De uitvinding van het kind

'Ongetelde, traag voorbijkruipende eeuwen lang werden kinderen ondervoed, aangerand, uitgebuit en verkocht'. Rudy Kousbroek hield afgelopen dinsdag aan de vooravond van de Kinderboekenweek een lezing over de wreedheden die kinderen vroeger werden aangedaan en onze veranderde kijk op kind en opvoeding. 'Zijn wij zelf moreel beter geworden of leven wij alleen maar in verbeterde omstandigheden?'

Vorig jaar begon in NRC Handelsblad een serie columns te verschijnen over kinderen. Ze waren ondertekend met de naam Victorine Franken en het waren stuk voor stuk doordachte en verrassende beschouwingen. Anders gezegd, niet bestaand uit de modieuze cliches en idees recuesues die dit gebied zo gangbaar zijn, en niet afkomstig van iemand met een bekende naam.

Kortom het ideale recept om niet te worden opgemerkt, en dat is dan ook niet gebeurd: voor zover ik weet hebben deze columns nergens commentaar uitgelokt en heeft niemand er ooit iets uit geciteerd. En toch stonden ze vol opmerkingen en gedachten die ik nooit ergens anders ben tegengekomen, en waarvan verschillende mij levendig zijn bijgebleven. Subtiele observaties ook, zoals het feit dat dierennamen 'op een aangrijpende manier verkeerd kunnen zijn' met als correlaat dat wanneer een geliefd huisdier is weggelopen, bij alle zorgen en verdriet ook nog de ondraaglijke gedachte komt dat de nieuwe eigenaars het dier een andere (en dus verkeerde) naam zullen geven.

Of het verdrietige inzicht dat het niet mogelijk is extra van een bepaald ogenblik te genieten, ook als je op het moment zelf al weet dat je er later naar terug zult verlangen. Dat is als een geheim, alleen aan sommige ouders bekend, net als de merkwaardige ontdekking omtrent oude kinderfoto's: dat het er nauwelijks toe doet wie er op staan.

Een andere door Victorine Franken geformuleerde niet alledaagse gedachte luidt: 'ga nooit verder dan een eeuw terug als kind'. Goed beschouwd is dit een van de meest hartverscheurende constateringen die over de menselijke geschiedenis kunnen worden gemaakt. Wie deze gedachte nooit zelf heeft gehad zal misschien niet eens begrijpen wat er mee wordt bedoeld; het slaat op het solitaire spel dat bijna iedereen wel eens speelt: je voorstellen dat je kunt kiezen in welke eeuw je had willen leven; teruggaan naar een andere tijd en een andere plaats.

Iets waarin veel mensen zich al nauwelijks verdiepen is of je dan man of vrouw zou zijn en tot welke bevolkingsgroep je zou behoren: 'Wie het Athene van de vijfde eeuw v. Chr. bestelt verlangt naar het leven van een aristocraat met bijbehorend inkomen en Griekse neus, niet naar het bestaan van slaaf'. Maar waar vrijwel niemand ooit aan denkt is wat je te wachten zou staan als je in de tijd terugging als kind.

Het begint langzaam tot de (westerse, 20ste-eeuwse) mensheid door te dringen: de manier waarop tot nog betrekkelijk kort geleden met kinderen werd omgesprongen is een onvoorstelbare, zich in de nevelen der geschiedenis verliezende nachtmerrie. Ongetelde, traag voorbijkruipende eeuwen lang werden kinderen 'ondervoed, aangerand, uitgebuit en verkocht', als ze niet eenvoudig en zonder dat iemand zich er druk om maakte werden uitgeblazen als kaarsen; vooral dat laatste: het gemak en de vanzelfsprekendheid waarmee men zich van kinderen ontdeed, dat is voor ons volkomen onvoorstelbaar.

Twee zoontjes

Kinderen waren je eigendom, je kon er mee doen wat je goeddunkte. John Boswell, in The kindness of strangers, The Abandonment of Children in Western Europe from Late Antiquity to the Renaissance, citeert als voorbeeld het geval van een weduwe die haar twee zoontjes doodmaakt omdat haar nieuwe echtgenoot ze 'niet goed gezind' was. Zulke dingen waren zo gewoon, dat ze nauwelijks werden vermeld. Aan kindermoord, schrijft Victorine Franken, werd geen woord vuil gemaakt behalve wel eens door auteurs die er voor waren.

