Uit macht verdreven partij is schaamte en schande al voorbij; Communisten Praag voelen zich sterk

ROTTERDAM, 12 okt. Een jaar na de fluwelen revolutie zijn de Tsjechoslowaakse communisten nog steeds in staat binnen een mum van tijd de bevolking kwaad en duizenden betogers de straat op te krijgen. Vasil Mohorita, leider van de enige Oosteuropese communistische partij die zich nog communistisch noemt, was nog maar net uitgesproken, of gisteren verdrongen zich weer menigten boze burgers op het Praagse Plein van de Oude Stad.

Mohorita (38), die onlangs de zieke en vermoeide Ladislav Adamec als KPC-voorzitter is opgevolgd, heeft zich de boosheid zelf op de hals gehaald. Op de televisie wees hij zondag het hervormingsprogramma van de regering van de hand: het is voor de communisten onaanvaardbaar, zei hij, omdat het neerkomt op het herstel van het kapitalisme en de KPC kan dus de regering niet langer steunen. Mohorita kondigde 'een zeer felle en compromisloze strijd' tegen de regering aan en deelde en passant mee dat de communisten weer partijcellen gaan vestigen in bedrijven en fabrieken. 'Dit is het eind van de periode van nationale verzoening, ' aldus Mohorita.

Het was duidelijk: de KPC is de periode van de schaamte en de schande voorbij en begeeft zich strijdlustig in de politieke arena, alsof ze niet vier decennia van dictatuur en wanbeheer achter zich heeft. De verklaringen van Mohorita, lid van de jonge en relatief onbezoedelde garde van de partij, klinken echter menigeen omineus in de oren, en een wonder was daarom de boze betoging van gisteren niet: veel Tsjechoslowaken vinden het nog wat te vroeg om de KPC haar wangedrag van vroeger te vergeven en te doen alsof de communisten weer normale politieke partners zijn die de tolerantie en het respect genieten waarop een normale politieke partner in een democratie recht heeft. Ten slotte is met de ontmanteling van het socialisme in de samenleving nog maar nauwelijks een begin gemaakt en drukt de erfenis van het systeem van vroeger nog al te zeer een stempel op het leven van alledag. Daarvoor ook heeft de KPC naar het oordeel van de Tsjechoslowaken (en hun regering) nog altijd teveel oude privileges, in de vorm van bezittingen fabrieken, bedrijven en onroerend goed ter waarde van 368 miljoen dollar volgens de regering, ter waarde van 140 miljoen dollar volgens de KPC en in de vorm van de invloed die de oude nomenklatoera nog steeds binnen de plaatselijke politiek en de economie heeft. Het past Mohorita niet, zo vinden veel burgers, alle andere politieke partijen en zelfs een aantal communisten, al zo kort na de smadelijke aftocht van de KPC uit de hoogste regionen van de macht een grote mond op te zetten en zelfs 'het eind van de periode van nationale verzoening' af en de heroprichting van partijcellen in de bedrijven aan te kondigen. Die partijcellen zijn decennia lang een van de pijlers geweest van de controle van de communisten op de bevolking: daarop zit men in Tsjechoslowakije niet te wachten.

Niettemin is Mohorita's aanval geen kwestie van jeugdige overmoed: de KPC voelt zich sterk. Ze is sinds de eind vorig jaar een miljoen leden kwijtgeraakt, maar ze heeft er altijd nog driekwart miljoen over en beweert zelfs 15.000 nieuwe leden te hebben geregistreerd. Zeker, na de revolutie heeft de KPC een periode van interne verwarring doorgemaakt, er zijn oude kopstukken weggezuiverd, de zondaars van de normalisatie en de dictatuur. Maar, zo vond men bij de KPC al gauw, er zijn excuses gemaakt, voor al de misere van het verleden, en er is veel goede wil om het land weer op de been te helpen, discriminatie van communisten is ook heel ondemocratisch.

Al bij de parlementsverkiezingen van juni vervloog het in november opgelopen traumaatje: veertien procent van de stemmen en 47 van de driehonderd zetels kregen de communisten, een hele meevaller en dat zonder dat men zich zoals elders van de benaming communisten had ontdaan. Zelfs Vaclav Havel zei wat de communisten nog altijd roepen: in een democratie horen ook communisten thuis, de KPC had zich in zekere zin gelegaliseerd, met die veertien procent.

Sindsdien is het zelfvertrouwen bij de Tsjechoslwoaakse communisten alleen maar toegenomen. Men heeft zich aan de vooravond van het partijcongres van volgende maand vastgelegd op mooie democratische principes, 'geen enkele partij mag een machtsmonopolie bezitten', zegt het partijprogramma, een 'terugkeer naar de status quo van voor november 1989' is niet de bedoeling, men zoekt het bij de KPC voortaan vooral bij 'de humanistische en democratische tradities van de mensheid'.

Of al die dapperheid gerechtvaardigd is is een open vraag, want de toekomst van de KPC ziet er alleen rooskleurig uit als de hervormingen stagneren: dan zou het aantal nieuwe armen en het aantal werklozen groot genoeg kunnen worden om de KPC een stevige electorale basis te verschaffen. Voorlopig zou Mohorita andere problemen aan zijn hoofd moeten hebben de leeftijdsstructuur van de partij bijvoorbeeld, want eenderde van de leden (en de meerderheid van de kiezers) is ouder dan zestig en maar zes procent is jonger dan dertig; of het probleem van een dreigende breuk, tussen conservatieven en hervormingsgezinden, en de al evenzeer dreigende opsplitsing van de partij in twee of zelfs drie regionale partijen, een Slowaakse, een Boheemse en een Moravische.

Voorlopig lijkt Mohorita wat te hoog van de toren te hebben geblazen en zijn strijdlust kan zich ook tegen hem keren. Zoals het blad Lidove Noviny dinsdag concludeerde: als de tijd van de nationale verzoening werkelijk voorbij is, hoeven de Tsjechoslowaken ook geen begrip voor de KPC meer op te brengen.