De overheid moet de grenzen van haar kunnen onder ogen durvenzien; Kamer wist: Lubbers is woedend

Plotseling werd het stil in de Tweede Kamer. De verkrampte gelaatsuitdrukking maakte zich van hem meester, het stemvolume nam toe en de zinnen kwamen alleen nog maar stacato uit zijn mond. Op dat moment wist de Kamer het: Lubbers was woedend. Het gebeurde afgelopen donderdag tijdens de derde en laatste dag van de algemene beschouwingen en het 'slachtoffer' heette Woltgens. Het ging om de financiele tegemoetkoming aan bejaarden met een klein pensioen. Tenminste dat dachten de Kamerleden. Maar Lubbers had het daar helemaal niet over. Het ging hem om een veel principieler punt, namelijk de consistentie van het beleid.

Wetten die pas tien maanden geleden zijn ingevoerd, wijzigen omdat ze voor bepaalde groepen een inkomensachteruitgang van 0,3 procent hadden teweeggebracht een effect dat notabene bekend was toen de wet in de Kamer behandeld werd daar paste hij voor. Lubbers: 'Het land vergaat dus helemaal niet. Wat wel vergaat en dat is heel ernstig is consistentie.' Had hij het begin september in zijn beroemde Nijmeegse rede niet gehad over 'verfloddering van taken van de onderscheiden delen van de trias politica' ? Daar had je dan weer zo'n voorbeeld. Hij wilde geen 'jo-jo' beleid in de wetgeving. Waar hij vooruit wil, doet de Kamer een stap achteruit.

Waarom kan iemand zich zo opwinden over een verzoek dat weliswaar laat, maar door vrijwel de hele Tweede Kamer wordt gedaan, en waar bovendien van is aangegeven hoe het gefinancierd kan worden. Omdat Lubbers ontevreden is over het functioneren van zijn derde kabinet. Eind 1982 kon hij met een denderende vaart als premier beginnen. Het beleid kreeg het predikaat no nonsense en de wetgevingsmachine draaide op volle toeren: bezuiniging hier, inkrimping daar.. De economische winter was ingetreden en dat vergde hard ingrijpen. Het waren de tijden dat ministers tijdens hun wekelijkse vergadering aan elkaar vroegen hoeveel demonstraties zij die week voor hun deur hadden gehad.

Stroperig

Vol overtuiging begon Lubbers eind vorig jaar aan het kabinet met de PvdA. Ook hij vond dat na de tijd van het breken, de periode van het voorzichtig bouwen aan de toekomst was aangebroken. Maar aan de uitvoering van dat nieuwe beleid schort het nu juist. De koppeling tussen lonen en uitkeringen, het paradepaardje van de PvdA, was zo hersteld. Dat is immers slechts een kwestie van een cijfer in de boeken zetten. Alleen vervelend dat die koppeling inmiddels geen 3,9 miljard gulden meer kost waar een jaar geleden nog op werd gerekend, maar 5,2 miljard en daarmee meer dan de helft van het voor 'nieuw beleid' gereserveerde bedrag opslokt. Maar hoe staat het toch met al die andere zaken die het kabinet heeft aangekondigd. Het lijkt wel of niets wil lukken; het besluitvormingsproces wordt stroperiger en stroperiger.

Nu is er dan weer de per 1 november aangekondigde accijnsverhoging met acht cent per liter die de Kamer deze week met succes wist te pareren. Acht cent bovenop de door de Golf-crisis veroorzaakte verhogingen van de afgelopen twee maanden, was de meerderheid van de parlementariers toch wel iets te veel van het goede. In het kabinet werd nog maar eens de vraag gesteld: is milieu nu prioriteit of niet, zo ja dan moeten wij geen concessies doen aan het milieubeleid. De meerderheid van de Kamer bleek echter beduchter voor het op zich laden van de verantwoordelijkheid voor het verhogen van de benzineprijs tot boven de twee gulden. Daarom werd het milieubeleid even ondergeschikt gemaakt, wellicht tot de olieprijzen weer dalen.

Een afgeleide van de stroperigheid is de geloofwaardigheid van de overheid. Aarzelend optreden van de overheid wordt afgestraft. Het treffendste voorbeeld is de maximumsnelheidsgrens die massaal wordt overtreden. De limiet van honderd kilometer per uur wordt door velen niet aanvaard als in Den Haag een permanente discussie wordt gevoerd over honderd dan wel honderdtwintig kilometer per uur. Als verder de 'handhaafbaarheid' het doorslaggevende element is in de discussie over al dan niet verlagen, ontstaat de situatie waarvoor PvdA-fractievoorziter Woltgens in zijn bijdrage aan de algemene beschouwingen van deze week voor waarschuwde: 'Waar de berekenende burger en een lakse overheid elkaar omhelzen, wordt de publieke moraal vermalen.' Die publieke moraal moet volgens Woltgens dan ook worden verstevigd. 'Niet door af te geven op wat de individualisering van de samenleving wordt genoemd. Wel door een beroep te doen op elke burger en ieders verantwoordelijkheid. Maar ook door betere overheidsprestaties: heldere solidariteit, menselijke dienstverlening en vanzelfsprekende handhaving van regels en normen.'

Dilemma

Premier Lubbers schetste begin vorige maand in zijn 'Nijmeegse rede' het dilemma dat bij dit laatste punt om de hoek komt kijken. De overheid heeft daarvoor de uitvoeringscapaciteit niet. Deels zou dat kunnen worden opgelost door een betere uitrusting van het justitieapparaat. Maar ook zou volgens hem moeten worden ingespeeld op 'personalisme, op bottom up en op het subsidiariteitsbeginsel onder meer door sociale vernieuwing.' De sociale vernieuwing moet, zoals Lubbers deze week in de Tweede Kamer zei 'weerwerk bieden aan de bestaande anonimiteit', en tevens het 'plichten element' naar voren brengen.

Wie dat moeten doen is voor hem duidelijk: de organisaties en instituties die het dichtst mogelijk bij de betrokken mensen staan. Als ze maar worden gekenmerkt door een hoog democratisch gehalte. Waar Lubbers en ook CDA-fractievoorzitter Brinkman het hadden over het plichtenelement, had Woltgens het over burgerzin om de verslonzing en verloedering tegen te gaan. Ze bedoelden hetzelfde. Maar in tegenstelling tot Lubbers zag Woltgens veel meer een rol weggelegd voor de politiek als 'uitdrukking van de wil van de burgers en als hoeder van het algemeen belang' om die burgerzin te bewaken.

Het was een discussie die donderdag op de laatste dag van de algemene beschouwingen nauwelijks meer speelde. Toen ging het weer gewoon om platte politiek. Of had de aanvaring tussen Lubbers en Woltgens in de kern misschien toch juist wel met die verschillende opvatting over de positie van de overheid te maken. De consistentie in het beleid waar Lubbers een pleidooi voor hield toen hij de compensatie voor bejaarden afwees, houdt in zijn ogen in dat de overheid de grenzen van haar kunnen onder ogen moet durven zien. Die grens wilde Lubbers aangeven: geen jo-jo beleid, want wat voor uitstraling zou dat nu weer kunnen hebben op de overheid. Voor een etatist als Woltgens ligt dat anders: die bepaalt in de politiek de grens zelf. Dat moet wel botsen.

    • Mark Kranenburg