'Zo vond Aristippus dat een man met zijn kinderen mocht doen wat hij wilde, want 'we ontdoen ons immers ook van ons speeksel, onze luizen en dergelijke, omdat we daar niets aan hebben, terwijl die toch ook uit onszelf voortkomen'. 'Overigens', vervolgt Franken, 'staken Grieken en Romeinen zelfs op dit punt nog gunstig af bij de aanpalende Barbaren. Die offerden kinderen aan de goden, en metselden ze in de fundamenten van gebouwen en bruggen om zo'n bouwwerk een fortuinlijke start te geven.' Dit slaat vermoedelijk vooral op de Carthagers, die hun eigen of van armen gekochte kinderen offerden, zoals Plutarchos beschrijft; de details zijn vaak zo verschrikkelijk dat je je afvraagt hoe mensen tot zulke dingen in staat waren.

En dat is het eigenlijke grote raadsel: de oninvoelbaarheid van deze instelling. Wat Victorine Franken hierover opmerkt omschrijft het heel nauwkeurig: 'De moraal van die praktijken onttrekt zich volledig aan ons begrip, zonder dat wij ons er af kunnen maken met 'andere tijden, andere zeden'. Tegelijk met die dagelijkse babymoord debatteerde om de hoek Socrates over morele kwesties die ons nog volop interesseren, met argumenten die wij in detail kunnen volgen. Maar aan kindermoord werd geen woord vuil gemaakt.'

Nog eeuwenlang zal dat zo blijven. Philippe Aries, de schrijver van L'enfant et la vie familiale sous l'ancien regime, schrijft in het voorwoord tot de editie van 1973: 'Als ik dit boek opnieuw moest schrijven, zou ik aandacht schenken aan het feit dat kindermoord tot het einde van de zeventiende eeuw werd toegestaan een belangrijk gegeven, waarover langzamerhand meer bekend wordt. Kindermoord was niet geoorloofd officieel was het een streng bestraft misdrijf. Maar het gebeurde, en waarschijnlijk regelmatig, in het geheim; het werd gecamoufleerd als ongeluk; kinderen sliepen bij hun ouders in bed en stikten dat kan immers gebeuren. Men deed niets om ze te beschermen of te redden. (Flandrin heeft laten zien dat de afname van kindersterfte in 17de eeuw niet verklaard moet worden uit verbeterde levensomstandigheden, maar uit het verdwijnen van dit gebruik.) Dat de natuur geholpen werd bij het doen verdwijnen van (kinderen) werd niet goedgekeurd, maar toch ook niet beschouwd als iets schandelijks. Het behoorde tot de moreel neutrale dingen die door de zedenleer van kerk en staat werden veroordeeld maar die toch gebeurden, in het geheim, half bewust, half gewild, half uit onnadenkendheid of onhandigheid. Het leven van een kind deed er nog niet zoveel toe.'

Romeinen

Veel kinderlevens werden goed beschouwd gered door het gebruik kinderen te vondeling te leggen of te verhandelen, zoals de Romeinen deden. Minder bekend is dat dit gebruik nog eeuwenlang in West-Europa heeft bestaan. Boswell vestigt de aandacht op het zonderlinge argument dat door de vroege kerkvaders tegen prostitutie werd gebruikt, namelijk dat de geprostitueerde je eigen zoon, dochter, broer of zuster zou kunnen zijn en dan zou je dus ongewild de zonde der incest bedrijven. Waar deze waarschuwing als vanzelfsprekend van uitgaat is dat in vrijwel elke familie wel een of meer kinderen te vondeling werden gelegd; dat was zo algemeen dat er verder niet over wordt gesproken en het wordt ook kennelijk niet veroordeeld; het is de incest die de afkeuring oproept.

