Betrapt op het kerkhof; Zes kandidaten voor de Bookerprijs

Engeland kent goede en slechte Bookerjaren, zoals Frankrijk wijnjaren. Negentig is mooi, een stuk beter dan negenentachtig. Aanstaande dinsdag wordt de prijs van (L)20.000 toegekend aan een van de zes boeken van de short list die vorige maand is gepubliceerd, en al staat niet iedereen erop wie ere toekomt, het is een selectie zonder zwakke plekken. Ieder van deze kandidaten verdient een prijs. Het is jammer dat de meesten het er toch weer buiten zullen moeten stellen, maar een plaats op de lijst van zes legt geen windeieren.

Een van degenen die in aanmerking komen om te worden afgevoerd voordat de beslissende discussie van de jury begint is Beryl Bainbridge. An Awfully Big Adventure lijkt minder nauwkeurig in elkaar gezet dan sommige van haar elf vorige even korte vlugge romans. Haar werk laat zich moeilijk inderhaast beoordelen, want het korte vlugge van de verteltrant maakt dat de lezer de zinnen soms onvoldoende tot zich door laat dringen. In het verhaal over Stella die aan het toneel gaat werken (dat is het adventure) staat misschien meer dan bij een eerste lezing in het oog springt, maar teveel van wat er in opvalt is bijkomstig. Door sommige passages zal iedere Bainbridgiaan gewonnen worden, zoals wanneer Stella na haar eerste ervaring met een man in bed hem bekent dat zij er weinig aan vond, maar 'I expectthere's a knack to it. It's very intimate, isn't it?' Zo kennen wij de zwarte onverbloemde humor van de schrijfster, maar de dosering is deze keer laag.

De tweede die ik af zou voeren is de Canadees op de lijst, Mordecai Richler (Amerikanen dingen niet mee naar de prijs; schrijvers van het Gemenebest wel). De geschiedenis van Solomon Gursky en zijn voorouders en zijn kinderen en neefjes levert een indrukwekkend werk op, omvangrijk in de lengte van de tijd en de breedte van de familie en druk pratend geschreven, met Noordamerikaanse en joodse grappen op iedere pagina. Het bezwaar is dat het teveel wordt. De lezer weet niet zeker op wie hij zijn aandacht zal concentreren, en slaat telkens weer de stamboom aan het begin op om te kijken wie wij voor ons hebben. Sommige van de deelverhalen over Solomons grootvader Ephraim (1817-1910) en over zijn broer Bernard (1898-1973) zijn zo boeiend dat ik de wereld om mij heen vergat; en die wereld, daar hoorde de rest van dit boek bij. Er zijn punten waar het verhaal buiten de gehoors- en begripsafstand van de Europese lezer raakt, zoals wanneer Solomon op bezoek gaat bij Tim Callaghan 'who was competing with Harry Low, Cecil Smith and Vital Benoit on the Windsor-Detroit Tunnel, running into disputes with the Little Jewish Navy or the Purple Gang... ' Solomon en Callaghan kennen wij: verder zijn al de eigennamen ons vreemd, en zulke passages werken ontmoedigend op de leeslust. Het boek heeft inhoud genoeg voor een prijs of twee, drie; het zou uitgedund moeten worden, en van een notenapparaat voorzien.

