Liberalisme glorieert dank zij Oost-Europa

Het liberalisme heeft slechtere tijden gekend. De voorvechters van het liberalisme hebben de deconfiture van het communisme aangegrepen om de superioriteit van hun leer aan te tonen. In Nederland reist VVD-leider Bolkestein stad en land af om de zegeningen van het vrije marktmechanisme uiteen te zetten. De ontwikkelingen in Oost-Europa zouden er toe kunnen bijdragen dat het Europese integratieproces zich in een exclusief liberale richting zal ontwikkelen.

'Het lijdt weinig twijfel dat toekomstige geschiedschrijvers op het einde van deze eeuw zullen terugkijken als een gouden tijdperk van het liberalisme. Meer dan een halve eeuw had het socialisme als ideologische maatstaf gegolden. Met het economische debacle van de jaren zeventig stuitte het echter op zijn eigen interne contradictie. De kosten van het gelijkheidsstreven werden groter dan de baten van de sociale bescherming. Het liberalisme hervond zijn zelfvertrouwen en werd aan het eind van dit decennium door de implosie van het communisme van zijn belangrijkste concurrent beroofd.'

Dit citaat is afkomstig uit een artikel van VVD-fractievoorzitter Bolkestein in HP/ De Tijd van 14 september, waarin hij uiteindelijk tot de conclusie komt dat de anti-liberale ideologieen tot de periferie van het politieke wereldtoneel lijken te zijn veroordeeld. Hoewel ik zijn argumentatie afwijs, deel ik Bolkesteins conclusie. Inderdaad heeft de Westeuropese geschiedenis een punt bereikt dat grote kansen biedt voor het liberalisme.

Bolkesteins stelling dat in onze eeuw het liberalisme zijn gouden tijdperk beleeft, zou aan geloofwaardigheid winnen als hij zou aantonen dat de ongekende economische bloei van het Westen in de na-oorlogse periode tot ongeveer het einde van de jaren zestig, een direct gevolg is geweest van liberaal beleid. Historici breken zich nog steeds het hoofd over een verklaring van de langste periode van economische groei die West-Europa heeft gekend. Een ding is echter zeker: het liberalisme heeft er weinig mee te maken. Onder invloed van de oorlog en voor sommige landen de wederopbouw, hebben namelijk alle regeringen in het Westen, de Verenigde Staten daarbij inbegrepen, zich in meer of mindere mate overgegeven aan de grootste liberale zonde: staatsinterventie. 'Dat mag waar zijn', horen wij Bolkestein reeds roepen, 'maar het is toch allemaal misgegaan in de jaren zeventig?'

Inflatie

Een aantal Westeuropese regeringen is inderdaad na de oliecrisis niet in staat geweest zich effectief te verweren tegen de fnuikende werking van de loon- en prijsspiraal. De gevolgen van deze politiek zijn bekend: groeiende werkloosheid en aanhoudende inflatie. Het is echter te simpel om dan, zoals Bolkestein doet, vervolgens vast te stellen, dat de problemen van de jaren zeventig in het daaropvolgende decennium zijn opgelost door een herinvoering van het marktmechanisme. Reagan heeft een dergelijk beleid voornamelijk met de mond beleden maar in werkelijkheid een vulgair keynesiaans beleid gevoerd. Thatcher is een beter voorbeeld, maar ik vraag mij af hoe Bolkestein het zou vinden in een land te moeten wonen waar de inflatie zich niet meer met een cijfer laat uitdrukken.

Nee, als we op zoek zijn naar lage inflatie- en hoge groeicijfers springen er twee landen onmiddellijk in het oog, Japan en West-Duitsland. Beide landen bezitten echter een economie die in hoge mate door staatsinterventie wordt beinvloed. Men kan dus gemakkelijk Bolkesteins stelling omdraaien en voorspellen dat onze eeuw later zal worden getypeerd als die van de ondergraving van het beginsel van staatsonthouding.

Bolkestein zou er goed aan doen zich enigszins te verdiepen in de economische wetenschap. Geen econoom durft nog te beweren dat alle markten perfect werken en dat niemand zich zorgen hoeft te maken over de zogenoemde externalities als vervuiling, ongewenste inkomensverdeling en dergelijke. Dat zou liberale politici aan het denken moeten zetten. Zij kunnen wel beweren dat de neo-keynesiaanse benadering altijd gepaard zal gaan met inflatie en budgettaire problemen, dat wil echter niet zeggen dat moet worden teruggegrepen op het aloude ideaal van een vrije markteconomie.

Bolkestein is echter politicus genoeg om het volk niet te vermoeien met lastige nuanceringen. Het gaat hem er om de ideologische wind in de rug te benutten voor stemmenwinst voor zijn partij. Hier beginnen echter de problemen. Het is namelijk de vraag of dit liberaal reveil zal standhouden als de invoering van de vrije markt in Oost-Europa niet onmiddellijk de zegeningen brengt die men er van verwacht.

