De burgemeester hakke-plak van letter-stad; leren lezen in Nederland

Al zeker twintig jaar leren bijna alle zesjarigen van Nederland lezen volgens een methode: Veilig leren lezen van de Brabantse uitgeverij Zwijsen. Dat monopolie wankelt, nu vier concurrenten zich na lange voorbereidingen op deze markt storten. Achtduizend basisscholen zullen straks moeten kiezen: wat wordt het aap-noot-mies van de eenentwintigste eeuw? 'Je methode moet mikken op een slechte leerkracht met een kansarme leerling, dan heb je de minste uitvallers.'

'De school is een instelling waar men leert lezen en nog een paar dingetjes.' Dat zei Theo Thijssen en zo is het nog steeds: in die hele gestadig uitdijende, zo nu en dan overkokende rijstebrijberg van leerstof is en blijft vooral leren lezen van levensbelang. Dit zijn de maanden waarin dat op de ruim achtduizend basisscholen van Nederland moet gebeuren. De manier waarop, die is de afgelopen twintig jaar nauwelijks veranderd, al zijn de eersteklassers van toen de derdegroepers van nu. Het zijn nog altijd kinderen van zes en nog altijd prevelt negentig procent volgens de methode Veilig leren lezen van uitgeverij Zwijsen: 'boom, roos, vis, vuur, mus, pim'.

Het is wonderlijk hoe weinig de volwassen literaire wereld zich bekommert om die beginnende lezers, en vooral om de boeken waarmee zij afgescheept worden. Terwijl gevorderden bij het lezen gesteund en gestimuleerd worden door een arsenaal aan boekenbijlagen, recensies, polemieken, bekroningen en boekenweken wat gelukkig al jaren niet alleen voor de volwassenen- maar ook voor de kinderliteratuur geldt lijken de eerste leesboekjes waarmee dat alles moet beginnen, geproduceerd te worden in diepe duisternis. En dat is aan die boekjes te zien. Het materiaal van Zwijsen bestaat uit zouteloze tekstjes met knullige plaatjes, waarvan geen mens leeshonger kan krijgen; waarvan je leert dat lezen misschien wel veilig, maar vooral vervelend is. Dat is de methode die de grote meerderheid van de scholen al zo lang klakkeloos blijft bijbestellen.

De windstilte van meer dan twintig jaar op de leesmethodenmarkt is echter bijna voorbij. De derdegroepers weten het niet, de meeste juffen en meesters hebben trouwens ook geen idee wat hun boven het hoofd hangt, maar dit is de laatste generatie zesjarigen die zo gezapig leert lezen of soms ook helemaal niet leert lezen, want sombere rapporten spreken van minstens zeven procent functioneel analfabeten in de armen van uitgeverij Zwijsen. Op Zwijsens poort bonken vier andere uitgevers, die in de loop van dit schooljaar vier totaal nieuwe leesmethoden uitbrengen. Daarbij kon de marktleider niet achterblijven, zodat ook Veilig leren lezen op de helling gaat: weg met boom-roos-vis, lang leve maan-roos-vis.

