Beton op tournee

In de nieuwe Nationalgalerie in Berlijn is sinds 1 september een grote tentoonstelling te zien over Carl Blechen, een Duitse schilder uit de eerste helft van de negentiende eeuw die voornamelijk landschappen schilderde, in Duitsland de zonsopgang boven een ruine van een gotische kerk of een dode boom in een besneeuwd gebergte, in Italie de tuin van Villa d'Este in Tivoli of vissers op een rots voor de golf van Napels. Blechen is in het buitenland minder bekend geworden dan zijn negentiende-eeuwse collega's Caspar David Friedrich en Adolf Menzel. Voor het samenstellen van de tentoonstelling ter ere van zijn honderdvijfstigste geboortedag kon dan ook volstaan worden met het verzamelen van doeken uit Duitse musea. Wie bij het lezen van de titels op de witte kaartjes naast Blechens schilderijen en tekeningen de kleine lettertjes niet overslaat, ziet zelfs dat het meeste tot de vaste collectie van de Nationalgalerie behoort.

Ik sta stil voor twee kleine tekeningen, een donkere van bomen in de hersft bij zonsopgang en een lichte van een weids landschap onder veel gele lucht. Ze zijn beiden eigendom van de Nationalgalerie. Toch verkeren ze voor het eerst sinds veertig jaar weer in elkaars nabijheid. De donkere tekening komt uit de Nationalgalerie in het oosten van Berlijn, de lichte uit die in het westen. Sinds kort worden ze de oude en de nieuwe Nationalgalerie genoemd.

Er zijn in Berlijn meer van zulke 'tweelingen'. Zowel in het oosten als in het westen van de stad is er een Egyptisch Museum, een museum over de klassieke oudheid en een Gemaldegalerie; er zijn zelfs twee anti-oorlogsmusea.

De rijkste Oostberlijnse musea bevinden zich op het Museuminsel, niet ver van Unter den Linden en de vroegere muur. Voor de deling van Duitsland was dit het museale centrum van heel Berlijn, voortgekomen uit de verzamelingen van de Pruisische vorsten, na 1918 eigendom van de staat Pruisen. Hier kon men, verspreid over vijf in verschillende neostijlen opgetrokken gebouwen, de blauw met gouden Babylonische poort van Ischtar zien, de marktpoort van Milete en het reusachtige Pergamonaltaar, de portretbuste van de Egyptische koningin Nofretete uit Tell-el-Amarna en de man met de gouden helm van Rembrandt.

De poorten en het altaar bevinden zich nog steeds op het Museuminsel, voor koningin Nofretete en de goudgehelmde man moet men naar West-Berlijn. Na de oorlog kwam het zwaar gebombardeerde Museumeiland in de Russische sector van de stad te liggen, maar een groot deel van de verplaatsbare, in zoutmijnen en bunkers opgeslagen kunstschatten viel in handen van de Amerikanen.

Russen

In Oost-Berlijn werden de museumgebouwen langzaamaan gerestaureerd en aan het eind van de jaren vijftig weer gevuld met de na de oorlog door de Russen meegenomen werken. In West-Berlijn moesten nieuwe locaties gevonden worden voor de iets sneller door de Amerikanen teruggegeven schatten. De Nationalgalerie trok bijvoorbeeld in 1959 in de oranjerie van slot Charlottenburg en verhuisde in 1968 naar de door Mies van der Rohe ontworpen nieuwbouw aan de Potsdamer Strasse. Om de hedendaagse kunst te huisvesten wordt nu het Hamburger Bahnhof verbouwd, voor de Westeuropese kunst van de Middeleeuwen tot 1900 verrijst nieuwbouw op het Kulturforum op de Kemperplatz.

Op het Oostberlijnse Museuminsel is het Neues Museum, in de jaren veertig van de vorige eeuw gebouwd om een 'Kompendium der Weltkulturen' te bevatten, nog steeds een ruine. Pas in 1989 begon men, ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van de DDR, met de restauratie. De ruine is het uitzicht uit de kamer van Gunter Schade, General-Direktor van de Staatliche Museen zu Berlin (SMB), zoals de Pruisische musea in de DDR heetten. De naam van de Westberlijnse delen van de tweeling bleven naar het verleden verwijzen: Staatliche Museen Preussischer Kulturbesitz (SMPK).

