De romantiek van de laatste reis

Iedereen koestert zijn eigen voorstelling van de dood en als hij dat zegt, trekt een droeve glimlach over het gezicht van de Haagse begrafenisondernemer Leen Jol. Laat de mensen maar een wierookstokje branden voor een ontvallen geliefde, laat ze zwelgen in hun fantasie. De dood is het raadsel achter het leven, misschien is de zin van het leven zelfs de dood. Maar dat is niet genoeg.

Het ontbreken van een verklaring stoort, dus wordt naar aanwijzingen gezocht om het toeval te duiden. Voor de een is het de zwarte kraai die onheil sticht in het huis waar de vogel op neerstrijkt. Een ander slaat de schrik om het hart als er een haan kraait terwijl een vrouw nietsvermoedend een deuntje fluit. En een derde houdt bij hoog en laag vol dat kort voordat andermans stervensuur sloeg een man met een zwarte kap over het hoofd en een zeis over de schouder door de straat sjokte.

Jol hoort nergens meer van op. Hij groeide op met de dood, zijn vader was ook begrafenisondernemer. Na het plotselinge overlijden van Jol-senior nam junior de zaak over.

Hij verzamelt kunst. Prenten om precies te zijn. En nog preciezer: prenten die over de dood gaan. Hij verzamelt boeken, liefst antiquarisch en zeldzaam, mits de dood er een hoofdrol in speelt. Jol is nu eenmaal verknocht aan zijn vak.

Hij zou langzamerhand ook een boek kunnen schrijven; hij ontkent niet dat hij met die gedachte speelt. Wat hem boeit is de oude gedachte dat een overledene onmiddellijk met alle denkbare middelen tegen duivelse invloeden moet worden beschermd.

Spiegel

Op Scheveningen bijvoorbeeld als rechtgeaard Hagenaar zegt Jol 'op' en niet 'in' Scheveningen worden de spiegels nog steeds omgedraaid of bedekt als de overledene thuis ligt opgebaard. Kwestie van bijgeloof: wie de dode via een spiegel in de ogen ziet zou kort daarop zelf het leven laten. De klokken in het huis worden stilgezet totdat het stoffelijk overschot geborgen is. In orthodox-protestantse kring, zoals op Scheveningen, moet dat zo vlug mogelijk gebeuren. Jol heeft er vaak heel wat mee te stellen, zegt hij. Bij een sterfgeval op donderdagmiddag bij voorbeeld moeten de ceremonieen volgens de familie op zaterdag al zijn afgewikkeld. Het ontzielde lichaam een weekeinde laten 'overstaan', zoals dat in vaktermen heet, wordt door de nabestaanden als een ramp beschouwd. Jol probeert hun dan aan het verstand te brengen dat het meestal niet anders kan, maar doorgaans is onbegrip zijn loon.

Het heeft uiteindelijk allemaal met de duivel te maken. De duivel moet elke kans worden ontnomen om bij de dode te komen. Vandaar het rooster bij de ingang van het kerkhof: daar zakt satan met z'n bokkepootjes doorheen. Vandaar ook de lakens voor de ramen van het sterfhuis: dan kunnen de boze geesten niet naar binnen kijken. Jol herinnert zich de tijd dat op Scheveningen overal in de straat de lakens voor de ramen gingen als een buur was overleden. Er werd gezegd dat iedereen uit solidariteit mee rouwde, maar intussen weet Jol beter. De straat was bang dat de rondzwervende geesten op zoek naar het huis van de overledene per ongeluk bij iemand anders naar binnen zouden glippen.

Klokluiden, ook zoiets. Niemand staat er nog bij stil, zegt Jol, maar dat luiden van de klok diende aanvankelijk om de geesten op een afstand te houden. De begraafplaats Eik en Duinen, die Jol exploiteert, is uitgerust met een klein klokje dat bescheiden klepelt als een rouwstoet voorbij schrijdt. 'Daar gaat de bel voor de laatste ronde', grapte een medewerker van de firma onlangs en Jol kon er om lachen. Moet kunnen, zo'n mopje, vindt hij. Er is immers niets menselijker dan de dood en alles wat daarmee te maken heeft.

