De Natie 5

De radio stond op Veronica. Een aannemer praatte met toffe tongval over het gebrek aan jonge bouwvakkers: 'Dus wie moet dat plaatje straks gaan invullen? Daar moet richting aan gegeven worden, voor een stukje bouwactiviteit'. Ze hebben het vaak over de kloof tussen het Binnenhof en de burgers, die zou blijken uit het jargon. Maar zo is het niet. Iedere burger neemt, zo gauw hij op het publieke podium optreedt als functionaris, zaakwaarnemer of belangenbehartiger, de Haagse schutkleur aan inclusief het daarbij behorende taalgebruik. De trainer van FC Utrecht wordt ontslagen, directeur Ooft neemt zijn taak over en licht toe: 'Laat ik het zo stellen. Het bestuur heeft mij op mijn verantwoordelijkheden gewezen'. Dat is Brinkmanniaans voor: men heeft mij gedwongen. Het is de taal van wat Bolkestein noemt 'de oligarchie van professionals die zich langzamerhand in koepels genesteld heeft en die het hele vergadercircuit van Nederland bevolkt'. Het Brinkmanniaans is daar de voertaal. Het is - er is vaker op gewezen - beeldende taal, vermoedelijk omdat in het televisietijdperk alles zichtbaar gemaakt moet worden; dus spreken we van oorlog in 'een krijgshaftige woestijn'. Maar het is paradoxaal genoeg ook ondoorzichtige taal; de beelden dienen tevens om goed begrip in de weg te staan. Wat is 'het schenken van lauwe thee op een richeltje'? Wat zijn 'concentrische cirkels die elkaar omknellen'? En wat betekent het dat 'de bakens worden meegegeven'? Het is de taal van het bureaucratische complex, dat ons als een watten deken omgeeft (men ziet, ik beheers mijn Brinkmanniaans) en waar teksten vooral dienen om het gebrek aan besluitvaardigheid te verhullen en alles nog eens 'door te schuiven' naar wat alweer een 'tussenbalans' heet.

Even leken zich deze week de contouren van een nieuwe coalitie af te tekenen. Bolkestein, Van Mierlo en Woltgens zetten, ieder in hun eigen toonaard, de aanval in op het neocorporatisme dat het jubilerende CDA koestert en nog wil versterken: meer macht aan het middenveld! Brinkman bevond zich, gesecondeerd door Lubbers, als paladijn van de status quo in het defensief en dat ging hem goed af, temeer waar Woltgens te omfloerst sprak (hij wilde 'de convenanten tegen de waslijn houden'), Van Mierlo alles uit de kast haalde wat daar al zo lang in ligt en Bolkestein zijn requisitoir wel erg nonchalant had voorbereid. Hij begon goed met zijn beknopte kenschets van het 'democratisch tekort' (intellectueel in de politiek, heeft zijn Malraux gelezen, kan althans de titels parafraseren) en zijn offensief tegen de hardnekkige verzuiling: 'De redenen zijn verdwenen, maar de machtsposities zijn gebleven'. Uitgedaagd om waar te maken dat deze posities ongecontroleerd worden uitgebuit voor groepsbelangen, bleef hij steken in een casuistiek die door de triomfalistische christendemocraten eenvoudig kon worden ontzenuwd. Jammer, heel jammer, want er zat heel wat in wat hij leek te gaan beweren.

Zo zittend op de tribune gaf ik toch de voorkeur aan de analyse van Van Mierlo. Je moet daarmee uitkijken. Hij spreekt het best en het mooist en zijn vertogen hebben dus de attractie van de retoriek. Het sterkst is hij in zijn paradoxen, die sommigen nu juist zo schijnen te ergeren. Onlangs kreeg hij de Prijs van het blad Mens en Gevoelens en bij die gelegenheid verklaarde hij: 'Juist als ik mijzelf niet serieus neem, neem ik mijzelf serieus; juist als ik mijzelf serieus neem, neem ik mijzelf niet serieus.' Snapt u? Heel waar. En nu weer de typering van ons politiek-maatschappelijk bestel als 'een ingestort zuilenveld, waarboven op mysterieuze wijze een dak zweeft dat op niets meer rust'. Ik dacht dat ik hem snapte. Het is het dak van 'kappen en koepels', van mansardes en rommelzolders, dat het vergadercircuit herbergt waar de vergaderaars Brinkmanniaans tegen elkaar spreken en elkaars belangen zorgvuldig bewaken. Dit 'bouwkundig wonder' kun je volgens Van Mierlo 'niet restaureren door te schuiven van formele overheid naar middenveld, maar ook schuiven van middenveld naar formele overheid is zondermeer onvoldoende'. Want beiden vormen een ondoordringbaar en onontwarbaar complex van machtsposities die als stuivertjes wisselen tussen telkens dezelfde plaatsbekleders. Neem Joop van der Reijden. Diezelfde avond zag ik op de televisie Ad Langebent en Ton Verlind, die - de democratie van het middenveld in vol bedrijf - de leden van de KRO haast smeekten zich te kandideren voor de ledenraad; dan konden ze 'meebeslissen'! Maar waarover? Over Willebrord Frequin? Of over de goedkeuring van de zoveelste Brinkmanniaanse nota die alles bij het oude wil laten? 'De scholen zijn niet van de ouders, de ouders zijn van de scholen', zei Van Mierlo, 'de vakbonden zijn niet van de werknemers, de werknemers zijn van de vakbonden'. En de omroepen zijn niet van de leden, de leden zijn van de omroepen. Retorische overdrijving, maar verhelderend. Van de weeromstuit beloofde Brinkman 'het middenveld bottom-up te maken'. Daarmee zijn we weer terug bij de taal van Beenhakker en andere voetbaltrainers, woordvoerders en stichtingsbestuurders, de taal van de oligarchie der professionals, het Brinkmanniaans.