Wat dat voorschrift ook als bekend veronderstelt is dat die kinderen in de prostitutie terecht kwamen. 'Wij zijn van mening', schreef Justinus, 'dat het verkeerd is zelfs pasgeborenen te vondeling te leggen, omdat wij hebben waargenomen dat bijna al deze kinderen, zowel jongens als meisjes, geprostitueerd zullen worden'. Ook hierin is weer te voelen dat het niet dat te vondeling leggen is, dat afkeurenswaardig wordt gevonden; zonder die prostitutie, zo krijg je de indruk, zou er nauwelijks iets tegen zijn. Er zijn aan die Christelijke waarschuwing tegen incest nog twee verdere gevolgtrekkingen vast te knopen: dat kinderprostitutie zich kennelijk in een aanzienlijke klandizie mocht verheugen, maar ook dat de meeste te vondeling gelegde kinderen blijkbaar overleefden; dat dat zo was blijkt ook uit andere dingen en dat is dan een soort lichtpunt.

Er staat tegenover dat van die overlevende kinderen sommige opzettelijk verminkt werden, om medelijden op te wekken en zo de kost te kunnen verdienen als bedelaar. Boswell citeert een personage uit de Controversiae van Seneca, die zegt dat elke ouder die over het Forum langs de verminkte expositi loopt bang is dat een van hen hun eigen te vondeling gelegde kind is.

Zo kropen de eeuwen voorbij. Uit documenten uit Italie in de zevende eeuw blijkt dat kinderen ook toen nog gewoon gebruikt werden als betaalmiddel en bijvoorbeeld ook konden worden gegeven als schadevergoeding. In de vroege middeleeuwen ontdeed de plattelandsbevolking zich van kinderen door ze te verkopen; er is geen enkele aanwijzing, aldus Boswell, dat dit noodgedwongen gebeurde: geen armoede of hongersnood of oorlog.

Beton

Hielden de mensen dan niet van hun kinderen? In die vorm is deze vraag onhandelbaar als beton; je komt in dit verband wel beschouwingen tegen over het niet bestaan van moederliefde in het verleden (of, omgekeerd, als moderne delusie), maar dat lijkt mij onzinnig. Over gevoelens in andere culturen zijn bijna geen uitspraken te doen; het is mij bijgebleven dat de Portugese schrijver Rentes de Carvalho, die een paar subliem geobserveerde boeken over Nederland heeft geschreven, tot de conclusie kwam dat tussen Nederlandse ouders en kinderen bijna geen liefde bestaat. Nu zijn de Nederlanders inderdaad een gevoelsarm en liederlijk volk, maar toch denk ik dat Rentes zich hier vergist. Soortgelijke opmerkingen heb ik ook wel van Indonesiers gehoord, en dan is het misverstand soms transparanter: hun conclusies zijn dan bijvoorbeeld gebaseerd op het feit dat wij meestal weinig, of erger nog: soms helemaal geen kinderen hebben, of dat wij onze bejaarde ouders niet thuis houden maar in tehuizen onderbrengen.

Zo ook wat betreft die moederliefde als moderne uitvinding. Ook hierover maakt Victorine Franken een verrassende observatie, als zij opmerkt dat de mensen die 'oorspronkelijk en eigenwijs genoeg' zijn om zich daarin te verdiepen zich eigenlijk toch weer identificeren met de ouders en niet met de kinderen. Als men nu beslist ergens een moderne uitvinding in wil zien dan is er iets dat daarvoor veel meer in aanmerking komt: het kind zelf. Iets in die geest is de these van Philippe Aries, de al eerder genoemde schrijver van L'enfant et la vie familiale sous l'ancien regime. Aries noemt het kind een recente ontdekking en voert daarvoor frappante argumenten aan, zoals het feit dat er in de middeleeuwse kunst geen afbeeldingen van kinderen worden gevonden. In de Romaanse tijd en nog tot het einde van de 13de eeuw worden kinderen afgebeeld als verkleinde volwassenen, kleine grote-mensjes. Het opmerkelijke is dat in de Griekse kunst kinderen wel als kinderen werden weergegeven, maar 'met de andere hellenistische thema's verdween ook het kind uit de iconografie; net als de oude tijd voor het hellenisme wijst ook de romaanse kunst daarna de typisch kinderlijke trekken af. Dit is meer dan een simpele coincidentie; hier zijn we in een wereld die het kind niet kent. De literatuurgeschiedenis wijst op dit zelfde verschijnsel in het epos: daar treden wonderkinderen op met de moed en de lichaamskracht van helden. Dat betekent ongetwijfeld dat de mensen van de tiende, elfde eeuw geen oog hadden voor de verschijning van het kind, dat het kind voor hen niet belangrijk en zelfs niet werkelijk was. Dat doet verder vermoeden dat niet alleen in de esthetische weergave, maar ook in het dagelijks leven, de kindertijd een overgangstijd was, snel voorbij en even snel vergeten.'

