..dan een halve pond

EUROPA STREEFT naar een gemeenschappelijke munt. Maar het brede enthousiasme dat daarvoor nog maar enkele maanden geleden leek te bestaan is getemperd door de technische en politieke hobbels op de weg naar het doel. De eensgezindheid over de abstracte eindbestemming, een Ecu voor Europa, wordt overschaduwd door verdeeldheid over de snelheid van het proces en over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om het ambitieuze project te laten slagen.

De kern van het probleem is de vraag welke munt de inwoners van de Europese Gemeenschap tegen de eeuwwisseling in hun portemonnaie zullen hebben: een kloon van de harde Duitse mark of een verwaterd gemiddelde van drachmes, ponden, marken, guldens, escudos en overige EG-valuta. Dit is een technisch vraagstuk met heel praktische gevolgen. Nederlandse werknemers die nu iedere maand in harde guldens een bedrag opzij leggen voor hun pensioenvoorziening doen dat niet in de verwachting dat ze straks een pensioenuitkering zullen ontvangen in een Europese munt die is uitgehold door inflatie. Dit verklaart waarom Nederland niet bereid is om de soevereiniteit van de gulden op te geven zonder zekerheid over de hardheid van de Ecu in de toekomst.

De gulden is al jaren gekoppeld aan de Duitse mark. Dat houdt onze rente hoog en onze inflatie laag, want de Bundesbank, de Duitse centrale bank, heeft om historische redenen eigenlijk maar een taak: de zorg voor een sterke munt. Sinds 1979 fungeert de D-mark tevens als stabiliteitsanker van het Europese Monetaire Stelsel (EMS), het systeem van min of meer stabiele wisselkoersen in de EG. Gezien de overheersende rol die de D-mark speelt, zit aan de Europese monetaire eenwording ook een geo-politiek aspect: zal met een toekomstige gemeenschappelijke munt sprake zijn van een Europees Duitsland, of van een Duits Europa?

DE KRACHT van de D-mark is de basis van het dubbele succes van het EMS. Ten eerste is dit een voorbeeld van stabiliteit in een periode van grote internationale koersschommelingen. Sinds het na-oorlogse stelsel van Bretton Woods waarin de dollar fungeerde als anker voor de valuta van de industrielanden in 1971 ineenstortte, belichaamt het EMS de meest verregaande benadering van het ideaal van stabiliteit van de wisselkoersen.

In de tweede plaats heeft het EMS succes geboekt bij de vermindering van de inflatie in de deelnemende landen. Nadat Frankrijk zich in 1983 bekeerde tot een ingetogen economisch beleid is in de EMS-landen sprake van steeds geringere verschillen in inflatie. De Franse franc is een inflatiebestendige munt geworden en zelfs de lire en de peseta winnen aan hardheid.

Vorige week kwam Groot-Brittannie eindelijk tot de erkenning dat stabiliteit van de wisselkoers en lage inflatie beter worden bereikt binnen het EMS dan daarbuiten. De Duitsers hebben het pond welkom geheten in het EMS, maar duidelijk gemaakt dat de Britse munt zich aan de bestaande regels zal moeten onderwerpen. De prijs die de Britten betalen voor een stabiele munt en een lagere inflatie bestaat uit een verlies van soevereiniteit over hun monetaire beleid. De hand van Frankfurt zal zich dus ook uitstrekken tot Londen.

GELEIDELIJK groeien de EG-landen zo op monetair gebied dichter naar elkaar toe en daarmee komt de discussie over de Europese Monetaire Unie (EMU), de gemeenschappelijke Europese munt, en de oprichting van een Europese centrale bank opnieuw in beeld. Terwijl de centrale bankiers van de twaalf EG-landen in stilte de laatste hand leggen aan de statuten van een politiek onafhankelijke centrale bank, doen zich openlijke meningsverschillen voor over het tempo van de EMU. Daarbij is de EG in twee kampen verdeeld: aan de ene kant de hardlopers, zoals Frankrijk, Belgie, Italie en de Europese Commissie, die de volgende stap naar monetaire eenwording op een datum, 1 januari 1993, willen vastpinnen.

Aan de andere kant staan de sceptici, waaronder Nederland, die vinden dat eerst moet worden voldaan aan inhoudelijke eisen over het financieel-economische beleid voordat de sprong naar een monetaire unie kan worden gemaakt. Onder leiding van de Bondsrepubliek menen ze terecht dat het onmogelijk is om munten van landen met sterk uiteenlopende inflatiecijfers of begrotingstekorten onder een gemeenschappelijke noemer te brengen.

De twee kampen worden gepersonifieerd door Jacques Delors, de voorzitter van de Europese Commissie en drijvende kracht achter de monetaire eenwording, en Karl-Otto Pohl, de president van de Bundesbank. Delors wil Duitsland politiek binden aan de Europese Gemeenschap en voor hem is de vaststelling van een datum voor de volgende fase van de EMU een lakmoesproef die de Europese gezindheid van de Bondsrepubliek moet bewijzen.

Pohl heeft als bewaker van de D-mark het meest te bieden en het meest te verliezen in de monetaire eenwording en hij wil de autonomie van de Bundesbank niet opgeven voor minder dan hij nu heeft. Bovendien heeft Pohl door de recente ervaring met de Duitse economische vereniging in de praktijk gezien welke moeilijkheden zich voordoen als verschillende economische systemen tot een geheel worden gesmeed.

IN DIT PALET VAN tegenstellingen tussen datum en inhoud probeert Nederland harmonie aan te brengen. Een Nederlands voorstel voor een compromis tussen beide uitersten begint zich af te tekenen als de meest waarschijnlijke uitkomst van het debat over de monetaire unie. Daarbij wordt tegemoet gekomen aan de hardlopers, door wel een datum voor de volgende fase van EMU te bepalen 1 januari 1994 maar tegelijkertijd vastgehouden aan de inhoudelijke eisen van de sceptici. De combinatie van geleidelijkheid en strengheid houdt de druk op het proces door vast te houden aan een tijdpad, zonder de noodzaak van grotere inhoudelijke afstemming van het beleid op te offeren.

Het Nederlandse compromis kan rekenen op positief onthaal. Als het wordt overgenomen, zal de komst van de gemeenschappelijke Europese munt misschien iets langer op zich laten wachten, maar deze zal dan de kwaliteit hebben die nodig is om haar voor alle landen aanvaardbaar te maken. Het gaat bij de toekomstige Europese munt immers niet alleen om het betaalgemak van toeristen of zakenlieden, maar ook om de pensioenen van de 21ste eeuw. En dan voldoet een hele mark beter dan een half pond.