Waarom besluiten zoveel uitgevers plotseling allemaal tegelijk tot zo'n frontale aanval en tot een dermate riskante investering? De twee belangrijkste redenen zijn de invoering van de basisschool (in 1985) waardoor de kleuters er ineens bij gingen horen, en de veranderende didactische inzichten van de laatste vijftien jaar. Met die kleuters of preciezer nog met hun juffies moet de uitgever voorzichtig omspringen. Hij weet dat de 'verworvenheden van het kleuteronderwijs' niet verloren mogen gaan en dat leerkrachten van groep een en twee steigeren bij alles wat naar een methode riekt. Toch kan er tussen het kleien en plakken door wel eens heel even geleerd worden en er verschijnen dan ook dikke klappers, waar ongeveer alles in staat wat een juf met enig talent al uit zichzelf met haar klas doet. De dure accessoires bij deze methoden die geen methode mogen heten wekken de indruk dat uitgevers nog nooit van sigarenkistjes, schoenendozen en oude tijdschriften hebben gehoord. Kleuters vormen een speels gat in de markt, dat wordt volgestort met reuze- en miniprentenboeken, cassettebandjes, magnetische figuren en wandplaten, allemaal ter bevordering van de 'ontluikende geletterdheid'. Want dat is het nieuwe, uiteraard uit Amerika overgewaaide toverwoord in de leesdidactiek: emergent literacy. Leren lezen wordt minder gezien als een vak dat vanaf een bepaald moment op het lesrooster staat, maar meer als een proces, dat in een stimulerende omgeving vol letters, woorden, plaatjes, verhalen en boeken spontaan op gang komt. Kinderen leren zichzelf lezen als je ze het geschikte materiaal op het geschikte moment aanbiedt. Vooral ten aanzien van dat 'geschikte moment' zijn de ideeen veranderd. Iedereen is het er nu wel over eens dat dat niet voor alle kinderen valt in de maand september van het jaar waarin ze zes zijn geworden. Wat dan wel het geschikte moment en het geschikte materiaal is blijft voor de buitenstaander (en misschien ook wel voor de insider) tamelijk raadselachtig. Het is met leren lezen als met de zwaartekracht: je ziet het voor je ogen gebeuren zonder dat iemand begrijpt hoe het wonder zich voltrekt.

Bij de reorganisatie van de Lagere School en de vernieuwde inzichten moet nog een factor opgeteld worden, die de uitgevers discreet 'de maatschappelijke ontwikkelingen' noemen. Daarmee bedoelen ze zowel het groeiende aantal allochtone kinderen, als het dalende niveau van de lichtingen leerkrachten die de Pabo's (pedagogische academies) afleveren. In alle nieuwe leesmethoden opereren naast Kim en Niek nu ook Hasan, Hoan en Semra, terwijl de gevolgen van het andere probleem nog ingrijpender zijn. 'De leerkracht van Groep Drie is de belangrijkste van de hele school', zegt een uitgever weemoedig. Maar op de Pabo krijgt leesonderwijs vaak maar bescheiden aandacht. Vandaar dat de handleiding voor de leerkracht die bij elke methode hoort van een korte toelichting is uitgegroeid tot een handboek van honderden pagina's, waarin vaak elke frons van de juf op de seconde nauwkeurig wordt voorgeschreven.

Gekuist

Laten we het slagveld van het aanvankelijk lezen nu eens van dichterbij bekijken. Om de burcht van het Tilburgse Zwijsen met de vlag Veilig leren lezen in top, hebben vier andere uitgeverijen hun tenten opgeslagen. Wie de belligerenten met hun respectievelijke methoden uit elkaar wil houden kan nu beter beginnen met het knippen van vlaggetjes. Het gaat om Malmberg uit Den Bosch met De Leessleutel, De Ruiter (Gorinchem) met Balans, Jacob Dijkstra (Groningen) met De Leesbus en Meulenhoff (Amsterdam) met Leeslijn. Maar het begon allemaal met Zwijsen. Dat wil zeggen, het begon natuurlijk met Ligthart, Scheepstra en Jetses, toen kwam er een hele tijd niets en toen kwam frater Caesarius Mommers, de vader van Veilig leren lezen. Na de oorlog werkte Nederland met zevenentwintig verschillende leesmethoden, tot Dr. Mommers in 1960 zijn veilige wiel uitvond. De schoolstrijd lag toen nog zo vers in het geheugen dat er behoefte was aan twee versies, de algemene die 'veilig' heette, en de katholieke die Zo leren lezen heette. Eerste leesboekjes behandelden toen nog De missie in het poolgebied, waarbij in de gekuiste versie kelk en misboek waren vervangen door een zendertje. Ook handig in het poolgebied, maar streng protestants christelijke scholen kochten toch geen methode uit het klooster. Daar leerden ze lezen met Van woord tot Woord. De grote doorbraak van Veilig Leren Lezen kwam in de jaren zeventig en sindsdien is er weinig veranderd, al werden de prenten van boom, roos en consorten een fractie minder oubollig. De middelmatigheid van de methode kan voortvloeien uit de wet op de remmende voorsprong: hij was nu eenmaal de eerste die na de oorlog echte vernieuwing bracht. De esthetiek van Veilig Leren Lezen is die van een bidprentje, maar didactisch staat de methode als een huis, een solide, burgerlijke rijtjeswoning.