Knechtje

Er zijn nog allerlei andere argumenten, zoals de onduidelijke terminologie voor het begrip kind, de verschillende woorden die door elkaar werden gebruikt, waarbij ook opvalt dat deze woorden weer vaak samenvallen met die voor dienaar en slaaf (zoals het woord 'knechtje' in de bijbel, waar ik mij als kind al over verwonderde). Er was het ontbreken, in de scholen, van het inzicht dat er voor kinderen verschillende ontwikkelingsfasen bestaan; Aries citeert een beschrijving van een leraar die 'een ontelbare schare van scholieren jong en oud het hoofdstuk over de constructie voorleest uit Doctrinale van Alexandre de Villedieu' en vervolgt: 'Hoe kon het ook anders. De lesprogramma's waren niet onderverdeeld naar moeilijkheidsgraad. Het enige verschil tussen ouderen en jongeren was dat de ouderen voor de zoveelste keer herhaalden wat de jongeren voor het eerst hoorden'. Er was het ontbreken van seksuele taboes: geen onderwerp dat ongeschikt werd gevonden voor kleine oren, geen passages in de literatuur die kinderen niet mochten lezen; pas tegen het einde van de 16de eeuw komt daar verandering in. 'Bepaalde opvoeders kregen gezag, hun opvattingen en morele bezwaren vonden definitief gehoor. Zij duldden niet langer dat kinderen dubieuze boeken in handen kregen. De eerste gekuiste kinderuitgaven van klassieke boeken begonnen te verschijnen. Een zeer belangrijke fase, want vanaf dit moment af kunnen we inderdaad spreken van eerbied voor het kind. Wij zien die zorg in dezelfde tijd ontstaan zowel bij katholieken en protestanten, in Frankrijk en in Engeland.'

Een parallelle ontwikkeling volgt de voorstelling van de ziel als ingebakerd kind. 'Dat de ziel van de zalige', aldus Aries, 'werd voorgesteld als kind moeten we in verband brengen met onze observaties over kindermoord en doop. Bij de middeleeuwse spiritualisten genoot de ziel van de uitverkorene dezelfde benijdenswaardige onschuld als het gedoopte kind, ofschoon het kind in werkelijkheid eerder een stuk speelgoed was dan een wezen dat genegenheid opwekte. Het is opmerkelijk dat vanaf de zeventiende eeuw, waarin het kind voor het eerst werkelijk als kind wordt afgebeeld, de ziel niet meer als kind wordt voorgesteld.'

Affectie

Die visie op kinderen als een stuk speelgoed heeft het overigens nog lang uitgehouden, en wie zou durven zeggen dat het ook in werkelijke affectie helemaal afwezig is? Een merkwaardig voorbeeld is de volgende passage, uit een van Mme de Sevigne's brieven aan haar dochter, over haar kleindochter: 'Ik lees over de ontdekking van Indie door Christoffel Columbus, uiterst boeiende lectuur: maar uw dochter bevalt me nog beter. Al een uur speel ik met uw dochter; ze is lief. Ik ben gek op haar. Ik heb haar haren laten knippen, een kroeskopje, het staat haar geweldig. Haar huis, haar hals, haar lijfje zijn prachtig. Ze doet honderd-en-een dingen, ze streelt, ze slaat een kruis, ze vraagt vergiffenis, maakt reverences, kust je hand, haalt haar schouders op, danst, vleit, pakt je kin: kortom een schat in ieder opzicht. Ik ben er uren mee bezig.' Iets van die speelgoedvisie klinkt daar nog in door, maar zoals Aries opmerkt komt het toch als een verrassing wanneer Mme de Sevigne daarna schrijft over het gevaar van besmettelijke ziekten en besluit: 'Het zou jammer zijn als ze doodging.' Wat sneu. Quel dommage.