'Toen de muur op 9 november openging', zegt Schade, 'gaf ik mijn secretaresse meteen opdracht mijn collega Wolf-Dieter Dube, General-Direktor van de SMPK, te bellen. Het was in gesprek. Dube had zijn secretaresse hetzelfde opgedragen.' Kort daarna volgden de eerste officieuze gesprekken om tot een samenwerking tussen de twee organisaties te komen. 'Voordien bestond er tussen de Oost- en de Westberlijnse musea een officiele 'Kontaktsperre', zegt Schade, 'die zich tot het in bruikleen geven van doeken uitstrekte. Het ging zover dat zelfs een museum in een ander Westeuropees land dan de Bondsrepubliek voor een tentoonstelling van de SMB geen werken in bruikleen kreeg als ook een Westberlijns museum voor dezelfde tentoonstelling werken uitleende. Alleen als het politiek nuttig was kreeg men voor zoiets toestemming van de minister van cultuur.'

Niet bekend

Werkloos

Collega's zullen Gunter Schade en Wolf-Dieter Dube in ieder geval niet lang meer zijn. Dube wordt directeur van de weer samengevoegde musea, en Schade, wegens zijn lidmaatschap van de SED nog slechts kommisarisch in dienst, wordt werkloos. De terugkeer van koningin Nofretete naar het Neues Museum zal hij niet meer vanachter zijn bureau kunnen meemaken.

Voor de DDR-musea buiten Berlijn zijn de gevolgen van de hereniging minder ingrijpend. Geld is er voorlopig niet, maar de verkoop van oude kunst tegen deviezen via de Kunst und Antiquitaten GmbH, die de Staatliche Kunstsammlungen in Dresden in 1989 bijvoorbeeld 427 kunstwerken deed verliezen, hoeft men niet meer te vrezen. Sommige musea hebben hun collectie door de hereniging al kunnen uitbreiden, zoals de Staatliche Galerie Moritzburg in Halle. Voor de actie Entartete Kunst in 1937 was dit kleine museum gezegend met een uitgelezen verzameling expressionisten. Van de Bauhausschilder Lyonel Feininger bezat de galerie een serie van 11 in opdracht van het stadsbestuur gemaakte schilderijen en 29 tekeningen van het oude centrum van Halle, die alle door de nationaal-socialisten in beslag werden genomen. Slechts zeven tekeningen en twee schilderijen, die tussen 1945 en 1949 weer werden teruggekocht, bevinden zich nu in het museum. Onlangs heeft men een achtste tekening aan de collectie toe kunnen voegen, een voorstudie voor het schilderij Borbelgasse. Het was een geschenk van de BDI, het Bundesverband der Deutsche Industrie. Najaar 1991 komt er een grote Feiningertentoonstelling in de galerie, waarvoor onder andere Lufthansa en Daimler-Benz als sponsors optreden. De schilderijen van de Hallense serie die na de oorlog door musea in Keulen, Hamburg, Munchen, Muhlheim, Mannheim, Wuppertal en West-Berlijn werden verworven, zullen dan voor het eerst sinds 1937 weer in de Staatliche Galerie terugkeren. 'Als bruiklenen', zegt Margit Boeckh, medewerkster van het museum. 'Hier en daar wordt geroepen dat alle bij de actie Entartete Kunst in beslag genomen werken weer aan de vroegere eigenaren moeten worden teruggeven. Toch denk ik niet dat we binnen Duitsland een grote verschuiving van museumbezit krijgen. De meeste doeken zijn na 1945 door musea in de Bondsrepubliek rechtmatig verworven. Wel is het mogelijk dat vermiste doeken weer op zullen duiken, zoals Feiningers schilderij van de Borbelgasse, dat aan het eind van de oorlog in een opslagplaats van galerie Nierendorf verbrand zou zijn. Maar zeker is dat niet.'

Er hebben in de opslagplaatsen van Duitse kunstschatten na de oorlog inderdaad wel erg veel branden gewoed. Men vermoed dat deze 'branden', waarbij bij voorbeeld 109 schilderijen van de Berlijnse Nationalgalerie zouden zijn vernietigd, de roof van kunst uit de bunkers en mijnen moesten verhullen. Nu de geallieerden Duitsland zijn soevereiniteit hebben teruggegeven, kan eindelijk echt begonnen worden met de opsporing en teruggave van de verloren gewaande kunstwerken.

