De bozbezbozzel lijkt wat op een jenk; Gedichten vooriedereen

Wat is het verschil tussen kinderen en volwassenen? Kinderen lezen zelden gedichten en volwassenen ook niet. Of: alle kinderen zijn dichters zonder dat ze het weten, en volwassenen zijn zelden dichter, maar dan weten ze het maar al te goed. Neem nu de zoon van Redbad Fokkema. Die zat dicht in de buurt van de wang van zijn vader toen zijn vader een appel at. Hij moest bij het horen van de kauwgeluiden denken aan een paard dat door het grind draaft. Mooi beeld, herkenbaar beeld, dichterlijk beeld al zal de kleine Simon er niet zo over gedacht hebben. Zijn vader wel. Die zag er de poezie van in, die maakte er een gedicht van en die nam het op in zijn nieuwe bundel Het doek van de dag. Rob Schouten las het, herkende het en kwam in zijn bespreking ervan met een al even dichterlijk beeld van een al even onbewuste dichter: een driejarige peuter die de ruitewissers aanduidde als de wimpers van de auto. 'Wie daar een gedicht van maakt is dichter', merkte Schouten op.

Lang hoeven we hier niet bij stil te staan. Er zijn hele reeksen boekjes, met titels als Juf, daar zit een weduwe in de boom, die munt slaan uit dit soort onbewuste kleuterpoezie. Maar als je er wel even over nadenkt is het een rare zaak. Kennelijk schuilt er in ieder kind poezie, of in ieder geval een talent voor beeldspraak alleen weet het dat zelf nog niet. De driejarige peuter van Schouten ziet alleen maar een logisch verband tussen de functie van een oogwimper en die van een ruitewisser. Hij moet dus nog veel 'leren'. Dat die haartjes bij je oog inderdaad wimper heten, maar dat zo'n geel ding om de ramen mee schoon te maken een spons heet, en de lap-uitvoering daarvan een zeem. De lap die ze op school gebruiken om het bord schoon te vegen heet echter weer een doek of bordedoek, terwijl zo'n houtje met een reep vilt erop gewoonlijk bordewisser wordt genoemd. En die zwiepende staafjes op de autoruit heten dus ruitewissers. Voordat dat allemaal duidelijk is zijn we al weer jaren verder en is het zelf geziene, logische verband tussen wimper en wisser eenvoudigweg verdwenen.

Wie de wereld wil ontdekken moet veel leren en nog veel meer afleren. Maar wie nog weer eens vele jaren later en vele CBR-examens, Bovag-garages, APK-keuringen en no-claim-polissen verder, op een regenachtige dag de onbevangenheid heeft om in zijn ruitewissers de wimpers van de auto te zien zo iemand is opeens weer een dichter. Ingewikkeld allemaal. Poezie, zo zou je hieruit kunnen leren, is dus alleen maar poezie bij de gratie van de afwijking. En de afwijking bestaat alleen maar bij de gratie van een norm. En je kunt iets dus alleen maar als poezie herkennen als je zowel de afwijking als de norm kent.

Onbevangenheid

In 1959, op 23-jarige leeftijd, publiceerde K. Schippers in het tijdschrift Barbarber het volgende gedicht:

De ontdekking

als je goed

om je heen kijkt

dan zie je dat

alles gekleurd is

Dit is een gedicht dat aan onbevangenheid, 'kinderlijke' onbevangenheid te danken is. Maar er was de kennis van een volwassene voor nodig om daarna in te zien dat deze vanzelfsprekendheid een ontdekking was. En vervolgens was er dan ook nog eens een eigenzinnige opstelling tegenover de poezietraditie voor nodig om deze regels eerst als een gedicht te presenteren, vervolgens onder een ander pseudoniem als aforisme te publiceren, daarna in de afdeling 'Gedachten' van de dichtbundel De waarheid als De Koe op te nemen en tenslotte onder te brengen in de roman Bewijsmateriaal.

Je zou het een gedicht voor alle leeftijden en voor alle vormen van poetisch bewustzijn kunnen noemen. Het was dus erg geschikt als titel voor een poeziebloemlezing die bestemd wil zijn 'voor kinderen van alle leeftijden'. Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is, samengesteld door Tine van Buul en Bianca Stigter, is een in alle opzichten miraculeus, want tijdloos boek. Het is om te beginnen geschikt voor negen- en voor negentigjarigen. Het bevat bovendien 'veranderlijke' gedichten, die over vijf jaar heel anders gelezen zullen worden dan nu. Dat geldt weliswaar voor alle poezie en voor alle bloemlezingen, maar voor deze geldt het in het bijzonder, omdat hier twee soorten poezie samengebracht zijn: de kinderpoezie die ook voor ouderen interessant, en de ouderenpoezie die ook voor kinderen interessant kan zijn. Ik maak nu wel, in navolging van de samenstelsters, dit onderscheid, maar het wonderlijke van hun bloemlezing is dat dit verschil erin opgeheven wordt. Dat maakt Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is tenslotte tot een werkelijk tijdloos boek: het bevat gedichten uit het leeftijdloze overgangsgebied tussen 'jong' en 'oud', waar onbevangenheid en ontdekkingen, normen en afwijkingen nog door elkaar lopen. Het bevat poezie die zich nog niet al te bewust is van zichzelf, maar waarin een vermoeden van wat poezie is begint te dagen. Het ligt voor de hand om nu een daarmee corresponderende leeftijd te noemen, zeventien bijvoorbeeld, als de meest geschikte voor deze bloemlezing maar leeftijden zeggen weinig. Sommige twaalfjarigen zijn in het geheim al zeventien, terwijl er genoeg 65-plussers rondlopen die van hun moeder nog steeds niet mogen roken (en als ze dat tot hun dood volhouden krijgen ze een brommer). Bovendien gaat het hier om poezie, en als het om poezie gaat zijn de meeste volwassenen nog groener en onwetender dan de meeste kinderen.