En toch beoordelen we dat misschien verkeerd; de moeilijkheid is dat de kinderen toen ook werkelijk vaak doodgingen; geen ouder die niet een of meer van zijn kinderen had zien sterven. Ook dat valt buiten ons voorstellingsvermogen, maar de toenmalige ouders moesten het er op een of andere manier mee zien uit te houden. Gewenning aan al dat sterven impliceert ongetwijfeld verharding en meer afstand; 'Twee of drie kinderen heb ik als zuigeling verloren', schreef Montaigne, 'niet zonder spijt, maar zonder verdriet.' Wie durft te zeggen wat berusting is en wat onverschilligheid? 'Men kon het zich niet veroorloven zich al te zeer te hechten aan iets dat men waarschijnlijk toch weer kwijtraakte', is de klassieke uitleg die Aries daarbij geeft.

Zijn wij zelf moreel beter geworden of leven wij alleen maar in verbeterde omstandigheden? De traditie van wat Montaigne al omschreef als 'aapjeskijken' is bijvoorbeeld niet verdwenen. In het verschijnsel van de kinder- en kleutermode in onze huidige samenleving zijn duidelijke trekken te herkennen van de manier waarop vroeger kinderen als een amusant soort speelgoed werden gebruikt. 'Kleren zoals Indianen in een reservaat ze dragen voor de toeristen', noemde Beatrijs Ritsema het nog onlangs, maar dat is nog veel te mild. Als je hoort van haute couture voor kinderen, of, wie bedenkt het, van 'kinderparfum', dan kan ik daar alleen maar een recidive in zien van het harteloze en barbaarse egoisme waarmee kinderen in het verleden werden bejegend. Mode is werkelijk iets verachtelijks. Het Septembernummer van Elle bracht, onder het hoofd 'Fantasie op de vlucht' en 'Ontwerpers laten zich inspireren door Oost-Europa', de zogenaamde 'Vluchtelingen-Look'. De reportage, schreef de Volkskrant, 'bevat zwart-wit foto's van treurig kijkende vrouwen met in hun kielzog huilend klein grut, want moeder vlucht natuurlijk niet alleen'.

Tien geboden

Voor onze voorouders was er nog het excuus van de religieuze traditie. Zo luidt een van de tien geboden dat kinderen hun ouders moeten eren, maar van enig gebod hoe ouders hun kinderen moeten behandelen is geen sprake. Integendeel, de Bijbel is een aaneenschakeling van kinderoffers de koning van Moab die zijn oudste zoon offert (2 Koningen 3: 27), Jephta die zijn enige dochter doodt (Richteren 11: 30-40) ouders die (in weerwil van wat Stefan Themerson zo graag wilde geloven) hun kinderen opeten (Leviticus 26: 29; Deuteronomium 28: 53-56; 2 Koningen 6: 28-29), Hagar en Ismail die de woestijn in worden gestuurd om te sterven (Genesis 16), Lot die zijn dochters het woedende gepeupel aanbiedt (Genesis 19), om maar te zwijgen van kinderen die in biezen kistjes in de Nijl worden gelegd (Exodus 2) of door hun broeders als slaaf worden verkocht (Genesis 37).

Dat wat in West-Europa een menselijker houding tegenover kinderen heeft doen ontstaan was, vrees ik, minder het Christendom dan de herontdekking, met de Renaissance, van het klassieke, vooral Griekse kennisideaal. Dat is intrigerend, want in de Griekse cultuur werd, zoals we gezien hebben, ook niet bepaald teerhartig met kinderen omgesprongen. Toch is de verandering onmiskenbaar verbonden aan het doordringen van een manier van denken afkomstig uit de oudheid. In de beeldende kunst beginnen afbeeldingen van kinderen op te duiken die er steeds meer uitzien als echte kinderen, duidelijk naar Griekse voorbeelden: 'alles wijst er op dat het realistisch uitbeelden van kinderen, of het idealiseren van het bevallige, mollige kind, een bijzonderheid is van de Griekse kunst', zoals Aries schrijft: 'onmiskenbaar een nazaat van de hellenistische Eros.'

Een menselijke, aan hun eigen karakter rechtdoende visie op kinderen was in de Griekse cultuur ook niet totaal onbekend. In de prachtige Spiegel van de Griekse poezie, van Hans Warren en Mario Molegraaf, kan men bijvoorbeeld verrast worden door gedichten als het volgende:

Bokje, de kinderen tuigden je op

met purperen teugels,

hebben je bek en je sik

in een muilband gestrikt,

en nu drijven ze jou in galop

steeds rond om de tempel;

paard ben je nu, en zij

ruiters, kinderlijk blij.

