Voor Hongaarse hervorming nadert uur van de waarheid; Debatover 'big bang' a la Polen verlamt de economie

ROTTERDAM, 12 okt. Hongarije nadert het uur van de waarheid. De al maandenlang aanhoudende onenigheid tussen de voorstanders van een radicaal hervormingsprogramma, een big bang a la Polen, en de conservatieven die een voorzichtiger aanpak bepleiten, spelen de economie parten.

De inflatie stijgt, de valutareserves zijn tot een gevaarlijk laag peil gedaald, de produktie zakt weg, wetsontwerpen blijven liggen en de sociale onrust begint tot uitdrukking te komen in de eerste stakingen. Er moet een knoop worden doorgehakt, en wel snel.

Begin deze maand voorspelde het Economisch onderzoeksinstituut in Boedapest voor begin volgend jaar een verder wegzakken van het land in de economische recessie. Het begrotingstekort stijgt van 150 miljoen tot anderhalf a twee miljard dollar, de inflatie loopt op van 27 tot 50 procent en werkloosheid stijgt van 42.000 nu tot een kwart miljoen in 1991. Dit jaar al, aldus het instituut, dalen de inkomens met twee procent, de particuliere consumptie met drie procent en de investeringen met zes procent. Vanaf deze herfst kan de daling van de levensstandaard tot een 'verscherping van de economische conflicten' leiden, tot stakingen, die op hun beurt buitenlandse investeerders afschrikken, zo werd gewaarschuwd.

De situatie wordt nog verergerd door de droogte van deze zomer, die van Hongarije een graanimporterend in plaats van een graanexporterend land heeft gemaakt; alleen al door de graanexport die niet doorgaat loopt Hongarije een kwart miljard dollar mis. En ook de Golfcrisis speelt Hongarije parten. Tot midden september kostte die het land al een half miljard dollar. Daar komt nog bij dat Moskou op een kwade dag in juli de oliekraan dichtdraaide, om die pas weer open te zetten na de mededeling dat in het vervolg dertig procent minder wordt geleverd dan overeengekomen: 1,13 miljoen ton in het derde kwartaal van dit jaar in plaats van 1,62 miljoen ton.

Een snelle beslissing over het economische beleid op langere termijn is dus geen luxe. Zolang die beslissing uitblijft laten ook belangrijke wetten op zich wachten. Al in juli presenteerde minister van financien Ferenc Rabar zijn economische programma. Het voorzag in forse bezuinigingen door het schrappen van subsidies voor de landbouw, in de invoering van winst- en dividendbelasting en in prijsverhogingen. Rabar beloofde binnen honderd dagen met een privatiseringsprogramma te komen. Driekwart van de prijzen was aangepast, maar het prijssysteem was nog altijd niet in orde, omdat menige 'vrije' prijs nog altijd door de staat wordt vastgesteld: veel elementen waaruit de prijzen zijn opgebouwd zijn nog verre van reeel, en zullen dat blijven zolang er geen banksysteem, geen kapitaalmarkt en geen functionerende arbeidsmarkt is.

De invoering van het programma heeft sindsdien vooral vertraging opgelopen doordat de regering het intern oneens is over het tempo van de transformatie: tegenover Rabar en Gyorgy Suranyi, de voorzitter van de Nationale Bank, beiden voorstander van een big bang als in Polen, beiden ook voorstander van een snelle privatisering van de staatsindustrie, staan gematigden als Bela Kadar, de minister van internationale economische betrekkingen.

Kadar voert aan dat de staat een actieve rol zal moeten blijven spelen: de komende jaren zal de staatssector centraal blijven staan en derhalve gemanaged moeten worden in plaats van te worden overgeleverd aan het vrije spel van de markt. Een snellere privatisering, zegt Kadar, leidt in een rigide economie als de Hongaarse tot een inflatie van 200 procent, tot 30 a 40 procent werkloosheid en tot een daling van de produktie met mogelijk een kwart.

