Een vuurtoren is niet nodig; De Bezoekers van Botho Straussbij Het Nationale Theater

Wanneer de moderne kunst begint?

Een ogenblikje, zeg ik, ik kom zo bij u.

Integendeel, zegt Strauss: de kunst begint niet bij de schrijver, moderne kunst begint altijd pas achteraf, begint wanneer de bezoeker zijn jas vraagt in de garderobe, wanneer de juffrouw van de garderobe hem vraagt de voorstelling nogmaals te bezien. De bezoeker moppert dan wel dat de toneelkunst hem niet langer de ideale mens voortovert, slechts zijn eigen dubbelganger, die redetwist over de voorstelling met de juffrouw van de garderobe. Toch laat hij zich overtuigen, keert terug naar de zaal, vervult er feilloos zijn rol. En op dat moment, in dat ondefinieerbare gebied tussen leven en theater, speelt Besucher van Strauss zich af.

Zoals niet ongebruikelijk is bij eigentijdse toneelstukken, handelt De Bezoekers over het toneelspelen zelf: over de macht en onmacht van acteurs, de functie van het theater en over de mogelijkheid om zich met elkander te verstaan. Maar doordat de 'Toeschouwer' de hoofdplot in en uit blijft lopen, ontstaat een geraffineerde afwijking van deze constructie. Toneelstuk en toneelstuk-in-het-toneelstuk geven zo niet alleen maar onderling commentaar: in het stuk zien we hoe een regisseur en drie spelers aanvang maken met de repetities van een toneelstuk over geintechnologie en inter-menselijke verhoudingen. De jonge acteur Max Steinberg heeft moeite om in zijn rol te komen, de gevestigde acteur Karl Joseph kan weinig geduld opbrengen voor de twijfels en hoge idealen van zijn tegenspeler. Spelen tot het stuk uit is en dan ophouden, vindt hij: van links opkomen wanneer je wat in je schild voert, van rechts opkomen wanneer je een oprecht gevoel hebt. Meer is de taak op het toneel niet. Voor Max ligt de zaak echter meer gecompliceerd. Hij is er wel zeker van dat hij niet weet wie hij is. Als banneling uit het Oosten probeert hij zijn oprecht gevoel in het Westen te behouden, maar hij treft het vrije Westen aan als een pretpark met spookhuizen 'waar niemand van de ander weet of hij nog een bezoeker is, dan wel een opgezet exemplaar'. Hij kijkt in de spiegel en ziet zichzelf als was hij wie dan ook: inwisselbaar. Hij wordt uitgenodigd voor een televisieoptreden, maar blijkt te zijn verward met een naamgenoot. Karl Joseph verhaspelt zijn naam. De baas van de ballengooitent lijkt op hem. Zijn vriendin Lena wil hem vertellen wie hij is, maar hij luistert niet. De door hem aanbeden actrice Edna voorspelt hem de toekomst, maar voorspelt dezelfde toekomst aan een ander.

En als Max mocht willen dat het toneel de bezoeker in het onbekende zou voeren, weg van de leugen, op naar de heiligheid, dan is het commentaar van het toneelstuk-in-het-toneelstuk voldoende om die hoop de bodem in te slaan: als de mens schept, schept hij het liefste klonen en speelt zelfs daarbij nog vals. De geintechnoloog Bruckner beweert een reuzepad te hebben gekloond? De kloon blijkt fictie. Het streven naar vooruitgang leidt tot zwendel en harteloze manipulatie. Lug und Trug.

De moderne mens, kortom, is zijn persoonlijkheid kwijtgeraakt in een ongrijpbaar bestaan, en kan niet voldoende kracht opbrengen om in de kunst aan dat bestaan nog vorm te geven. Hoorde ik ooit in een documentaire de romanticus Schubert in diepste ellende op het graf van zijn moeder zeggen: 'Das ist das Leben nicht, Frau Mutter', in onze tijd gaat de vertwijfelde Toeschouwer nog verder: 'Als dat een mooi stuk is, is mijn leven ook mooi'. En al pleit de acteur Karl Joseph voor behoud van het realisme met de woorden 'Lukt iets je daarmee, dan is het altijd dubbel gelukt', wanneer toneel te veel op het leven gaat lijken, zal er voorwaar niets dubbel lukken. Dan lopen de toeschouwers de zaal uit, beklagen zich over hun moderne leven en blijft de moderne kunst alleen achter. Mutterseelenallein. Leuk is anders.

