De wonderlijke vermogens van de boomkikvors

Men zegt dat de boomkikker met zijn glanzende ogen en zijn weloverwogen sprongen uitstekend het weer kan voorspellen. Is er storm op til, dan kwaakt hij luid, maar als het gaat regenen, geeft hij geen kik. Hij voelt zich thuis in het water, maar evengoed in de weide of op de muur van mijn huis. Het liefst zit hij, eenzaam en ongezien, hoog boven de grond, tussen de boombladeren, want hij kan zich op de onder- of bovenkant daarvan vastzuigen, al naar gelang hij wil wegkruipen of zonnebaden. Hij past zich geheel aan zijn omgeving aan, die hij oplettend en waakzaam observeert. De boomkikker is een meester in het participerend observeren.

Wat zijn de vermogens van de boomkikker, die hier de essayist moet verzinnebeelden? Hij past zich meesterlijk aan de kleuren van zijn omgeving aan en kan uren onbeweeglijk op een plaats zitten. Zelfs als er gevaar dreigt, verroert hij zich niet. Alleen in geval van uiterste nood springt hij weg, en wel zo onverwacht voor de aanvaller, dat die hem niet te pakken krijgt. Je ziet hem maar zelden, maar desondanks houdt meneer alles in de gaten. Hij heeft een fijn gevoel voor het weer en de lucht- en vochtstromen. Zo nu en dan verwisselt hij het gras voor een boomtop of klautert hij op het laddertje in zijn weckglas. Doordat hij wat gevoeliger is dan andere dieren, weet hij dat zij over een tijdje zullen meemaken wat hij al voorvoelt. En omdat hij van nature extravert is, maakt hij zijn voorgevoelens luid kwakend wereldkundig.

Uitdagend

De essayist geeft weinig om de actualiteit, liever zet hij die, behaaglijk achteroverleunend in zijn fauteuil, tussen aanhalingstekens. Hij tracht zich te onttrekken aan de jongste gebeurtenissen. Doordat de elkaar in de tijd opvolgende handelingen van de mens lineair extrapoleerbaar zijn in de ruimte, ziet hij iets van wat de toekomst in petto heeft. Zonder zijn pot te verlaten vermoedt de boomkikker waarop het lawaai buiten duidt, en zijn gevoeligheid wordt niet afgestompt door de lawine van informatie die dagelijks over hem wordt uitgestort. Anders dan de journalist is hij niet op jacht naar nieuws, want al zit hij alleen maar in het gras, het nieuws komt vanzelf naar hem toe gevlogen.

Het essay is een uitdagend genre. Iemand gaat achter zijn schrijftafel zitten om publiekelijk te denken, alsof hij publiekelijk dineert. Welk een onbeschaamdheid! Hoe durft hij! Voor het publieke denken bestaan geen regels, hoogstens dat het niet vervelend mag zijn. De koorddanser daarboven mag elke beweging maken. Laat je gedachtengang zien. De geest rijdt de slotpoort uit en begint aan zijn omzwervingen. De essayist is noch gebonden door de narratio, noch door de formele logica. Hij zal zijn beweringen hoogstens aanschouwelijk maken, maar behoeft niet hun gegrondheid te bewijzen. Hij machtigt zichzelf tot het houden van een vrije en halsbrekende monoloog. Terwijl de ene zin nog hier op aarde is, stijgt de volgende al hemelwaarts, om een ogenblik later weer neer te dalen. Het denken is een esthetische daad.

De essayist heeft de moed vanaf het nulpunt te vertrekken. Hij spreekt alleen uit eigen naam en heeft niets buiten zichzelf om zich aan vast te klampen. Doodgewone zaken slaat hij met kinderlijke verwondering gade, alsof hij ze voor de eerste keer in zijn leven ziet. Een lange namiddag kunnen ronddwalen in een hem onbekende stad is voor hem een groot geschenk. Kruip in de huid van de eerste de beste voorbijganger! Tijdens de wandeling blijven zijn ogen nu en dan ergens op rusten en ten slotte gaat hij een cafe binnen en neemt plaats aan een tafeltje. Gezichten trekken langs hem voorbij. Het bijbehorende verhaal staat erop geschreven. Achter de abstracte fraseologie ziet hij de naakte werkelijkheid van het menselijk gedrag. Om scherp te kunnen zien heb je ook enig dadaisme nodig: leedvermaak om het ineenstorten van slecht gefundeerde bouwwerken. Als het arrogante gezichtspunt van het kind aan het spel ontbreekt, neem je het decor te serieus.

Van nulpunt naar nulpunt en intussen ging het leven voorbij. De essayist is geen zielenherder. Hij vindt het leven mooi en de vergankelijkheid gruwelijk en hij ervaart het dagelijkse gebeuren als een samenspel van leven en dood. De boomkikker luistert naar verre geluiden. Met zijn ene oor hoort hij vreugdegejubel, met het andere rouwklachten. In overwinningen ziet hij nederlagen, in verwezenlijking mislukking. Met het verstrijken van de jaren wordt hij zelf verwezenlijkt. Hij heeft al zoveel meegemaakt en gehoord. Maar welke kikker is daar nu blij om? Liever neemt hij nog een sprongetje en kwaakt wat in de invallende duisternis.

(Vertaling: Henry Kammer)