Daar staan echter argumenten tegenover, want er zijn ook gunstige ontwikkelingen. Zo valt vergeleken met Polen, waar al tien procent van de beroepsbevolking op straat staat, de werkloosheid in Hongarije met 41.700 arbeidskrachten, minder dan een procent van de beroepsbevolking, mee; de verwachting is dat dat percentage eind dit jaar niet boven de twee uitkomt. Een belangrijk deel van de werkloosheid die ontstaat door de sanering van staatsbedrijven wordt geabsorbeerd door de zich snel uitbreidende particuliere sector. Die levert al vijftien procent van het nationaal inkomen meer dan in alle andere Oosteuropese landen.

Verder is weliswaar de handel met Oost-Europa ingestort dit jaar daalt de import uit het Oosten met twintig, de export naar het Oosten met dertig procent maar is die met de harde valutalanden met vijftien procent gestegen. Uit het toerisme is zelfs tachtig procent meer binnengekomen. Het Hongaarse bedrijfsleven legt een onverwachte flexibiliteit aan de dag en past zich snel aan aan nieuwe omstandigheden.

Dat mag ook wel, want de buitenlandse schuld die het bewind van premier Jozsef Antall heeft geerfd, twintig miljard dollar, drukt zwaar op een economie die al jaren binnen nauwe marges opereert. De valutareserves daalden deze zomer tot het gevaarlijk lage niveau van een miljard dollar; slechts druk op Westerse banken bracht, in combinatie met een overbruggingskrediet van Bank voor Internationale Betalingen ('centrale bank der Westerse centrale banken') en de meevallende opbrengst van het toerisme, verlichting.

Een voordeel is ten slotte dat Hongarije in vergelijking met de andere Oosteuropese landen verder is met zijn wetgeving. Hongarije is het ene oog dat in Oost-Europa koning is en de meningsverschillen gaan vooral over de vraag of Hongarije nu half ziende dan wel half blind is.

Het kernpunt van het debat tussen 'radicalen' en 'voorzichtigen' vormt het tempo van de privatisering. Margaret Thatcher, al sinds jaar en dag in Hongarije vereerd als een leider met de durf en de visie om hard in te grijpen als dat nodig is, heeft in tien jaar vijf procent van het Britse BNP geprivatiseerd. Als Hongarije haar tempo zou aanhouden zou het ruim een eeuw nodig hebben om het gewenste niveau een staatssector van dertig procent van de economie, in plaats van 85 procent nu te bereiken.

Dat dat Britse tempo voor Hongarije veel te laag ligt, wordt in Boedapest niet betwijfeld; welk tempo sociaal aanvaardbaar is, is echter nog onderwerp van heftig debat, en zolang het pleit niet is beslecht gebeurt er op dit gebied maar heel weinig.

Niet alleen het tempo van de privatisering is een vraagteken: ook het hoe, en vooral het 'voor wie' is dat. De boekwaarde van de staatsindustrie wordt geschat op 2.500 miljard forint. De regering hoopt dat de Hongaren hun decennia lang opgepotte spaarcentjes zullen gebruiken om de privatisering te verwezenlijken. Maar zelfs als ze dat doen, komen ze niet verder dan vijfhonderd miljard forint.

Tegen een al te grote deelname van buitenlands kapitaal bestaan bij de bevolking bezwaren en bedrijven ontbreekt het aan geld om andere ondernemingen over te nemen. Bovendien: wie, anders dan de buitenlandse investeerder die mogelijk kansen ziet voor een kostbare injectie met geld en technologie wil zijn geld steken in bedrijven die in de rode cijfers steken en die met verouderde machines produkten maken waar niemand op zit te wachten?

Het uitblijven van krachtdadige beslissingen schrikt inmiddels de buitenlandse investeerders af: er is naar hun smaak nog altijd te veel aarzeling, te veel bureaucratie, te veel traagheid en te weinig bereidheid van de regering de markt werkelijk haar gang te laten gaan. Toen Zweedse investeerders onlangs 51,6 pct van de aandelen van de keten Hungarhotels kochten stak de regering daar een stokje voor: dat was te veel. Voor de investeerder is het geen vraag meer: Boedapest is niet half ziende, maar half blind.