Misleid

Alleen. Wie alleen leeft, heeft geen vuurtoren nodig. Redding is een zaak van de gemeenschap. Evenals ten onder laten gaan. Botho Strauss heeft in zijn teksten in Paare, Passanten (1981) geen mooi beeld gegeven van die gemeenschap; men probeert er in passieloze eendracht gezamenlijk te overleven, maar werkelijk begrip, echt lijden, oprechte persoonlijkheid zijn er niet te vinden. Paren, Passanten was dan ook een wreed boek. De mens viel ten offer aan de nietsontziende blik van Strauss, als een kind waarop te scherp wordt gelet. Het was tegelijk een begripvol boek, waarin om mededogen werd gevraagd voor die misleide moderne mens, zoekend naar een identiteit waar geen identiteit te vinden is, naar gezelschap waar gezelschap niet te vinden is. Theater en tekst, zei Strauss, staan zelfstandig los van het leven en zijn een ballingsoord wanneer ze het menselijk falen aantonen; een toevluchtsoord wanneer ze op eigen gezag de werkelijkheid vormen. In die zin is ook De Bezoekers ballingsoord en toevlucht tegelijk. Een vuurtoren in de gemeenschap van West en Oost. Stralend op hoop van zegen.

Gemeenschap

Om de bezoekers een ogenblik vrij te maken van het benauwende leven in de gemeenschap laat Strauss de Toeschouwer vanuit het publiek ('een miserabel publiek') door een blinde naar de vermeende veiligheid van het toneel begeleiden. Dit tot ongenoegen van de acteur Max ofschoon men hem verzekert dat de Toeschouwer helemaal niet meespeelt: die wordt slechts uit de massa gevoerd om het toneelstuk innerlijk mee te beleven. Maar moet Max dat dan maar goed vinden, wanneer de Toeschouwer bovendien verschijnt aan de arm van zijn eigen vriendin Lena, en ook nog eens sprekend op hem lijkt? De persoonlijkheidsstrijd, de nobele neurosen hebben Max inmiddels onmogelijk gemaakt op het toneel. Op aandringen van zijn collega Karl Joseph is hij vervangen, en de repetities van het toneelstuk over geintechnologie gaan door met een ander in zijn rol. Nu treft het echter gelukkig dat die ander op zijn beurt ten onder gaat aan gemeenschap en aan geestverruiming, zodat er niets anders opzit dan hem weer te laten vervangen door Max, tot ook die ten onder...

Frau Mutter! Denken we nu alle klonen tot hun ware oorsprong te hebben teruggebracht, dan grijpt Botho Strauss in via een inlas, geschreven voor een voorstelling van het stuk in Hamburg: het commentaar van het toneelstuk-in-het-toneelstuk zaait daarin nieuwe twijfel, want misschien heeft de gekloonde reuzepad van professor Bruckner inderdaad nooit bestaan, maar, aan de andere kant, je weet maar nooit, en er gaan geruchten, misschien ook wel!

Als een gedreven officier van justitie, die koste wat kost de feiten bewijzen wil en dus, zich indekkend tegen gewiekste advocaten, in de aanklacht ruim formuleert dat de misdaad plaatsvond op 'maandag, althans dinsdag', zo houdt ook Strauss hier iedere mogelijkheid staande. Door een welhaast letterlijk onnavolgbare wisseling van niveaus, de lagen en listen der fictiviteit, is het hem glorieus gelukt om het onderscheid tussen leven en theater te negeren. Om 'iets' te schrijven en niet 'over iets', zoals hij in Paren, Passanten gebiedt. Om zich los te wringen uit de greep van de gemeenschap en zichzelf naar het toneel te begeleiden waar de juffrouw van de garderobe al wacht.

'Oh nicht mehr!' roept dan de Toeschouwer ten einde raad. 'Ik wil naar huis. Niet meer spelen. Houdt het dan nooit op?'

En of het ophoudt?

Nee, ik zal de afloop niet verraden. U vindt het toch niet erg dat ik u hier met de kunst alleen laat? Kijk, volgt u de bordjes Exit. U komt er zelf wel uit.