Dit is een gedicht uit de derde eeuw v. Chr., van de dichteres Anyte, die ook ontroerende en heel modern aanvoelende gedichten over dieren heeft geschreven (in dezelfde bloemlezing: 'Op een dode haan', 'Op een gesneuveld paard'); ook liefde voor dieren is in mijn oog een geruststellend teken van civilisatie verwant aan, of wortelend in dezelfde aarde als liefde voor kinderen.

Milder

De meer humanitaire behandeling van kinderen kwam uit de Renaissance voort zoals de Verlichting daaruit is voortgekomen; tegelijk met de Verlichting, of als onderdeel ervan, begint het beeld van het kind te ontstaan zoals wij het nu kennen. De schoolregimes worden milder en er begint belangstelling te ontstaan voor wat gezien wordt als het eigen karakter van kinderen. In de woorden van Aries: 'De oude schooltucht werd losgelaten omdat men anders tegen de kindertijd begon aan te kijken. Het kind werd niet zozeer tegenover de volwassene gesteld als wel beschouwd als een wezen dat opgevoed moest worden tot volwassene. En dat opvoeden ging niet op stel en sprong en ook niet met geweld. Deze visie zou in de 19de eeuw op alle fronten triomferen.'

Dat is misschien toch nog iets te optimistisch uitgedrukt; werd niet nog in de 19de eeuw in Engeland een elfjarig meisje veroordeeld tot de strop en ook werkelijk opgehangen, voor het stelen van een brood? Her pinafore, aldus een beschrijving, was soaked with her tears. Maar inderdaad, grosso modo wordt, in de 19de eeuw of nog later, het leven voor kinderen eindelijk zo dat je je als tijdreiziger, zoals Victorine Franken schreef, in hen durft verplaatsen.

Zij verbindt daar een conclusie aan die op het ogenblik allerminst in de mode is, maar die mij uit het hart is gegrepen, en dat is de conclusie dat er in de wereld vooruitgang bestaat. Het tegendeel is niet vol te houden zonder zich voor wat er met kinderen gebeurde eenvoudig af te sluiten, zoals tot voor kort ook feitelijk werd gedaan; en het lot van kinderen is natuurlijk ook niet een geisoleerd en op zichzelf staand verschijnsel. Deze evidentie kan geexalteerde achteruitkijkers en verfoeiers van de idealen der Verlichting niet genoeg onder de neus worden geduwd. 'Geloven in de Vooruitgang geldt als naief', schrijft Franken. 'Maar het is moeilijk iets van de geschiedenis van de kindertijd tot je te laten doordringen zonder gelovig te worden. Twee wereldoorlogen hebben de reputatie van deze eeuw grondig bedorven. Maar is het redelijk om een eeuw te beoordelen op haar oorlogen, in plaats van op haar alledaagse praktijken? Alle oorlogen zijn altijd en overal verschrikkelijk, maar het dagelijks leven van een Europees kind laten we niet de hele wereld op een stukje krantepapier proppen is nu vergeleken bij vroeger een paradijs.'

1) Victorine Franken, 'Spuug en luizen', NRCHbl 2-3-1990.

2) John Boswell, The kindness of strangers, The Abandonment of Children in Western Europe from Late Antiquity to the Renaissance. Pantheon Books, New York 1988, in het Nederlands vertaald als Overgeleverd aan vreemden. Uitg. Balans 1990.

3) Philippe Aries, L'enfant et la vie familiale sous l'ancien regime, voor het eerst gepubliceerd in 1960; een Nederlandse vertaling, gemaakt naar de uitgave bij Le Seuil uit 1973, verscheen onder de titel De ontdekking van het kind. Uitg. Bert Bakker 1987

4) 'Bokje', Anyte van Tegea, dichteres van epigrammen, ca 300 v Chr., vertaling M. d'Hane-Scheltema, in: Spiegel van de Griekse poezie, samengesteld door Hans Warren en Mario Molegraaf. Uitg. Meulenhoff 1988.