Betaal of ik hekel je dood; Oud-Ierse verhalen in Nederlandsevertaling

Hoe de eerste schoothond in Holland kwam en hoe dat de Hollander verheugde en de mede-Hollander verdroot, wie zou daar niet graag een verhaal over lezen? Toch heeft zich tot dusver geen enkele schrijver aan het onderwerp gewaagd. Waarom niet? Omdat het hier mangelt aan fantasie en dierlijke diepgang. Dan de Ieren! Al in een handboek uit de tiende eeuw komt een verhaal voor waarin precies beschreven staat hoe de eerste schoothond in Ierland kwam. En zijn naam luidde (stotter niet!): Horige van het heft.

Het verhaal speelt in een tijd dat Ierland nog volkomen hondloos was, terwijl er in de Britse buurlanden al heel wat honden op schoot zaten. Dat maakte de Ieren natuurlijk jaloers en hebzuchtig. Maar die hebzucht konden ze niet bevredigen, want bij de Britten was het per decreet verboden om honden weg te geven of te verkopen. Het lukt de Ier Coirpre Musc dan ook met geen mogelijkheid om de voortreffelijke schoothond van zijn Britse vriend af te troggelen.

Nu hadden de Britten destijds een voorbeeldige jurisprudentie, wat blijkt uit deze wet: iedere schuldige wordt voor zijn vergrijp horig aan degeen wiens wet hij heeft geschonden. En met deze wet in zijn achterhoofd verzint Musc een list. Hij bezat een wonderschoon mes, zo'n echt prestige-object met een heft vol gouden en zilveren versiersels.

Als hij weer eens bij zijn vriend te logeren is, smeert hij dat heft stiekem in met runder- en varkensvet. Het aldus verrijkte mes legt hij 'snachts pal voor de neus van de aanbeden hond. Die weet daar wel raad mee: 'De schoothond knaagde tot de ochtend aan het heft. Het mes werd bedorven, zodat het die volgende morgen niet mooi meer was.'

Niet mooi meer was, dat is nu een van die typerende understatements die deze oud-Ierse verhalen zo aantrekkelijk maken. Musc veroorzaakt dan ook onmiddellijk een hoop stampei vanwege dit mes dat niet mooi meer was en eist van zijn vriend een 'rechtvaardige afhandeling'. De vriend belooft dat hij het misdrijf zal vergoeden. En dan slaat Musc zijn slag: 'Ik aanvaard alleen wat in de wet der Britten staat dat wil zeggen: iedere schuldige voor zijn vergrijp.' Daarop werd de schoothond weggegeven voor zijn vergrijp, en hij kreeg de naam Mug Eme, Horige van het heft.

Hee, denkt de hedendaagse lezer, wat een vreemd idee van vriendschap hielden ze er toen op na. Dat mag dan misschien wel zo lijken, maar andere ideeen over vriendschap hoeven die vriendschap zelf er niet wezenlijk anders op te maken. Bij lezing van deze eeuwenoude wrede en meedogenloze verhalen wijst de schok der herkenning je er juist op dat de mens er in zijn gevoelsleven niet speciaal op vooruit is gegaan en waarom zou hij ook.

Wat wel zichtbaar is veranderd, is de vertelwijze van verhalen en die is bij de oud-Ieren een stuk droger, ingehoudener, onopgesmukter, springeriger, kernachtiger en, door de afwezigheid van allerlei reflecties of gevoelsuitweidingen, ook een stuk 'harder' dan we in de regel gewend zijn. Maar juist doordat ze zo anders zijn hebben ze de moderne lezer, die immers tuk is op vernieuwingen, veel te bieden. En hoe verrassend zijn vernieuwingen die niet gepland werden maar gewoon ontstaan zijn door de loop van de tijd!

Krankzinnig

Daarom is het buitengewoon verheugend dat Maartje Draak en Frida de Jong nu voor de derde maal een aantal van deze oud-Ierse verhalen voor ons toegankelijk hebben gemaakt. Hun nieuwe bundel vertalingen draagt de titel De lastige schare. Op enkele korte verhalen zoals genoemd hondeverhaal na wordt het boek voornamelijk in beslag genomen door het krankzinnige, onderhoudende en leerzame titelverhaal. Dat het daarin om een lastige schare zou gaan is overigens nog zacht uitgedrukt: het zijn je reinste machtswellustelingen die hier de lakens uitdelen en dat kunnen zij doen omdat ze beschikken over de toverkracht van het woord. Stel dat de Hollandse schrijver ook eens de macht zou bezitten om iemand dusdanig te hekelen dat hij dood neerviel of, indien hij niet meteen dood neerviel dat hij dan toch minstens ontwaakte met een kop vol puisten of allerhande zware verminkingen of duistere lichaamsgebreken, dan wordt misschien duidelijk om wat voor soort lastigheid het hier gaat. Maar de toverkracht van het woord talloze kerngezonde slachtoffers van lompe en kleingeestige polemieken bewijzen het is niet meer wat ze geweest is. Hoe komt dat? Door de hocus-pocus van het christendom die er voor in de plaats kwam.