Eenvoudig meisje

Als ook Penelope Fitzgerald voor de laatste discussie afgevoerd kan worden is het omdat zij de Bookerprijs al eerder gekregen heeft, elf jaar geleden. Iemand die hem een tweede keer wint moet iets onovertrefbaars geschreven hebben, en dat haalt zij niet. Wel is The Gate of Angels een zelfverzekerde en onbekommerde roman, waarvan de lezer sommige delen ongelovig zal aanzien, maar andere zal aanvaarden alsof ze niet anders konden. Een jonge academicus in Cambridge in 1912 krijgt een ongeluk met zijn fiets en wordt door een zorgzame huisvrouw bewusteloos in bed gelegd met een eenvoudig Londens meisje dat ook bij het ongeluk betrokken was. Als hij bijkomt ontdekt hij in een paar minuten dat hij haar tot de zijne wil maken; zij verdwijnt naar een onbekend adres, en hij kan zijn zin pas doorzetten weken later wanneer zij voor iets anders in Cambridge komt. Waarom 1912, wat ziet deze jongen in dat meisje aan de overkant van een maatschappelijke kloof, hoe kan het dat zij hem meteen vertrouwt? Op zulke vragen is het antwoord dat deze dingen gebeuren omdat de schrijfster ze zich in het hoofd gezet had; daarom vertelt zij ons ook van een college in Cambridge aan het begin van de eeuw, van een Londens ziekenhuis waar het meisje verpleegt, en van de hoge smalle poort van St. Angelicus College die bijna altijd dicht zit, bekend als the gate of Angels. Er is nogal wat tegen in te brengen, maar wie de lucht van regen en oud haardvuur opsnuift en de stem van de vertelster hoort zal liever met haar meedenken.

Als ook Brian Moore de prijs niet krijgt zou dat aannemelijk gemaakt kunnen worden doordat hij hem twee jaar geleden had horen te winnen voor zijn roman over een vrijzinnige Oosteuropese kardinaal, The Colour of Blood. In zijn roman van dit jaar, Lies of Silence, (op 15 juni al in het CS besproken), over een Noordier die na een weigering om met de IRA mee te werken een wraakactie te vrezen heeft, toont hij zich opnieuw onverbeterlijk in het beschrijven van gewone dagen waarachter het noodlot zijn kans afwacht. Het woord onverbeterlijk past hem: niemand kan het beter, met meer beheersing van de verbeelding en de taal. Toch is het waar dat Lies of Silence minder indruk nalaat dan het boek over de kardinaal, misschien omdat Moore als oud-Ier de samenleving die hij beschrijft van binnen kent maar niet meer in detail van buiten nu hij al jaren in Amerika woont. Al zou het geen kwaad kunnen en niemands smaak bederven als hij bekroond werd, bevredigend zou het niet zijn; hij schrijft vast nog weer eens iets waarmee hij verder boven zijn mededingers uitsteekt.

McGahern dan, de andere Ier op de lijst. Hij maakt het zijn lezers moeilijk in het begin wanneer hij vader Moran en de kinderen in alledaags gesprek laat horen na hen ternauwernood aan ons voorgesteld te hebben. Wat moeten wij met die humeurige oude Ierse landbouwer, zijn praatgrage dochters en opstandige zoons en een vrouw genaamd Rose die blijkbaar geen dochter is? Na een half uurtje hebben wij ze leren kennen en kijken onze ogen uit naar dit modale familieleven, alsof het onze eigen waarheid uitdrukt. McGahern heeft zijn roman bevolkt met echte familieleden die zich niet inhouden maar zich ook niet laten gaan, in verhoudingen die nooit zonder spanningen zijn maar nooit exploderen. Geen van de personen wordt ons intiem vertrouwd; wij kennen ze doordat wij begrijpen hoe zij met elkaar omgaan.

Met dat begrip zien wij hoe zij lange dagen op het land maken als er gehooid moet worden; hoe zij Kerstmis doorstaan, met kerk en kalkoen; hoe de oude Moran met Rose (die zijn tweede vrouw blijkt te zijn) een dagje uit toeren gaat in de auto; hoe hij begraven wordt, en hoe het de dochters opvalt dat de jongens luid lachend van de begraafplaats komen.