Driehonderdvijfenzestig gedichten bevat deze bundel. Volgens de samenstelsters is de helft ervan 'niet speciaal voor kinderen geschreven' en de andere helft wel, maar dat zijn zoals gezegd ongelukkige aanduidingen. Leendert Witvliet en Gerrit Achterberg, Fetze Pijlman en J. H. Leopold, Miep Diekmann en Ida Gerhardt staan hier in negen thematische afdelingen gewoon bij elkaar, en ze bijten elkaar nergens. Dat is de verdienste van de dichters, maar ook van de samenstelsters die met een scherp oog voor het (leef)tijdloze gegrasduind hebben. Geen kinderachtige trutteversjes en geen hermetische hoogstandjes. Geen kakneusjeslyriek en geen krampachtige leukdoenerij van oude dertigers. En als er al 'kinderlijke' gedichten in staan, dan zijn het onzinverzen die niet eens speciaal voor kinderen geschreven werden zoals 'De bozbezbozzel' van Buddingh': 'De bozbezbozzel lijkt wat op/ Een jenk, maar heeft een klein're kop.' En als er al 'ouwelijke' gedichten in staan, dan zijn ze juist weer afkomstig van zogenaamde kinderdichters zoals het mooie 'Opa is nieuwsgierig' van Karel Eykman, dat als volgt begint:

Je weet het,

als mensen oud zijn,

dan worden ze niet meer groot.

En als ze dan nog ouder zijn

dan gaan ze tenslotte dood.

Maar als je je opa gaat vragen

wanneer hij nou eens dood zal gaan,

dan zal je opa zeggen:

'dat gaat je geen donder aan'.

Is dit nu een bloemlezing 'gemakkelijke gedichten'? De term is voor poezie niet erg bruikbaar. Hoe gemakkelijk of hoe moeilijk is Schippers' gedicht 'De ontdekking'? Je zou beter kunnen spreken van een bloemlezing onbevangen poezie, waarin nog geen dichterlijke stellingen betrokken zijn en waarin de dichter even vergeten is dat hij poezie schrijft. Dit zijn onze meest onbevangen dichters: Han G. Hoekstra, Ienne Biemans, Willem Wilmink, Hans Andreus, Remco Ekkers, Margriet Heymans, Karel Eykman, K. Schippers en Jan Hanlo. Ze zijn allen met zo'n tien gedichten vertegenwoordigd. Er is er een die daar nog bovenuit steekt, en wel met ruim dertig gedichten: Annie M. G. Schmidt. Haar werk maakt alle pedagogische en poeticale beschouwingen over kinder- en volwassenenpoezie overbodig.

Jonger en ouder, serieus en geestig, bekend en onbekend, onbevangen en droevig lopen in deze bundel door elkaar. 'Jonge sla' van Rutger Kopland bevindt zich hier opeens in het gezelschap van het 'Boerenkoolfeest' van Jan van Hoften ('want bij zeven graden vorst/ eet je boerenkool met worst') en een augurkenlied van Diet Huber ('Brom brom snurk./ Wie slaapt daar? Een augurk'). Een sonnet van Johan Andreas der Mouw wordt hier gesecondeerd door het 'Poep- en piesmenuet' van Hans Dorrestijn en een fabel van Leo Vroman. Een klankgedicht van H. N. Werkman ('loemoem lammoem laroem lakoem/ bergamotse pergolas') staat naast de heldere logica van Martin Brils 'Supergedicht':

Dit is dus een zogenaamd

Supergedicht

Niks bijzonders

Maar wel super

En een gedicht

Omdat het een gedicht is

Deze dikke, rijk geillustreerde, prachtig vormgegeven, goedkope, van een onmogelijke titel voorziene poeziebloemlezing voor alle leeftijden lijkt mij dus een zogenaamd superboek. Niks bijzonders, maar wel super. Jaloers zou je er van worden, jaloers op die verwende rotkinderen van tegenwoordig die zomaar zo'n mooi boek kunnen lezen. Ik wou dat ik vroeger zo'n mooi boek gehad had. En dan had ik er nu nog even veel plezier aan beleefd als nu.