Vandaar dat het zo fascinerend is om kennis te maken met een denktrant uit de voor-christelijke cultuur waarin die toverkracht nog volop aanwezig is. In het voor-christelijke Ierland was men nog niet tot geschreven taal overgegaan. Voor een samenleving die toch al redelijk beschaafd is, houdt dat in dat letterlijk alles, afspraken, overeenkomsten, voorlichtingen, brieven, instructies, raadsels en ook gedichten en verhalen, alleen maar kan bestaan bij de gratie van het gesproken woord. Maar dan moeten er natuurlijk wel mensen zijn die een perfecte mondelinge taalbeheersing bezitten en dat waren in Ierland de filid (enkelvoud fili). Fili werd je niet zomaar. Je kon het pas worden na een jarenlange training bij een leermeester (Maartje Draak vergelijkt het met de opleiding van de tegenwoordige concertmusicus) en niet dan nadat je een geweldig voordrachtrepertoire had opgebouwd. Maar dan was je macht ook onbegrensd en zo veelomvattend dat je voortaan zonder materiele wapens door het leven kon. Weigerde iemand het bij voorbeeld om een fili voor zijn optreden te betalen dan begon die dadelijk te dreigen met spontane spreuken of smaadgedichten. Die maakten de tegenstander niet alleen eer- of weerloos, maar konden hem tevens doden of zwaar verminken. Vooral voor de vele Ierse vorsten die geen enkel lichaamsgebrek mochten hebben en wier macht al had afgedaan met het verschijnen van een puist, was dit een ramp. Dat maakte chantage mogelijk en zo kwam het dat de rondreizende filid onbeperkt van allerlei vorstelijke rijkdommen konden profiteren. Ze konden eisen wat ze maar wilden, de beste bedden, het lekkerste stuk vlees, het snelste paard. Zelfs de allermooiste en dierbaarste vrouw werd onmiddellijk afgestaan als daarmee een hekeldicht kon worden voorkomen.

Persiflage

Wat er van die toverkracht ook allemaal waar moge zijn, kennelijk kon alleen het geloof erin al bergen verzetten. De lastige schare kan gerekend worden tot het soort verhalen waarin de macht der filid weer eens ongebreideld voortwoekert maar tegelijkertijd, en dat is juist het aardige ervan, vormt het ook een persiflage op die verhalen (evenwel zonder dat de grappigheid van die persiflage de kwaliteit van de verteltrant aantast). Dat laat zich hieruit verklaren dat het verhaal ontstond in een tijd dat het christendom in Ierland al veld begon te winnen. En waar het woord vlees wordt schijnt het geloof in de toverkracht van het woord nu eenmaal te moeten tanen. Dat wil niet zeggen dat de filid nu een twee drie al hun macht kwijt waren de nieuwe religieuze gemeenschap kon zulke taalexperts trouwens maar al te goed gebruiken maar ze moesten wel een toontje lager gaan zingen en hun chantagepraktijken laten varen. Dit verhaal lijkt ze daartoe een forse spiegel te willen voorhouden: kijk uit, maak het niet te bont, eis niet te veel, want dan krijg je de kous op de kop. Bijgevolg kijkt in dit verhaal niemand uit, maken alle filid het te bont en krijgen zij derhalve de kous op de kop (en dan ook nog van een christen!). Dat wil trouwens niet zeggen dat geen enkele gehekelde het loodje legt. Zelfs dieren moeten eraan geloven. Irusan bij voorbeeld, een kat die schromelijk tekort heeft geschoten als muizenvanger, 'blijft zonder leven' nadat het volgende smaadgedicht over hem werd uitgesproken:

Irusan, klauwenaanval,

overschot van waterdier,

staart van ritsig rund,

slaap tegen slaap,

aanval op, Irusan.

Een duister gedicht waar de dodelijke werking niet direct vanaf valt te lezen. Maar de dichter is niet te beroerd om het zelf uit te leggen en wat er dan als uitleg volgt is misschien nog poetischer dan het gedicht zelf:

'Irusan klauwenaanval, dat wil zeggen: wanneer de muis in de wand zit, blijft de kat niets anders over dan de wand met zijn klauwen te bewerken. Overschot van waterdier, want de voorvader van de katten lag eens op de oever van een meer te slapen toen er een waterdier op hem afkwam, en die beet de top van zijn beide oren af; en vanaf die tijd heeft iedere kat rare flard-oren. Staart van ritsig rund, want de staart van een bronstig rund slaat niet sneller dan zijn staart als de muis hem ontsnapt.' En dan de allermooiste: 'Slaap tegen slaap, dat wil zeggen: de muis en de kat zijn aldus, als twee paarden dicht bij elkaar: haar oor is gespitst naar hem, en zijn oor is gespitst naar haar.'

In een van haar vele informatieve en levendige toelichtingen noemt Maartje Draak sommige van deze verhalen tantaliserend 'omdat wij slechts schijnsels zien van heel interessante zaken die voor ons niet helder worden'. Is dat niet een kenmerk van alle waarachtige literatuur?