Pakistans nucleair dubbelspel loopt spaak

ROTTERDAM, 12 okt. Jaar in, jaar uit heeft Pakistan de wereld het afgelopen decennium verzekerd dat het niet bezig was kernwapens te ontwikkelen en dat zijn nucleaire activiteiten slechts vreedzame doeleinden dienden. Jaar in, jaar uit ook doken er echter meer bewijzen op van het tegendeel.

Nu is eindelijk het bewijsmateriaal zo overtuigend geworden dat ook de Amerikaanse regering, die Pakistan vele jaren het voordeel van de twijfel had gegund, er niet langer omheen kan. Anders dan landen als India en Zuid-Afrika die met een kernexplosie hebben aangetoond kernwapens te kunnen produceren heeft Pakistan dit nooit bewezen. Niettemin zijn de deskundigen het erover eens dat het land wel degelijk in staat moet worden geacht kernwapens te vervaardigen.

De Washington Post onthulde deze week dat Pakistan via verschillende kanalen tot driemaal toe tevergeefs had geprobeerd om ovens voor zeer hoge temperaturen te kopen bij het bedrijf Consarc Corp. Deze verwarmingsketels zijn geschikt voor de aanmaak van materiaal dat zuiver genoeg is voor gebruik in kernwapens. Technologisch zijn deze zelfs meer geavanceerd dan soortgelijke apparatuur die Irak deze zomer ook al vruchteloos poogde aan te schaffen in de VS.

Het Amerikaanse Congres heeft bepaald dat de Verenigde Staten geen hulp mogen leveren aan Pakistan zolang niet vaststaat dat dat niet over kernwapens beschikt. President Bush heeft dit keer niet de gebruikelijke verklaring van Pakistans goede gedrag aan het Congres verstrekt, waardoor Washingtons militaire en economische hulp per jaar een kleine 600 miljoen dollar voorlopig automatisch is gestaakt. En het lijkt twijfelachtig of die op korte termijn zal worden hervat.

Een algemeen gerespecteerde deskundige op het gebied van de verspreiding van kernwapens, de Amerikaan Leonard Spector van de Carnegie Endowment for International Peace, acht het waarschijnlijk dat Pakistan desgewenst op korte termijn zo'n vijf tot tien kernbommen zou kunnen produceren. Hiermee zou het in India, eigenlijk het enige land waartegen deze wapens eventueel zouden worden ingezet, zeker een miljoen mensen kunnen doden.

De meeste experts zijn het erover eens dat Pakistan al in de jaren zeventig onder de toenmalige premier Zulfikar Ali Bhutto begon te werken aan het verkrijgen van een eigen bom. Aan het eind van de jaren zeventig kon in de centrale bij de plaats Kahuta worden begonnen met de verrijking van uranium, die nodig is voor de produktie van kernwapens. Ook elders in het land verrezen nucleaire faciliteiten.

Pakistan schroomde niet om zonodig de betreffende kennis of onderdelen uit het buitenland te stelen. Een dubieuze rol was er in dit verband ook voor Nederland weggelegd. De Pakistaanse fysicus dr. Abdul Qadir Khan, die in de jaren zeventig werkzaam was in Nederland, kon ongestoord bij de ultracentrifuge-fabriek Urenco in Almelo allerlei geheime documenten kopieren en meenemen naar zijn vaderland. Naar verluidt vertoont de opwerkingsfabriek in Kahuta sterke gelijkenis met het Urenco-complex. Sinds 1986 zou volgens sommige bronnen in Kahuta een uranium worden geproduceerd dat geschikt was voor gebruik in kernbommen.

Nederland is overigens niet het enige land dat Pakistan (al dan niet vrijwillig) behulpzaam is geweest bij de ontwikkeling van kernwapens. In een rapport van april dit jaar noemt Spector ook firma's uit Zweden, Groot-Brittannie, Zwitserland en de Verenigde Staten die een bijdrage hebben geleverd aan het Pakistaanse programma. De laatste jaren speelden verder vooral Westduitse bedrijven en tussenpersonen een belangrijke rol.

Al geruime tijd speelt Pakistan een ingewikkeld dubbelspel met zijn nucleaire programma, waarbij het de Indiers angst probeert in te boezemen en tegenover het Westen mooi weer speelt. Zo rees er dit voorjaar, ondanks de officiele verzekeringen van het vreedzame karakter van het Pakistaanse nucleaire programma, grote bezorgdheid over Islamabads bedoelingen in de kwestie-Kashmir. Op Amerikaanse satellietfoto's viel toen duidelijk waar te nemen dat grote militaire konvooien zich van de centrale bij Kahuta naar militaire vliegvelden spoedden. Ook lieten de foto's zien dat Pakistan F-16 gevechtsvliegtuigen had uitgerust met speciale rekken waarop desgewenst kernwapens konden worden gemonteerd. Maakte Pakistan zich werkelijk gereed voor een kernoorlog met de aartsvijand India of was er slechts sprake van bluf en zat er niets bijzonders in de voertuigen die uit Kahuta wegreden?

Zekerheid hierover bestaat nog altijd niet en dit klimaat van onzekerheid paste Pakistan eigenlijk uitstekend. Tegenover het Westen bleef Pakistan echter volhouden dat het de onschuld zelve was en helemaal niets met kernwapens had te maken.

Jarenlang was de veruit belangrijkste Westerse bondgenoot van Pakistan, de Verenigde Staten, inderdaad bereid om een oogje toe te knijpen. De regering-Reagan achtte het van groter belang dat Pakistan hielp bij het verdrijven van de Russen uit Afghanistan dan of ze wellicht over kernwapens beschikten. Zonder veel omhaal vloeiden er dan ook in de jaren tachtig miljarden dollars hulp naar Pakistan.

Nadat het Rode Leger zich begin 1989 uit Afghanistan had teruggetrokken nam het strategische belang van Pakistan evenwel af. Niettemin handhaafde de nieuwe regering-Bush voorlopig de omvangrijke hulp aan het eveneens nieuwe bewind van de democratisch verkozen regering van Benazir Bhutto.

Deze putte zich uit in verklaringen over de vreedzame bedoelingen van het nucleaire programma van haar land. De kwestie van de Amerikaanse super-ovens, die zich grotendeels afspeelde voor zij werd ontslagen als premier, plaatst ook haar echter in een ongunstig daglicht. Van twee dingen een: of zij sprak bewust niet de waarheid, of en dat valt volgens Westerse deskundigen zeker niet uit te sluiten zij werd door de machtige militaire leiders verre gehouden van de nucleaire zaken.

Voor een eventuele hervatting van de Amerikaanse hulp zal vermoedelijk veel afhangen van het verloop van de Pakistaanse verkiezingen die voor 24 oktober op het programma staan. Verlopen deze volgens de Amerikanen niet democratisch (bij voorbeeld door uitsluiting van Benazir Bhutto), dan zal de animo weer hulp te geven zeer gering zijn. Het strategische belang van Pakistan is immers onmiskenbaar afgenomen. Bovendien, zoals de New York Times deze week in een commentaar stelde, de Amerikaanse regering verliest haar geloofwaardigheid wanneer ze wel uit alle macht Irak probeert af te houden van het verkrijgen van kernwapens terwijl ze tegelijkertijd Pakistan oogluikend zou toestaan om deze verder te ontwikkelen.