Hoe zal dat huis er na de verbouwing uitzien? De boom met deurtje verandert in een maan met astronaut, wat typerend is voor een verandering van sfeer: geen sprookjes meer in de leesboekjes. Geen eigennamen meer bij de woorden die in alle klassen aan de waslijn hangen, want vooral buitenlandse kinderen schenen te denken dat Kees ons woord voor jongen was, en dat Sam hier olifant betekende. Na een leven in het leesonderwijs maakt Mommers (ondanks een staf van medewerkers is hij ook nu, vlak voor zijn pensionering, nog gezichtsbepalend) zich weinig illusies over de mogelijkheden voor vernieuwing in een gemiddelde klas: 'Je methode moet mikken op een slechte leerkracht met een kansarme leerling, dan heb je de minste uitvallers.' Onderwijsvernieuwing is goed voor het imago van de uitgeverij, maar loont niet, denken ze bij Zwijsen. Letterlijk: 'Het is gevaarlijk om te goed te zijn.' De uitgeverij zal in het gekrioel op de leesmethodenmarkt zeker scholen kwijt raken. Hoeveel? Zwijsen: 'Stel dat we van de huidige 90% minimaal 60% vasthouden. Daarop hebben we onze investering gebaseerd. Minder lijkt ons onbestaanbaar, we zullen ergens uitkomen tussen 60 en 90%. Je moet bedenken: wie eenmaal Volkswagen rijdt, koopt al gauw weer een Volkswagen.'

De eerste bres in Zwijsens muren zal geslagen worden door De Ruiter, onderdeel van Kluwer, die met Balans al tot en met groep vijf klaar is. Wanneer de methode compleet is liggen er honderdtwintig boeken, waarin lezen, spelling en grammatica voor alle acht groepen van de basisschool in een systeem zijn opgenomen. De Ruiter zegt: 'Leren lezen leek lang niet meer dan een technisch kunstje. Er waren methodes waar je een varken mee kon leren verklanken, maar geen kind lezen. Lezen hoort bij taal. Zoals je van nul tot vier jaar leert praten, zo is het tweede aspect van taal het leren lezen.' Daarom is Balans een zogenaamd geintegreerde lees-taalmethode, een gigantische onderneming waaraan sinds de eerste auteursbijeenkomst in 1978 zo'n hondervijfendertig man hebben gewerkt. De investering is alleen te vergelijken met die van de oude Grieken die, als hun jonge Griekjes de vierentwintig letters van het alfabet niet konden leren, soms ten einde raad overgingen tot de aanschaf van vierentwintig slaven die ze Alfa, Beta, Gamma enzovoort noemden. De Ruiter streeft ernaar om in 1995, drie jaar na voltooiing van de methode, 15% van de markt te bedienen.

