Wie droevig is verdrinkt; The neverending story (1984) van Wolfgang Petersen

Er is een jongen van negen die dit stukje misschien gaat lezen. Zegt hij. Ik had hem namelijk gevraagd of er een film was, waarvan hij wilde dat ik erover zou schrijven. De herfstvakantie is vandaag begonnen. Herfstvakanties zijn videovakanties.

Lees je mijn stukje dan echt, vroeg ik.

Hij zei dat hij dacht van misschien wel. Als het maar over The Neverending Story gaat.

Die unendliche Geschichte is een beroemd kinderboek, van Michael Ende. In het Nederlands heet het Het oneindige verhaal. Maar de jongen, die heeft gezegd dat hij dit misschien wel gaat lezen, houdt meer van film dan van boeken. De eerste keer dat hij The Neverending Story zag was samen met mij, thuis, op de video. Ik keek toen met hem mee. Hij zou zoiets nooit doen, met iemand anders meekijken. Als hij kijkt, dan kijkt hij meteen zelf. Kijken hoe ik kijk, daar doet hij niet aan.

Ik merkte dat hij de film goed vond. Hij kijkt namelijk nogal hardop. Misschien houdt hij daarom niet zo van boeken. Als hij iets goeds leest, of 'heftigs', wil hij dat meteen doorvertellen, maar dan luistert er nooit iemand goed genoeg naar hem, vindt hij. Als hij hetzelfde doet tijdens een film, luistert er ook niemand, maar dan weet hij ten minste wel dat de anderen hetzelfde zien als hij. Dat is iets belangrijks, het gevoel dat anderen precies hetzelfde in hun hoofd hebben als hij. Daarom vertelt hij na afloop alles nog een keer. De belangrijkste dingen doet hij meestal ook nog na, om er zeker van te zijn dat de anderen alles precies zo in hun hoofd krijgen als hij het al heeft. De allerbeste manier om een goede film helemaal in het hoofd van anderen te krijgen, is hem nog een keer opzetten, trouwens.

Toen we The Neverending Story hadden gezien zei ik dat ik de film best mooi vond. Ik weet niet goed waarom ik het nodig vond om dat te zeggen. Voor hem is een film nooit mooi, maar goed. En is hij niet goed, dan gaat hij gewoon iets anders doen. Minder mooie of onheftige films bestaan domweg niet.

Het mooist vond ik dat hij hem zo mooi vond. Of laat ik het zo zeggen: het trof me dat hij hem zo mooi vond, want het verhaal leek me heel ingewikkeld.

Hoezo ingewikkeld, vroeg hij.

Begrijp je dan alles, vroeg ik.

Dat was een buitengewoon stomme vraag. Natuurlijk begreep hij alles.

Zelf moest ik nogal peinzen over het verhaal van The Neverending Story. Dat is het grootste verschil met toen ik zelf negen was. Toen begreep ik ook alles. Ik deed niet aan onbegrip.

De film gaat over een jongen van negen die een boek leest. Wat hij leest wordt de film. In die film die hij leest is er weer een jongen van negen. Die moet het land Fantasia gaan redden. Dat land wordt langzaam maar zeker opgeslokt door het Niets.

Ik vroeg de jongen die dit misschien wel leest wat toch het Niets was. Ik vertelde er niet bij dat ik me al tamelijk lang afvraag wat Niets is.

Heb je dat dan niet gezien, vroeg hij. Het Niets, dat is een orkaan en die slokt Fantasia op. En hij begon het verhaal te vertellen dat we zojuist hadden gezien. Als dat er een jongen was die het Niets kon tegenhouden, maar die moest dan wel een andere jongen vinden, een Mensenkind, en als die de Keizerin een naam gaf, dan zou het Niets ophouden met opslokken.

Een Mensenkind, vroeg ik.

Je hebt toch wel gekeken, vroeg hij.

Ja, maar ik vind dat zo'n raar woord, mensenkind.

Helemaal niet, zei hij. Het Mensenkind, dat is de jongen die dat boek leest waar de film over gaat.

Eerlijk gezegd had ik nog nooit eerder zo een merkwaardig gesprek met hem gevoerd. Een keer eerder, misschien, toen hij tijdens het kamperen een keer vroeg of er achter de sterren sterren waren.

Telefoon

Ik begon me af te vragen waarom ik dacht dat dit verhaal voor hem zo ingewikkeld zou zijn. Waarom wilde ik nu nog weten wat het Niets was terwijl het in de film toch zo overduidelijk een orkaan is die Fantasia opslokt? Hoe vaak wordt iets wat ik bedenk wel niet opgeslokt door iemand aan de telefoon, of door mijn eigen luiheid, of door mijn angst om er echt mee door te gaan? En wat was er voor mij zo raadselachtig aan de jongen van negen die door moet lezen omdat anders het Niets alles zal opslokken waarom deed ik zo moeilijk?

Je moet doorlezen, anders weet je toch niet hoe het afloopt, zei de jongen die gezegd heeft dat hij dit misschien wel gaat lezen. En hij zei: als je niet doorleest, dan weet je niet dat het goed afloopt.

Daarna vroeg hij of hij hem nog een keer mocht opzetten. Maar ik zei dat we hadden afgesproken een keer. Gelukkig belde er een vriendje aan. Schrijf je ook over het Moeras, vroeg het vriendje.

In het Moeras van de Droefheid verdrinkt het paard van de jongen die Fantasia moet redden. Iedereen die te droevig is verdrinkt daar. Het paard zinkt en zinkt en omdat hij zinkt weten we: hij is droevig. Dit zinken is een van de droevigste dingen die ik ooit in een film voor kinderen heb zien gebeuren. Ook de jongen die in de film leest moet er van huilen. Toen ik opzij keek zag ik dat de jongen naast me flink aan het slikken was. En daarna staarden we allebei maar naar een bubbelende vierkante meter moeras, die flink lang in beeld bleef. Onder de bubbels zonk het paard. Als de jongen nu maar niet ook te droevig wordt en zinken gaat...

Een paar minuten later gebeurt er nog iets ongelooflijks. De film is dan weer heel spannend, met veel Nietsorkaan. De lezende jongen schreeuwt het uit van angst en in Fantasia kijkt de reddende jongen verbaasd op en vraagt zich af wie daar schreeuwde.

Dit heb ik de jongen die keek naar de jongen die las over de jongen die Fantasia moest redden na afloop ook nog gevraagd of ze het in de film gehoord zouden hebben als wij heel hard hadden geschreeuwd.

Hij dacht van niet.

Maar als ik op de stopknop druk, zei hij, dan houdt de film op. Dan is er niets meer. Hij keek naar de videotape die ik juist opborg. Welke stommeling drukt er nou op stop.

Het is waar. Als we op stop hadden gedrukt, dan was de lezende jongen opgehouden met lezen, en dus de reddende jongen opgehouden met redden. Zelfs aan de rand van dit stukje waait het niets. Wie niet tot hier heeft gelezen, voor hem bestaat dit niet.