Luxaflex of gestileerde vruchten op de gordijnen

Toen mijn pasgetrouwde grootouders rond 1930 hun huis inrichtten, choqueerden zij de hele familie. Hun tapijt was knalrood, de gordijnen waren gemaakt van lichtblauwe badstof en het echtelijke bed was een verchroomd buismeubel van Thonet. Zij voelden zich erg modern want in die tijd voerden zware eikehouten en met pluche beklede meubelen de boventoon.

Hun inrichting, compleet met stoffen van Het Paapje en glaswerk van Leerdam, zou niet hebben misstaan op de, overigens hinderlijk onoverzichtelijke opgestelde, tentoonstelling 'Alles op zijn plaats' in de Haarlemse Vishal, maar helaas heeft niemand er ooit een foto van gemaakt. De vakfotografen Jaap d'Oliveira, Hans Spies en Jan Versnel lieten echter wel archieven na, met tienduizenden negatieven van hun opnamen van woon- winkel-en bedrijfsinterieurs in de jaren 1935-1965. De kunsthistoricus Adriaan ('A3aan') Elligens koos er voor deze tentoonstelling ruim honderd uit en schreef de catalogus, in opdracht van de Stichting voor Fotografische Projekten en Kunst.

Omdat Spies, Versnel en d'Oliveira hun opdrachtgevers vonden in de kringen van de meest vooruitstrevende architecten en fabrikanten geven hun foto's een fascinerend beeld van drie decennia 'Goed Wonen'. Fascinerend, maar ook schokkend. Want ieder die werd gedwongen op te groeien in de zielloze model-interieurs van de jaren vijftig en zestig moeten de rillingen in Haarlem herhaaldelijk over de rug lopen. Hoe heeft het ooit zover kunnen komen? Op de foto's uit de jaren dertig is alles nog in orde. Functioneel meubilair siert huizen waar een 'geestelijke hygiene' heerst. D'Oliveira fotografeerde bijvoorbeeld een droom van een nieuw-zakelijke zitkamer, ontworpen door Willem Penaat. Verschillende lage kastjes en buffetten zorgen voor een harmonieuze vlakverdeling, die wordt ondersteund door rechthoekige muurschilderingen van Bart van der Leck.

De robuuste bescheidenheid waarmee de avantgarde van de jaren dertig zich in huisvestte verdween spoorloos. In de foto's uit de jaren veertig ziet men een nutteloze sierlijkheid in de interieurs kruipen. De vorm volgt niet langer de functie, maar begint zich op te stellen als een dictator. De muren van een tasjeswinkel lopen in het rond, kasten en tafels beginnen te golven en veel te fragiele pootjes krullen zich behaagziek onder stoelen en krukjes.

Gelukkig krijgt de nuchterheid in de jaren vijftig weer de overhand, al slaat die spoedig om in een gevoelsarme, minimalistische meubelstijl die enkel in een belastingkantoor op zijn plaats zou zijn. Neem bijvoorbeeld de keuken van de cabaretier Toon Hermans, uit 1956, gefotografeerd door Hans Spies. Op kille linoleumtegels staat een huishoudster die eruit ziet als een verpleegster: zij dekt de tafel die wordt beschenen door een neonlamp. Luxaflex houdt het daglicht buiten. De ronde vormen van de tafel en een kastje vloeken met de steriele, rechthoekige geest van het interieur. De foto is in zwart-wit, maar ongetwijfeld waren de kleuren van de tegels van een droevig makende opgewektheid: geel, rood, groen. Op de gordijnen staan akelig gestileerde vruchten. Het was een stijl die, hoe hard de stichting Goed Wonen haar ook propageerde, nooit bij brede lagen van de bevolking is aangeslagen. Geen wonder. Pas na 1965, en dus buiten het bestek van deze expositie, zal er weer wat leven in de binnenhuizen komen, hoe schel oranje en pimpelpaars ook in het begin.

De hier op foto's getoonde woningen en bedrijfsinterieurs waren in hun tijd niet de eerste-de-besten. Reden temeer om nieuwsgierig te zijn naar de opdrachtgevers, de ontwerpers, en naar wat er van de interieurs geworden is. Zowel op de tentoonstelling als in de catalogus telt de informatie bij elke foto slechts twee regels. Een degelijke inleiding in de modes van het binnenhuisinterieur ontbreekt. En zelfs een verantwoording over hoe zij kwamen tot de keuze van het handjevol foto's uit de tienduizenden die zij mochten bekijken laten de samenstellers achterwege.

De bezoeker krijgt evenmin een indruk van hoe de getoonde stijlen van binnenhuisarchitectuur door tijdgenoten werden gewaardeerd. Juichte men in Den Bosch in 1950 van enthousiasme over de marmeren inrichting van de Hema-lunchroom? Kwamen er meer klanten in de futuristische kapsalon van Van der Laken in Amsterdam, naar een ontwerp van de De 8-architecten Zanstra, Giesen en Sijmons?

Het oordeel over het huis van mijn grootouders viel na de eerste schrik uiteindelijk goed uit. Jaren later mochten zij nog graag vertellen over de reacties van hun kennissen in 1930: 'Dat zo'n modern interieur toch nog zo gezellig kan zijn'.

Alles op zijn plaats. Het moderne interieur in de fotografie 1935-1965. De foto's van Jaap d'Oliveira, Hans Spies en Jan Versnel', t/m 4 nov. in: de Vishal, Grote Markt 18/20 Haarlem, ma. t/m za. 11-17u., zo. 13-17u. Catalogus fl.39,50.