Biljarttafel

De Hallense kunstenaar Ralph Penz koos net als Lyonel Feininger de binnenstad van Halle tot onderwerp. Ik bekijk zijn etsen op de biljarttafel in zijn atelier in een groot oud huis aan de Grosse Steinstrasse. Halle is in de oorlog nauwelijks gebombardeerd; de huizen en monumenten die Feininger er heeft geschilderd, zoals de Rote Turm, de Marktkirche, de dom en de huizen in de smalle straatjes eromheen, ze staan er allemaal nog. De etsen van Ralph Penz laten echter niet op de eerste plaats de schoonheid van dat alles zien. Zijn werk toont het verval. 'Het behoud van de Hallense binnenstad had voor de communisten geen prioriteit', zegt Penz' vrouw. Ze kijkt naar de planken waarop sleutels, flessen, koffiemolens en scherven aardewerk liggen. Ze zijn door de laatste bewoners achtergelaten in de huizen die Penz heeft geschilderd. 'Men deed niets tot de huizen rijp waren voor de sloop en er weer een nieuw Kulturpalast kon worden opgetrokken. De communisten hadden Halle, op een paar prestigieuze monumenten na, het liefst in een grote nieuwbouwwijk veranderd', zegt ze.

Voor de Franckesche Stiftungen, een in de achttiende eeuw door de pietist Hermann Francke gesticht complex voor weeskinderen, is een brede snelweg op poten gebouwd. Het gebouw is niet gesloopt, maar daar is ook alles mee gezegd. Binnen is alleen de bibliotheek, een van de eerste in Europa met boekenplanken, nog in bedrijf. Er lijkt, nee er is, hier sinds 1728 niets veranderd. Op het oog is dat goed, maar of het de zestiende en zeventiende- eeuwse boeken geen schade heeft gedaan, zal nog moeten blijken. Als ik de deur tegenover de bibliotheek opendoe, zie ik dat de rest van het gebouw aan de duiven is prijsgegeven. Dat men toch nog vlak voor de Wende besloot het complex te restaureren kan aan de eerste indruk geen afbreuk meer doen: de Franckesche Stiftungen zijn nu een teken van de nalatigheid van het communisme het Duitse culturele erfgoed te bewaren. Ook de Frauenkirche in Dresden, na het verschrikkelijke bombardement door de geallieerden een ruine gelaten, werkt niet meer op de eerste plaats als monument tegen de oorlog. Samen met de vele ruines eromheen zegt het tegenwoordig meer over de culturele opvattingen van de SED.

De Franckesche Stiftungen worden gerestaureerd. Op het Rote Fahne monument vlak bij het atelier van Ralph Penz is het verval net begonnen. Het monument, opgericht ter ere van de vijftigste verjaardag van de grote socialistische oktoberrevolutie, is niet rood meer. Met verfbommen heeft men het bespat met de felste kleuren van de regenboog. Er is ook graffiti aangebracht: 'Volksentscheid', volksstemming, staat er in driftige zwarte letters.

Wat zou het volk in dit geval beslissen? Wat gaat er gebeuren met de talloze standbeelden van Marx, Lenin en andere voormannen, die dat moet de Oostduitse beeldhouwers nagegeven worden meestal door kunstenaars uit andere Oosteuropese landen zijn ontworpen? Vooral Westduitse intellectuelen vrezen dat er door het afbreken van de socialistische monumenten weer dezelfde fout wordt gemaakt als na 1945, toen de sporen van het nationaal-socialisme uit het openbare leven werden weggewist. 'Een democratische maatschappij moet ook met kunsthistorische pijnlijkheden weten om te gaan', formuleerde Gerhard Uhlmann het probleem in het Berliner Kunstblatt. Voor dat doel werd in juni in Berlijn de Verein fur Denkmalpflege und Restaurierung opgericht.