De oude volksgebruiken staan op punt van verdwijnen, stelt hij vast. Waar het geloof in God afneemt, valt voor de duivel niets meer te halen. Het uitsterven van die rituelen vindt Jol 'ergens wel jammer'. Een beetje bijgeloof geeft 'jus en romantiek' aan het leven en de dood. Nu dreigt het de kille, onpersoonlijke en vooral zakelijke kant uit te gaan. Vroeger mochten een moordenaar en een ongedoopt kind niet op gewijde grond worden begraven. Hoor je ook niemand meer over, zegt Jol. Op zijn eigen begraafplaats zou hij de laatste rustplaats van beruchte Haagse criminelen kunnen aanwijzen. Hij heeft nooit enig bezwaar van nabestaanden vernomen als een graf werd gedolven in de nabijheid van een graf van iemand die eigenlijk niet in gewijde grond begraven had mogen worden.

Kaarslicht, vergeet de rol van kaarslicht in de dodencultuur niet! Leen Jol heeft er boeken en prenten over, die hij graag wil laten zien. Het is opnieuw hetzelfde verhaal: het licht van de kaarsen moest duivelse machten op de vlucht jagen. De richtlijnen dienaangaande stammen uit de elfde eeuw. Toen Karel de Grote was gestorven, moesten ze zelfs een gat in het dak van de rouwkamer boren om de warmte kwijt te raken van de zeventienhonderd ontstoken kaarsen. Dat staat allemaal in de boeken. In Noord-Brabant kennen ze nog het 'belucht' en het 'dubbel-belucht'. Bij 'belucht' brandt het aantal kaarsen in de kerk dat de overledene in jaren heeft bereikt. Bij 'dubbel-belucht' is dat twee keer zoveel.

De begrafenisondernemer wijst op de bijzondere betekenis die aan het doodshemd wordt toegekend. Hoewel, dat wordt ook minder. Tot aan het begin van deze eeuw hoorde een lijkkleed bij de uitzet die een jonge bruid bij haar huwelijk cadeau kreeg. Die japon mocht niet te lang zijn, om het gevaar van struikelen bij de wederopstanding te voorkomen. Jol kent een plaatsgenoot die een verzameling van deze speciale kledingstukken aanlegde. De fabricage van het doodshemd is weer een bron van bijgeloof op zichzelf. Zo wil de overlevering dat wanneer het op een zondag is gemaakt, degene voor wie het hemd bestemd is niet dood kan zo lang hij of zij dit draagt. Maar de naaister die op zondag een doodshemd maakt staat volgens een hemelbrief (die vanuit de hemel neerkwam in Jeruzalem of Rome) zware straffen te wachten.

Het klassieke lijkhemd werd om het dode lichaam heen genaaid. Een gevaarlijk werkje, vooral omdat de naald waar dat mee gebeurde besmet kon zijn door aanraking met dolende geesten die bezit van de overledene probeerden te nemen. Die naald moest in stukjes mee de kist in of in het vuur worden geworpen.

Dodendans

Drie keer met de kist om de kerk heen lopen voordat er begraven wordt in sommige Friese dorpen doen ze het nog, volgens Jol. Vroeger gebeurde dit ook wel in danspas: de dodendans. Zo werd een magische cirkel getrokken, alweer met de bedoeling om geesten op een afstand te houden en de dode te beschermen tegen kwalijke invloeden uit de wereld van de levenden.

De oude rituelen zijn grotendeels verdwenen, maar met de komst van de etnische minderheden kwamen er nieuwe voor in de plaats. De Chinezen steken vuurwerk af, hindoestanen laten het moment van crematie bepalen door een priester (die de stand van de maan en de sterren bij zijn berekening betrekt) en moslims geven hun doden geld, haarlokken en foto's mee op hun reis naar het hiernamaals. Jol heeft er geen moeite mee. Van hem kan en mag het allemaal. Zolang er geen staaf dynamiet is bijgesloten in de kist die naar de verbrandingsoven verdwijnt, is er wat hem betreft niets aan de hand.

Zelf is Leen Jol absoluut niet bijgelovig, zegt hij. Zeker, hij draagt een zwart pak als hij in functie is. Maar dat heeft niets met bijgeloof te maken. Zwart is nu eenmaal de kleur van de rouw. Daar steekt niets achter. Dat is gewoon altijd zo geweest.

Tekening Ron van Roon

    • Rudie Kagie