouding van mensen tegenover andere mensen in het Engeland van koningin Victoria. Zo beschrijft ze hoe de oude landadel en de opkomende klasse van kapitalistische veehouders elkaar met de kwaliteit van hun stamboekvee om de oren sloegen. En ze laat zien hoezeer de elite hechtte aan het bezit van bepaalde gezelschapsdieren als statussymbool.

Het Victoriaanse tijdperk markeerde tevens het begin van een geinstitutionaliseerde dierenbescherming, de eerste in haar soort. Voor Europa althans was het ongekend dat men het dier beschouwde als een wezen dat recht had op speciale bescherming. Het dierenleed in die tijd was van een andere orde dan dat van tegenwoordig, dat is geconcentreerd in onze laboratoria en bio-industrie. In de Victoriaanse tijd werden dieren afgeranseld en mishandeld in het openbaar. Er vloeide bloed en er braken botten. Paarden moesten werken tot ze erbij neervielen en werden dan het slachthuis ingeslagen. Het slachten zelf gebeurde trouwens ook wel midden op straat en niet bepaald op zachtzinnige wijze. Ook bestonden er allerlei soorten volksvermaak die ten koste van dieren gingen: ophitsen, treiteren en bang maken van diverse wilde of gedomesticeerde dieren, al of niet met behulp van honden, en niet te vergeten de talloze dierengevechten.

De Victoriaanse inspanningen tot bescherming van dieren gingen echter hand in hand met een roep om de ruwe massa's te beschaven en zonodig te bestraffen. Het mishandelen van dieren door mensen die afkomstig waren uit de lagere klassen, werd dan ook eerder veroordeeld dan het mishandelen van dieren tijdens de vossejacht bijvoorbeeld, het tijdverdrijf van de Engelse elite. Onthullend is ook Ritvo's overzicht van de jacht op groot wild die in het kielzog van het Engelse imperialisme in Afrika en India werd bedreven. Dat het om zulke ontstellende aantallen dieren ging, wist ik niet. Afrika en India zijn letterlijk leeggejaagd door Engelse gentlemen. Ritvo is de mening toegedaan dat het onderwerpen van inheemse mensen in de Engelse kolonien zijn symbolische tegenhanger vindt in het in groten getale afslachten van inheemse dieren in dezelfde contreien.

WEL EN WEE

De twee andere boeken gaan meer uit van het wel en vooral wee van het dier zelf en stellen de suprematie en het antropocentrisme van de (westerse) mens dan ook fundamenteler ter discussie. Richard Ryder is een Britse psycholoog die vanaf het eerste uur betrokken is geweest bij de moderne, eigentijdse diervriendelijke beweging. Zijn nieuwste werk heet Animal Revolution, Changing Attitudes towards Speciesism. Speciesisme Ryder zelf is de oorspronkelijke bedenker van deze term staat voor het discrimineren op basis van biologische soort; het begrip is sinds kort officieel opgenomen in de Oxford Dictionary. Het eerste deel van Animal Revolution bestaat uit een historisch overzicht van menselijk doen en denken met betrekking tot dieren in het algemeen, met speciaal accent op de Britse regio. Het is een goed onderbouwd verhaal, al staat er voor lezers die met de problematiek vertrouwd zijn, weinig nieuws in. Onder diegenen die zich in de loop van de geschiedenis voor dieren hebben ingezet bevinden zich mensen van allerlei pluimage: veel literaire schrijvers zoals Plutarchus, Ovidius, Voltaire, Rousseau, Alexander Pope, Chaucer, Wordsworth, Shelley, Longfellow, Shaw. Ook lieden van allerlei verschillende politieke richtingen passeren de revue, inclusief socialisten en vroege feministen. Veel grote wereldgodsdiensten zijn beduidend diervriendelijker dan de christelijke, maar blijken meer belang te hechten aan het niet-doden van dieren dan aan het niet-laten-lijden van dieren. Al met al rekent Ryder af met het vooroordeel dat alleen 'old ladies with hats' zich om dieren zouden bekommeren.