Amongst Women is de meest consequente roman op de lijst, van een schrijver die wist wat hij wilde laten zien en zijn plan heeft uitgevoerd. Het zou uitstekend zijn als hij de prijs kreeg, en onwaarschijnlijk is het niet, hoewel misschien minder waarschijnlijk dan dat A. G. Byatt ermee gaat strijken. Zij heeft net vorige week een nieuwe Ierse prijs gewonnen onder de klinkende naam Irish Times-Aer Lingus International Fiction Prize, dit jaar voor de tweede keer toegekend. Daar heeft zij al meer dan (L)20.000 extra mee verdiend; en McGahern heeft iets gekregen dat de tweede prijs heet maar als ik het goed begrijp gereserveerd is voor Ieren. Voor wie zijn de kansen op de Booker nu toe- of afgenomen? Het zou niet sterk klinken als de jury zei: de Ieren vinden dat, wij vinden het ook, dus hier is nog eens twintigduizend pond; maar het zou evenmin aangaan om dan een boek van minder betekenis te bekronen.

Vijf academici

En is Possession het beste? Het heeft meer van alles dan Amongst Women: niet alleen meer pagina's, ook meer verbeelding, meer energie, meer karakterisering, meer taalbeheersing. Het gaat in hoofdzaak over vijf tijdgenoten en twee Victorianen. De vijf zijn academici, Engels en Amerikaans, die zich verdiepen in het leven en werken van de twee, een bekende dichter genaamd Randolph Henry Ash en de weinig bekende Christabel LaMotte met wie hij relaties onderhield die in de loop van het boek een tijdje lang intiemer blijken te zijn geweest dan iemand vermoed had. Tussen het verhaal van nu en het verhaal van toen geeft A. S. Byatt ons voorbeelden van lange gedichten die zij geschreven hebben, en van lange brieven en van dagboekfragmenten, alles in authentieke stijlen alsof het uit ware bibliotheken en oude kisten kwam.

Wat een zusterpaar, laat de lezer zich ontvallen bij de gedachte dat A. S. de zuster is van Margaret Drabble, van wie wij een hele reeks vrouwfiguren kennen die tegelijk intellectueel, moeder en gezelligheidsmens wilden zijn. Nu slaat deze zuster, die wel eerder opgevallen was maar niet zo duidelijk, eens even de hoogste toon aan; er zal toch niet ergens een derde verborgen zijn?

Byatts boek is rijker aan romanmateriaal dan de andere van de lijst behalve Gursky, en dat is minder goed gecoordineerd. Possession is een universiteitsroman, een liefdesroman, een literaire studie, een Victoriaanse studie en een stijloefening. Aan het slot komen de elementen samen wanneer een van de Amerikaanse onderzoekers in de hoop op meebegraven brieven bij nacht het graf van Ash gaat openen. Terwijl hij zich in het zweet werkt begint het te regenen en steekt er een storm op die tegelijk Victoriaans en modern is, en dan wordt hij betrapt door zijn academische rivalen met een lantaarn nee, een zaklantaarn.

Possession heeft allerlei kwaliteiten die het aanspraak geven op nog een prijs. Daar moet tegenover gesteld worden dat Byatts lezer zich zelden verwant of begaan zal voelen met een van de personen. Ik had zo'n gevoel even aan het begin, wanneer de jongste Engelse onderzoeker zucht onder een verflenste liefde. Verder is het niet opgetreden; als ik ergens opgewonden van werd, dan van het verhaal, nooit van de mensen.

Het mooie van niet lid van de Bookerjury zijn is dat wij geen onvergelijkbare romans tegen elkaar hoeven af te wegen. Waarschijnlijk hebben Byatt en McGahern de beste kansen. Van hun tweeen heeft Byatt het meest te vertellen, maar McGahern laat ons ondervinden hoe het voelt om met andere mensen te leven.

Gelukkig dat ook de verliezers nog jarenlang plezier zullen hebben van hun plaatsing. Shortlisted voor de Bookerprijs van 1990, staat er dan telkens weer op hun stofomslagen; en 1990 was een topjaar.

    • J. J. Peereboom
    • The Gate Of Angels. Uitg. Collins
    • An Awfully Big Adventure. Uitg. Duckworth
    • Beryl Bainbridge
    • Solomon Gursky Was Here. Uitg. Chatto