Bridge

De maand september heeft wat deze bridgerubriek betreft geen goede herinnering bij mij nagelaten: er stonden meer fouten in dan verscheidene lezers aanvaardbaar vonden en zij hadden gelijk. In de laatste rubriek van de maand zorgde een verwisseling van de Z- en O-hand voor het onbegrijpelijk worden van een verhaal over een gemiste manche in het EOE Optiebeurstoernooi. Ik geef nu alleen de OW-handen:

(Schoppen) H 10 9 8 6

(Harten) 9 8 7 5

(Ruiten) A 3 2

(Klaver) B

(Schoppen) V B 5 4

(Harten) A V 10

(Ruiten) H 5

(Klaver) V 10 5 2

Twee superagressieve bieders, Bergen en Cohen, boden na drie maal passen 1 (Klaver) (0) - 1 (Schoppen) (W), 2 (Schoppen) - pas. W's beslissing om op 2 (Schoppen) te passen noemde ik een voorbeeld van het gefixeerd zijn op een bepaald aspect waardoor het goede oordeel wordt vertroebeld. W hoorde zijn partner 2 (Schoppen) herbieden, wat niet duidt op een sterke hand, en zag in zijn eigen hand niet meer dan 8 honneurpunten zitten. Dat is tegenover een zwakke opening bij lange na niet voldoende voor de manche en dus paste hij. Maar zelfs een speler van wereldklasse kan ziende blind zijn. De honneurpuntentelling is een zeer misleidende waarderingsmethode als eenmaal een fit in een kleur is gevonden. Zou O met 1 (Schoppen) hebben geopend, dan zou de W-hand al in Culbertsons tijd een klassiek voorbeeld zijn geweest van een onmiddellijke verhoging tot 4 (Schoppen). Omdat het steunen met 2 (Schoppen) ook op een 3-kaart kan zijn gedaan, is nu een direkt 4-(Schoppen)-bod misschien wat al te enthousiast, maar dat W in ieder geval nog een poging moet doen, staat als een paal boven water. Veel topspelers laten zich nogal eens laatdunkend uit over de Losing Trick Count (LTC) en beweren die kaartwaarderingsmethode altijd al intuitief toe te passen zonder dat kinderachtige getel van verliezers. Maar er zijn tal van voorbeelden te geven van mislukte biedingen van topspelers, die hadden kunnen worden voorkomen door wel gewoon de LTC toe te passen. Ik zal binnenkort eens wat uitvoeriger ingaan op de werking van de LTC.

Het Optiebeurstoernooi kende veel primeurs. Voor de bezoekers was het meest in het oogvallend de schitterende vugraph die de firma Pecoma had ontwikkeld om computergestuurde informatie over het spelverloop op een beeldscherm voor een groot publiek te visualiseren. Eveneens een primeur, althans voor Nederland, was de uitslagberekening door middel van 'cross-imps'. Hierbij wordt het resultaat van elke tafel vergeleken met iedere andere tafel en uitgedrukt in internationale matchpunten (imps) waarna al deze scores worden gecumuleerd. Wordt aan een tafel 3 SA met een overslag gemaakt en aan alle andere tafels, zeg dat dat er zeven zijn, 3 SA precies gemaakt, dan wint het paar van de overslag 7 (x) 1 imp (= 30 scorepunten), oftewel 7 imps. De tegenpartij verliest dan dus 7 imps. Deze methode geldt als betrouwbaarder dan de Butler-methode en als een betere graadmeter voor krachtverschillen dan de scoringsmethode van een parenwedstrijd. Wie mocht menen dat de zeer grote voorsprong waarmee Leufkens en Westra het toernooi wonnen door de cross-imps-methode was geflatteerd, zal die mening nu moeten herzien. Ik geef hier de uitslag met achtereenvolgens de cross-imps-punten, de Butler-punten en het parenpercentage met tussen haakjes de plaats in de rangorde:

Leufkens-Westra 805 (1), 120 (1), 56,90% (1); Martel-Woolsey 477 (2), 67 (2), 53,44% (3); Forrester-Robson 431 (3), 56 (3), 50,57% (7); Maas-Vriend 266 (4), 17 (9), 49,89% (10); Meckstroth-Rodwell 247 (5), 37 (4), 53,56% (2).

Ook bij de overige 11 paren zijn opmerkelijke verschuivingen te zien, maar een ding is absoluut duidelijk: hoe ook zou zijn gescoord, Leufkens-Westra zouden steeds met straatlengte als eerste zijn geeindigd. Dat hun overwinning in het Optiebeurstoernooi geen toevalstreffer is geweest, bewijst hun optreden in het eerste kwalificatietoernooi van het zojuist gestarte Koning en Hartman Bridgecircuit. Leufkens-Westra brachten het eerste toernooi meteen op hun naam met een overtuigende score (Butler-telling). Het mooiste spel van het toernooi kwam echter uit handen van Hans van de Haar die met zijn vrouw Mariemme verrassend derde werd achter het juniorenpaar Timo van der Berg-Jeroen Top.

(Schoppen) 7

(Harten) H 7 5 3

(Ruiten) H 7 5 2

(Klaver) H 10 9 2

(Schoppen) 9 8 6 4 2

(Harten) A

(Ruiten) A V 6

(Klaver) V 6 4 3

(Schoppen) B 10 3

(Harten) V B 10 4

(Ruiten) 10 9 8 3

(Klaver) 8 7

(Schoppen) A H V 5

(Harten) 9 8 6 2

(Ruiten) B 4

(Klaver) A B 5

W had Van de Haars 1-(Harten)-opening gedoubleerd en O het eindcontract van 4 (Harten). Van de Haar nam de (Schoppen)-uitkomst met (Schoppen) A en zag dat W voor zijn informatiedoublet (Harten) A moest hebben en O voor zijn strafdoublet dus (Harten) V-B-10-4. Met (Ruiten) A mee dreigen er dan 4 verliezers en de enige manier om hieraan voorlopig te ontkomen is O ertoe te verleiden te vroeg een (Harten)-honneur te spelen. Z speelde daarom (Ruiten) na. W nam en Z won diens (Schoppen) naspel en kon nu met (Ruiten) H de dummy bereiken om een kleine (Harten) uit N te trekken. O trapte erin en speelde (Harten) 10, voor W's (Harten) A! Het (Ruiten)-naspel werd getroefd, op (Schoppen) V ging een 2de (Klaver) weg, (Klaver) A-H werden geincasseerd en een (Ruiten) werd in de hand getroefd. In N bleef (Harten) H-7-5 over waarachter O met (Harten) V-B-4 zat. Van de Haar speelde nu (Harten) 9 uit de hand en liet die doorlopen. O won met (Harten) B maar moest toen van (Harten) V-4 naar N's (Harten) H-7 trekken. Een kunststukje.