Het middengedeelte van het boek, het sterkste deel naar mijn smaak, gaat over de opkomst van de huidige diervriendelijke beweging. Ryder is bovenal een activist. Hij beschrijft de verhouding van de diervriendelijke beweging met andere natuur- en milieubeschermingsbewegingen en merkt heel juist op dat het die laatste organisatie veel meer om de instandhouding van de soort te doen is dan om het verzachten van het leed van individuele dieren. (Greenpeace heeft het aspect van het individuele dierenleed pas heel recent in zijn campagnes opgenomen). Strelend voor ons Nederlanders is de vermelding van Hanja Maij-Weggen en Hemmo Muntingh (destijds, beiden Europarlementariers) in het kader van diervriendelijkheid op Europees niveau.

Terwijl Ryders boek een waardevol en feitelijk overzicht van de opkomst van de pro-dierbeweging geeft, is de toon mij een tikkeltje te moralistisch. En evenals in bovengenoemde Amerikaanse bundel stuit je bij hem op een unilineair vooruitgangsgeloof: het idee dat het voor dieren door de eeuwen heen gestadig beter is geworden. Theoretisch lijkt Ryder soms wat naief, vooral in het derde deel van zijn boek. Zo kan hij maar niet begrijpen waarom Darwins leer, die toch de verwantschap tussen mens en dier wetenschappelijk aanvaardbaar maakte, niet onmiddellijk heeft geleid tot het uitstrekken van onze morele codes tot dieren. De reden daarvoor zoekt hij louter in misplaatst vooroordeel, waarbij hij totaal lijkt te vergeten dat Darwin en de sociobiologie voor velen niet alleen mens-dier verwantschap vertegenwoordigen maar ook de rechtvaardiging van biologisch determinisme, met alle aantoonbare maatschappelijke gevolgen vandien.

WETENSCHAP

Een boek waar ik veel enthousiaster over ben, is Bernard Rollins The Unheeded Cry. Ondertitel: Animal Consiousness, Animal Pain and Science. Dit boek is vlot geschreven, veel minder moralistisch dan dat van Ryder, maar zeker niet waardevrij. Rollin, zelf een ouwe rot in Animal Ethics, slaagt erin vanuit een moreel standpunt over moreel handelen te schrijven zonder zelf hinderlijk moralistisch te worden. Naast gedegen filosofische en wetenschappelijke redeneringen maakt hij ook gebruik van anekdotes en van humor, wat de ernstige ondertoon van het boek geenszins verheelt maar juist nog beter doet uitkomen. Het boek behandelt het moeilijke terrein van de dierbeelden die binnen de wetenschap heersen. De wetenschap en zeker de positivistische natuurwetenschap het gebied waaronder dieren plegen te ressorteren doet zich van oudsher voor als neutraal, waardevrij en objectief. Rollin laat zien welke desastreuze gevolgen dat heeft gehad voor het onderkennen van het bestaan van dierlijk bewustzijn en dierlijke pijn. Zo gaat Rollin bijvoorbeeld uitgebreid in op de absurde uitspraken van behavioristen over dieren. Omdat dierlijke subjectiviteit nauwelijks meetbaar en kwantificeerbaar is met behulp van natuurwetenschappelijke methoden, wordt het dier als subject totaal miskend. Ook door veeartsen, die verdoving veelal onnodig achten en, als ze die al op dieren toepassen, de neiging hebben pijnstillers aan te duiden met de objectiverende term 'chemical restraints'. En dit terwijl iedereen, wetenschappers incluis, in het dagelijks leven weet dat zijn of haar huisdier wel degelijk een doelbewust, gevoelig en affectief wezen is. In een wereld waarin wetenschap de normatieve en legitimerende rol van de religie heeft overgenomen, zijn dieren vogelvrij (vreemde term in dit verband), getuige ook het leed dat proefdieren wordt aangedaan in naam van diezelfde wetenschap.