De laarsjes van de allerschoonste; Liefdesroman van Willem Brakman

Wie vooral houdt van verhalen die zich goed laten samenvatten en waarin personages optreden van vlees en bloed, zal zich waarschijnlijk niet zonder slag of stoot gewonnen geven aan het werk van Willem Brakman. Ik wil hier natuurlijk niet de indruk wekken dat zijn romans en verhalen, hoe ijl en onthecht soms ook, nergens over zouden gaan en ook is het bepaald niet zo dat het Brakman-personage ook maar iets menselijks vreemd zou zijn, maar men krijgt, om zo te zeggen, niets cadeau. Wie niet op zijn hoede is, raakt gemakkelijk het spoor bijster. Brakmans wegen zijn kronkelig en niet altijd even doorgrondelijk. De wereld die hij oproept is weinig tastbaar, omdat zij niet is samengesteld uit aanwijsbare feiten, maar uit een veelheid aan nuances, associaties, details en stemmingen. Er valt, met een onmogelijk woord, meer sfeer dan realiteit te ontdekken in zijn werk, meer geest dan lichaam. Geen mens, geen ding blijft zichzelf als Brakman er zijn geestesoog eenmaal op heeft laten vallen. Op een buitenstaander mag dit misschien een wat vermoeiende indruk maken, maar ik geloof dat in dit onophoudelijk doordringen en naar eigen hand zetten zowel de ziel als voor de taalproever de zaligheid van zijn schrijverschap gelegen is.

Enig houvast is er voor wie al eerder iets las van Brakman, want steeds keren bepaalde motieven terug: de onvervulde liefde voor zeer bleke dames met koude handen, de afschuw van vroegere onderwijzers, het vooroorlogse Den Haag, een heer met hoed en wandelstok die zich graag in de bosjes schuil houdt, het verlangen te behoren tot 'de hogere kringen'.

Ook in zijn nieuwe roman, Van de in hoger kringen verliefde, bekommert Brakman zich weinig om het zichtbare, maar verplaatst hij zich met verve in 'binnensten', niet alleen van mensen, maar ook van situaties en dingen. Een parketvloer is bijvoorbeeld niet gewoon glad, maar 'aalglad', een baard is 'dubbelzinnig', want verdeeld in twee 'opruiende' sikken, een gezicht is 'overdreven' gegroefd, een hoofd 'al te nadrukkelijk' gebouwd, 'zo'n hoofd waar beginners vaak in vluchten op boetseercursussen'.

Wat opvalt is de ongunstige wending die praktisch alles neemt onder Brakmans handen. Een op het oog nogal goedmoedige vriend wordt ontmaskerd als een boosaardige vetzak, al moet een flinke dosis jaloezie afgetrokken worden van de 'mergverwarmende haat', die al snel voor deze 'gigantische teek' ontwikkeld wordt. Er is veel wantrouwen en verdachtmaking in deze roman en dus stof voor enkele rechtszaken, een geliefd element in Brakmans werk, en bijna altijd van Kafkaiaanse allure. In die rechtszaken gaat het niet om de voor de hand liggende vraag wie wat gedaan heeft, maar om de wijze waarop rechter, aanklager en verdachte (in wisselende rolbezetting) elkaar de loef afsteken.

Het is altijd een eenling, een verongelijkte, een afgunstige, een wraakgierige, een even welbespraakte als nijdige man, die Brakman aan het woord laat. In Van de in hogere kringen verliefde heet hij Edward en is hij dichter. Deze Edward weet zich een 'uitgeworpene', een 'afzijdige'. Het enige wat hem van jongsaf overbleef was kijken, toekijken hoe anderen in overeenstemming leefden met hun natuur. 'Ik ben daarin een geoefend man geworden, in mijn apejaren, terwijl anderen hun behendig en rappe balspel speelden, in het zwembad doken zoals God dat bedoeld moet hebben of heel schuin, zonder weerga afremden op de ijsbaan om stuivend en door het hele universum bijgestaan tot stilstand te komen voor de laarsjes van de allerschoonste zat of stond ik aan de kant en keek.'

Deze noodgedwongen toeschouwer van het leven, dit eenzame jongetje, is in zijn rijpe jaren nog steeds een geducht bespieder, niet alleen van anderen, maar ook van zichzelf. Als hij niet weet wat hij moet doen, staart hij graag met de ogen dicht in het eigen hoofd, 'waar altijd wel iets is dat niet verveelt'.

'The world acording to Edward', zo had deze roman ook kunnen heten, want het is door zijn ogen dat wij de wereld zien, het is zijn overvolle hoofd waarin ons menige blik wordt gegund. Een wereld zo groot als het Den Haag van voor de oorlog, waarin behalve Van Oldenbarnevelt en 'de Zwijger' ook beroemde tijdgenoten opdoemen als Colijn en de innig aanbeden koningin Wilhelmina, oerbeeld van alle onbereikbare en dus begeerlijke vrouwen. Edward herkent haar 'van het omslag', van het omslag van dit boek, inderdaad.

Het is een mooie, omgekeerde wereld die Brakman hier laat zien. Omdat Edward niet tot de wereld kan of mag behoren, eigent hij zich haar toe, als dichter. 'Toute-La-Haye' verzamelt hij op deze manier om zich heen, en iedereen fluistert over hem. Zijn dichterlijke vrijheid stelt hem in staat aan te schuiven bij de hogere kringen en zich ongeveer volgens het sprookje van Andersen te ontdoen van Grote Klaas, zijn concurrent in de liefde. Ook verschaft hij zich een alibi om rond te kunnen snuffelen in een nonnenklooster en achter de coulissen van de Koninklijke Schouwburg en natuurlijk arrangeert hij een ontmoeting met de koningin in de Scheveningse Bosjes.

Van de in hoger kringen verliefde is een virtuoos en meeslepend mengsel van liefdesroman, detective (al even onnaspeurlijk trouwens als Heer op kamer en De vadermoorders), sprookje en autobiografie in een theatrale omlijsting van veel achttiende-eeuwse kostuums, pruiken, maskers, schmink en bestudeerde gebaren. Een uiterst dubbelzinnig mengsel is het, van toneeluitvoeringen in toneeluitvoeringen, waarin toneelspelers doen alsof ze toneel spelen, en er binnen de regie weer een andere regie is, met onduidelijke uitkomst. Er is een onzichtbare supervisor, aangeduid als 'de vreeswekkende en sterke' die achter alle schermen regeert en die waarschijnlijk Willem Brakman heet.

Is het een wonder dat de dichter, de afgevaardigde van deze supervisor, zijn schepping soms niet helemaal meer kan overzien en zich afvraagt of hij nu regisseur of speler is, of hij handelt of toekijkt? 'God weet was ik het zelf', suggereert hij, als hij drie heren gadeslaat die in een soort spiegelgevecht gewikkeld zijn. Een enkele keer treft hij zichzelf aan in draf.

De dichter weet natuurlijk net zo goed als wij dat het maar een illusie is, zijn herschepping van de wereld, en hoe vergeefs al het spraakwater dat hij ervoor vergiet. De koningin zal hij immers toch nooit de zijne kunnen noemen. Op de laatste bladzijde doet hij zichzelf dan ook uitgeleide, uit de roman, die immers maar een doekje is voor het bloeden, een mooie kijkdoos, een literaire en dus machteloze correctie op een wereld die eigenlijk te onrechtvaardig is voor woorden.