Uitkeringsraad voor door oorlog getroffenen heeft nog jarenwerk

LEIDEN, 12 okt. Op het gebied van de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen is er nog werk genoeg, verzekert G. F. van Pijkeren, oud-projectmanager bestuur en organisatie bij het ministerie van WVC, nu directeur van de op 1 juli opgerichte Pensioen- en Uitkerings Raad (PUR) in Leiden. 'Er wordt wel eens gezegd dat het een aflopende zaak is, maar daar is voorlopig geen sprake van.'

Dergelijke opvattingen, dat er op niet al te lange termijn een einde aan uitkeringen en pensioenen op grond van oorlogsverleden zou komen, waren er al kort na de Tweede Wereldoorlog. In 1947 werd voor de uitvoering van de Wet Buitengewoon Pensioen tijdelijk een medewerker aangesteld, voor drie jaar. Daarna zouden de werkzaamheden toch wel afgelopen zijn, verwachtte men. Bijna 45 jaar later wordt er nog steeds een beroep gedaan op deze wet.

De achterstand in de behandeling van aanvragen voor verzetspensioen en uitkeringen aan oorlogsgetroffenen heeft de afgelopen jaren gigantische proporties aangenomen. Het aantal klachten steeg evenredig. Drie tot vijf jaar wachten op een beslissing over een aanvraag was geen uitzondering. Omdat de uitvoering van de wetten tot dusverre werd gekenmerkt door lange behandeltermijnen, hardnekkige achterstanden en veel administratieve rompslomp, is een centrale organisatie tot stand gebracht, de PUR.

De Tweede Kamer had er sterk op aangedrongen, toenmalig WVC-minister Brinkman zette in mei vorig jaar oud-stafchef generaal b.d. G. L. J. Huijser aan het werk en nog datzelfde jaar besloot het kabinet dat er een zelfstandig bestuursorgaan moest komen. Volgens Huijser, die zijn toenmalige taak van gevolmachtigde van de minister als een militaire operatie ten uitvoer bracht, is er in dat jaar voor Nederlandse begrippen ongekend snel gewerkt. Huijser is nu bestuursvoorzitter bij de Pensioen- en Uitkerings Raad.

Voorheen was de administratieve uitvoering van de wetten in handen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP), terwijl de toepassing ervan (beslissing over aanvragen) in handen was van drie raden die per 1 juli in de nieuwe raad zijn opgegaan. De versnippering van het oorlogs-uitkeringenwezen werd versterkt doordat er vanuit verschillende plaatsen werd geopereerd: Zoetermeer, Diemen en Heerlen. In Zoetermeer waren zelfs twee ABP-vestigingen. Deze werkwijze leidde ertoe dat het pensioenfonds door critici de kwalificaties te langzaam en te duur kreeg toebedeeld.

Een van de voordelen van de nieuwe constructie, aldus Huijser, is dat 'de mensen die de aanvragen beoordelen en zij die uitbetalen bij elkaar zitten'. 'In de oude situatie kon het gebeuren dat een brief van een client op een van de kantoren in Zoetermeer aankwam, werd doorgestuurd naar een collega-ambtenaar in Diemen en vervolgens weer terugging naar Zoetermeer. Een aavraag kon drie maanden onderweg zijn voordat er iets mee was gebeurd.'

Bij de herstructurering werd het ABP niet helemaal aan de kant gezet. Ondanks de kritiek op de trage uitvoering van de pensioen- en uitkeringswetten blijft het pensioenfonds vanuit Heerlen nog steeds de verzetspensioenen en oorlogsuitkeringen voor burger-oorlogsgetroffenen afhandelen. Van Pijkeren: 'Je zou de rol van het ABP nu als die van onderaannemer kunnen zien. Hier in Leiden wordt het beleid bepaald.' Waarschijnlijk nog deze maand sluit de Pensioen- en Uitkerings Raad een driejarig contract met het ABP. Na die periode kan het telkens met een jaar worden verlengd. 'Prijs en prestatie zijn aan elkaar gekoppeld', aldus Van Pijkeren.

Toegegeven, zeggen Huijser en Van Pijkeren, de clienten die na 1 juli een aanvraag hebben ingediend voor een uitkering of een pensioen hebben tot nu toe niet veel van de ingrijpende verandering gemerkt. Hun doel is nog dit jaar het grootste deel van de 'hardnekkige gevallen', ongeveer 90 procent van de langlopende aanvragen, weg te werken. 'De aanvragen uit 1988 en daarvoor moeten dan nog op de vingers van een hand te tellen zijn', zegt Van Pijkeren. Ook zullen er sneller beslissingen worden genomen over voorzieningen waar oorlogsgetroffenen recht op menen te hebben, zoals vergoeding van medische kosten en huishoudelijke hulp.

De komende jaren is er nog volop werk voor de raad, niet in de laatste plaats doordat de 'doelgroepen' veranderen. Huijser, die een boek schrijft over zijn oorlogservaringen in een Japans jongenskamp in Indonesie: 'Mensen die oorlog als kind hebben meegemaakt zijn nu een jaar of 60. Ze stappen uit het actieve leven en gaan terugkijken. Sommigen raken dan in wat een post-oorlogstraumatisch stress-syndroom heet. Die generatie dient zich aan.'

Een potentiele doelgroep is die van de derde generatie oorlogsgetroffenen. Na de eerste generatie, die de oorlog bewust heeft meegemaakt, en de tweede generatie, waaronder bijvoorbeeld kinderen van verzetsstrijders en collaborateurs, ontstaat een nieuwe generatie met problemen die hun oorsprong in de oorlog vinden. Als bijvoorbeeld de zoon van een NSB'er zijn problemen niet goed heeft verwerkt, kan dat zijn uitwerking hebben op de relatie met zijn kinderen, zo waarschuwen hulpverleners. Voor deze derde generatie zou volgens Huijser de bestaande hulpverlening soelaas moeten bieden, 'maar daar beslissen wij niet over'. Wat hem betreft ligt hier geen taak voor de raad.

Het werkterrein van de raad kan zich in de toekomst uitstrekken tot buiten dat van de oorlogsgetroffenen en verzetsdeelnemers. Tijdens de officiele opening van de raad, twee weken geleden, wees Huijser erop dat het wellicht verstandig zou zijn om te bekijken in hoeverre de kennis en ervaring bij de raad kunnen worden aangewend in de procedures rondom vluchtelingenopvang en asielaanvragen. De problematiek van vluchtelingen vertoont namelijk overeenkomsten met die van slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog, betoogde Huijser in het bijzijn van onder anderen minister d'Ancona (WVC), die belast is met de opvang van asielzoekers. Huijser vindt het echter nog te vroeg om de raad nu al met die taak te belasten. 'We moeten eerst maar eens bewijzen dat we in staat zijn ons gewone werk goed te doen.'

    • Ward op den Brouw