Ook historische tekens verdwijnen snel. In Halle heet de Klement Gottwaldstrasse alweer Leipziger Strasse en de Ernst Thalmannplatz zal spoedig wel weer Riebeckplatz worden genoemd. Zelfs het bewaren van een stuk van de muur, het symbool van de laatste veertig jaar Duitse geschiedenis, kost moeite. Aan de oostkant, tussen de Oberbaumbrucke en het Hauptbahnhof, is de muur vorige maand voor het eerst beschilderd. Niet met wilde graffiti zoals in het westen, maar met zoete, wat psychedelische tekeningen over vrede en geluk door tachtig binnen- en buitenlandse kunstenaars. Ook dit deel van de muur zal verdwijnen: in stukken gehakt zal het 1,3 meter lange beton een tournee maken door de Sovjet-Unie, Amerika, Japan, en een aantal Westeuropese landen. Daarna worden de stukken waarschijnlijk door Sotheby's geveild.

Plexiglas

In verschillende Berlijnse woonwijken stuitte het plan om daar een stuk van de muur als gedenkteken te laten staan op protest. Men weigerde er nog langer tegen aan te kijken, een in plexiglas gegoten brokje op de schoorsteenmantel is wel genoeg. Van de muur blijft waarschijnlijk alleen een stuk staan voor de Martin Gropius Bau, een museum.

In het Oostberlijnse Museum fur Deutsche Geschichte is de afdeling over de DDR gesloten; in die zaal is nu een kleine expositie over slachtoffers van het stalinisme ingericht. Pas als het (Westduitse) Deutsches Historisches Museum de plaats van het Museum fur Deutsche Geschichte in het Zeughaus aan Unter den Linden heeft ingenomen, zal er een afdeling over de laatste veertig jaar Duitse geschiedenis worden geopend.

Ook andere historische musea, zoals het Museum voor de geschiedenis van Berlijn, waarin het Markische museum (Oost-Berlijn) en het Berlinmuseum (West-Berlijn) in augustus zijn opgegaan, zal zijn afdeling hedendaagse geschiedenis opnieuw moeten vormgeven. De Oostberlijnse wethouder van cultuur had daarvoor al opdracht gegeven het verzamelgebied van het museum uit te breiden. Om een beeld van het dagelijks leven in de DDR vast te houden kopen conservatoren nu verpakkingsmateriaal en speelgoed. Ook de voormalige DDR-kunstenaars kunnen in dit museum een goede afnemer vinden: met stadsgezichten en straatscenes wil Rusta de geschiedenis van Berlijn als hoofdstad van het socialistisch vaderland documenteren.

Zal in het verenigde Duitsland het geven van een tijdsbeeld nog de enige functie van de DDR-kunst zijn? Wolf-Dieter Dube, sinds 3 oktober directeur van de herenigde Berlijnse musea, heeft gezegd dat de DDR-kunst niet automatisch op een plaats in de Nationalgalerie kan rekenen. Alleen de kunst van de Ausgeburgerte zou daarvoor in aanmerking komen, de rest kan beter naar een historisch museum worden overgebracht.

Dubes voormalige collega Gunter Schade vindt dat de DDR-kunst wel in de Nationalgalerie thuishoort. Natuurlijk, ook van Schade hoeft op deze tentoonstelling geen portret van een arbeider of een schilderij over de Duits-Russische vriendschap te hangen, zoals van elke tentoonstelling in de Nationalgalerie van de DDR werd geeist. De verzameling, aangevuld met werk van voorheen genegeerde kunstenaars als Hermann Glockner en Gerard Altenbourg, moet samen met de kunst van de Bondsrepubliek als 'Duitse kunst na 1945' gepresenteerd worden. De Oostduitse schilder Olaf Nehmzov vindt dat de DDR-kunst wel in een museum voor kunst thuis hoort, maar op een aparte afdeling, om aan de bijzondere ontwikkeling van de kunst in de DDR recht te doen. De kunsthistoricus Christoph Tannert kan op de vraag waar en hoe de DDR-kunst getoond moet worden, nog geen antwoord geven. 'Eerst moet de kunstgeschiedenis herschreven worden'.

Misschien vraagt de Duitse geschiedenis wel om een nieuw type museum, een museum waarvoor niet op esthetische, maar op kunsthistorische gronden geselecteerd wordt. Daar zou de kunst die na de breuken in de geschiedenis, na 1933, na 1945, na 1990, in de depots verdwijnt, kunnen worden getoond. Er zouden in ieder geval drie zalen moeten zijn: een met Entartete, een met nationaal-socialistische en een met socialistisch-realistische kunst.