Leesplankjes

En dan is er Malmberg, waar ze met welgevallen zien hoe de concurrenten elkaar met leesplankjes de hersens inslaan. Hier worden de plannen in zo'n doodse stilte gesmeed dat we lang moesten soebatten om materiaal onder ogen te krijgen. Maar de investering is gedaan 'er staan echt zes nulletjes achter dat cijfer' en de eerste boekjes komen steeds luttele dagen voor de experimenteerscholen ze nodig hebben van de pers. In sereen vertrouwen op de eigen reputatie in onderwijskringen en op gedegen marktonderzoek, denkt Malmberg straks de door De Ruiter geslagen bres binnen te wandelen. 'We moeten nu eens af van de 'Nationale Boomdag', ' zegt de uitgever. 'Degene die de markt openbreekt is eigenlijk Zwijsen zelf. Als die nou gezegd had: ons produkt is zo goed, daar hoeft niks aan te veranderen... ' Malmbergs Leessleutel is speciaal voor groep drie, maar moet aansluiten bij hun bestaande programma's voor het voortgezet lezen. De bijbehorende computermethode die wordt voorbereid is zo geavanceerd dat de uitgever er dromerig van kijkt. Hier geen integratie, maar wel differentiatie, een populaire vakterm op het ogenblik, waarmee bedoeld wordt dat niet alle kinderen op hetzelfde niveau hoeven te werken, noch tegelijk hetzelfde hoeven te doen. Een oud idee, gemeengoed op elke Montessorischool, dat dezer dagen leerkrachten op traditionele scholen nachtmerries bezorgt. Malmberg streeft naar 30-50 % van de markt.

Vlaggeschip

In het fonds van Jacob Dijkstra zit nog altijd het uit 1976 daterende Letterstad, de gedoodverfde concurrent van Veilig Leren Lezen die het niet haalde. Nog altijd werkt ongeveer 10% van de scholen met Burgemeester Hakkeplak van Letterstad, en materiaal dat kapot gaat kunnen deze oude getrouwen bijbestellen. Maar dat is alles: Letterstad wordt niet gerenoveerd en zal dus onherroepelijk verdwijnen. Dijkstra's vervanger heet De Leesbus, nu nog voor de eerste drie groepen, als het loopt ook voor oudere kinderen. Alles van De Leesbus is fraai uitgevoerd het vlaggeschip Kijk mijn letter hoorde zelfs bij de 'Best verzorgde boeken' van 1988 en door een auteur geschreven. Hier geen teamwerk van tientallen experts, geen marktonderzoek en vermoedelijk geen 'zes nulletjes' achter het investeringscijfer. Bevlogen eenlingen met smaak houden zich in de uitgeverswereld vaak verrassend goed staande, maar we weten intussen wat er in leermiddelenland op de grafstenen staat: 'Het is gevaarlijk om te goed te zijn'. De Leesbus is met een marktaandeel van 10 % uit de kosten, maar hoopt op 25 %.

De laatste belegeraar Meulenhoff Educatief was bijna aan onze aandacht ontsnapt, omdat het meeste materiaal van Leeslijn er zo harkerig en stuitend lelijk uitziet, dat we het in een vroeg stadium van het onderzoek mismoedig terzijde hadden geschoven. In de wandelgangen van het leesonderwijs dook Leeslijn echter steeds weer op. Vijfhonderd scholen werken er al mee en het percentage halstarrige niet-lezers schijnt aan het eind van groep drie verheugend laag te zijn. Meulenhoff is de enige uitgeverij die haar nieuwe methode niet in eigen huis heeft ontwikkeld, maar een kant en klaar produkt op de markt brengt. Het Regionaal Pedagogisch Centrum Zeeland (schooladviesdienst) heeft een op jarenlang onderzoek gebaseerd pakket uitgedacht. De titel geeft aan dat leren lezen een ontwikkelingslijn is. Die kan op verschillende momenten in de kleutertijd beginnen en niet pats-boem in groep drie. Hier gebeurt waar vernieuwers van dromen en meesters 's nachts van wakker liggen: het leesonderwijs is zo goed als geindividualiseerd. Meulenhoff hoopt op 30-35% van de markt (dat is inclusief zevenhonderd scholen voor speciaal onderwijs).

Behalve hun streven naar percentages die bij elkaar opgeteld ver boven de honderd komen, hebben de uitgevers nog iets gemeen en dat is bezorgde aandacht voor de inhoud van de leesboekjes, die modern maar niet te modern moet zijn. Hier loeren vandaag andere gevaren dan in de tijd van De missie in het poolgebied. Andermans god komt nooit meer in boekjes voor, maar nu zijn het weer meisjesbenen in lange broeken die hele methoden taboe maken voor gereformeerde scholen. Gevloekt wordt er nooit, maar hoe staat de uitgever tegenover modewoorden als hartstikke en gaaf? De Ruiter vertelt gnuivend over een boekje van een Amsterdams auteurscollectief waarin geen volledig gezin voorkwam terwijl op elke bladzijde bier en wijn werden ingenomen. Een enig boekje, het mocht blijven, maar op verzoek van de opdrachtgever kwam er tussen alle homoseksuele paren en gescheiden ouders ook een enkel compleet gezin wonen, sloop er wat thee en koffie in het consumptiepatroon en werd de 'kroegpoes' omgedoopt tot cafekat.

dit is voor de overlees!Walging

Nu hebben we een indruk van vijf nieuwe leesmethoden en ons taalgebruik raakt al aangetast. We hanteren termen als differentiatie en integratie, hoewel zorgbreedte het streven om zo weinig mogelijk kinderen naar het speciaal onderwijs door te verwijzen nog niet over onze lippen komt. In een van de bekeken handboeken voor de leerkracht staat zo nu en dan, in een afwijkend lettertype, een zorgbreedtetip. Vaag herinneren we ons wat ooit de aanleiding tot dit artikel was: de verveling, om niet te zeggen ergernis en walging die veel eerste leesboekjes opwekken. En de hiermee gepaard gaande overtuiging, dat het bij het leren lezen niet alleen draait om kunnen lezen, maar vooral ook om willen lezen.

Is dat ook bij de uitgevers een uitgangspunt? Van de vijf die wij bekeken houden De Ruiter en Dijkstra zichtbaar het meest van echte boeken en echte auteurs. De anderen geven de voorkeur aan leermiddelen geproduceerd door werkgroepen. Wij weten wel welke methode we zouden kiezen, maar dat zegt weinig: wij hebben nog nooit eenendertig zesjarigen leren lezen. Verontrustender is, dat ook mensen van wie dat laatste wel jaar in jaar uit gevergd wordt, op die achtduizend basisscholen die eerdaags een methode moeten bestellen, onmogelijk een rationele keuze kunnen maken. Uitgeverijen zijn geen filantropen, dus niemand kan het ze kwalijk nemen dat de grens tussen onderwijsvernieuwing en bedrijfsresultaten glijdend is. Wat stoort, is het ontbreken van elke niet-commerciele kwaliteitscontrole. Het is utopisch om te wensen, dat het leren lezen van alle Nederlandse (en geimporteerde) kinderenzich onttrekt aan de markteconomie. De handigste uitgever kan die markt beheersen, zoals de handigste fabrikant van ijzeren longen vermoedelijk de meeste ziekenhuizen bedient. Maar als de laatste fabrikant faalt, overlijden de patienten en zoiets merk je snel. Of schoolkinderen met de ene methode beter of slechter, sneller of slomer leren lezen dan met de andere, weet geen mens, hoe luid de vijf uitgeverijen ook roepen over het enthousiasme van hun proefscholen.

Rondom de vlakte waarop de vijf partijen elkaar de komende jaren de percentages betwisten zit het publiek. Achtduizend scholen met jaarlijks zo'n 175.000 derdegroepers. Terwijl het de kinderen zijn, die moeten leren lezen, zijn het de al dan niet overwerkte leerkrachten die de methode moeten uitkiezen en gebruiken. Dat is de paradox waarvan uitgevers zich terdege bewust zijn. Zij doen hun best op leerkracht-vriendelijke handleidingen (dat zijn draaiboeken waarmee het ene blinde paard het andere kan leren lezen), stemmen hun wandplaten af op de smaak van de fictieve juf en organiseren 'motelbijeenkomsten' om scholen te overtuigen van de zegeningen van hun methode. In feite is die methode gemaakt voor een doelgroep die de doelgroep niet is. Misschien is de kwaliteit daarom vaak zo teleurstellend: misschien mikken de werkgroepen te veel op getergde leerkrachten en te weinig op levende, lezende kinderen.

BREGJE BOONSTRA

MARJA ROSCAM ABBING