Liberaal experiment

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat het overgangsproces van een planeconomie naar een markteconomie zonder horten en stoten zal verlopen. Degenen die daar wel van uit gaan, zoals de aanhangers van het plan-Sjatalin in de Sovjet-Unie en de Harvard-econoom Jeffrey D. Sachs, baseren hun pleidooi voor een snelle overgang naar een vrije markteconomie op een aantal discutabele vooronderstellingen. Zij nemen aan dat Oosteuropeanen en Russen zich vanzelf zullen ontwikkelen als nijvere ondernemers, zodra het knellende communistische keurslijf is afgelegd. Zodra de subsidies zijn afgeschaft, de munteenheid convertibel is, de industrie geprivatiseerd en de prijzen worden bepaald door het marktmechanisme, komt alles in orde.

Dit beleid is reeds in Polen uitgevoerd, inflatie en werkloosheid hebben sindsdien een hoge vlucht genomen. Neo-klassieke economen beschouwen deze verschijnselen als normale aanpassingsverschijnselen die zich alleen zullen voordoen op de korte termijn. Op de lange termijn zullen de marktprikkels arbeiders aanmoedigen om harder te gaan werken zodat de produktie stijgt en prijzen vermoedelijk dalen. Ten slotte zal iedereen genieten van de zegeningen van het marktmechanisme.

Waarom zouden Oosteuropeanen zich echter zo snel en gemakkelijk aanpassen aan de veranderende omstandigheden? Een Amerikaanse arbeider in de staalindustrie vindt het al moeilijk om zich om te scholen tot computerprogrammeur. Wat dan te denken van zijn Sovjet-collega die veel tijd kwijt is aan inefficient werken en het voorzien in zijn dagelijkse behoeften, wat hem afhankelijk maakt van illegale verdiensten en in veel gevallen van alcohol? Het zou wel eens zo kunnen zijn dat 73 jaar communisme voldoende is om elk gevoel voor vrijheid en dus voor verantwoordelijkheid uit te bannen.

De geschoolde elites in Oost-Europa en met name de Sovjet-Unie zullen spoedig ontdekken dat het succes van het in te voeren liberalisme nog even op zich laat wachten. Dat inzicht zal sommigen er toe brengen een goed heenkomen te zoeken in landen waar het in principe wel mogelijk is om, als men tenminste succes heeft, de beschikking te hebben over een zwembad in de tuin en een goed gevulde wijnkelder. De Russische krant Vetsjesnaja Moskva publiceerde 16 februari de uitkomst van een enquete onder negenduizend Moskovieten. 27 procent van de ondervraagden in de leeftijdsklasse van 18 tot 30 jaar zei van plan te zijn naar het Westen te emigreren zodra de Sovjet-autoriteiten dat toestaan.

Europese integratie

Deze dreigende vluchtelingenstroom lijkt nu de onderhandelingen over een mogelijke Economische en Monetaire Unie (EMU) van de EG-lidstaten te beinvloeden. Er is namelijk een kleine maar groeiende groep beleidsmakers in Frankrijk, de Benelux en het nieuwe Duitsland die het vraagstuk van een EMU mede bekijkt vanuit het perspectief van het vluchtelingenvraagstuk. Deze groep weet heel goed dat de Westeuropese verzorgingsstaten geen enkele behoefte

ben al deze vluchtelingen uit het Oosten te adopteren. Daarom zijn zij op zoek naar wegen om de vluchtelingenstroom tegen te houden. Dat vereist een grotere cohesie binnen het Europa van de Vijf dan het Schengenverdrag lijkt te bieden en zou pleiten voor een beperkte EMU waar alleen West-Duitsland, Frankrijk en de Benelux lid van zijn.

Diezelfde beleidsmakers kijken met grote angst naar het zuiden waar vluchtelingen uit Noord-Afrika in groten getale Italie en Spanje binnenkomen. Ook deze vluchtelingen zijn niet gewenst in de voornoemde vijf landen en moeten dus worden tegengehouden, wat de Spaanse en Italiaanse autoriteiten niet lukt. Ook hier zou een beperkte EMU met streng gecontroleerde grenzen uitkomst kunnen bieden. Deze gedachtengang is natuurlijk buitengewoon speculatief. Waarom zouden monetaire maatregelen nodig zijn om een vluchtelingenstroom in te dammen? Als alleen om deze reden een beperkte EMU wordt gepropageerd heeft deze weinig kans van slagen. Er bestaan echter nog meer argumenten.

De rijke landen vrezen namelijk dat de totstandkoming van een EMU tussen de Twaalf de druk op hen zal vergroten meer geld te investeren in de armere gebieden, omdat deze niet met de harde gemeenschappelijke munt uit de voeten zullen kunnen. De rijke landen voelen er niets voor om het zuiden te onderhouden. De Westduitse regering weet heel goed dat de invoering van de vrije markteconomie in Oost-Duitsland meer voeten in aarde heeft dan neo-klassieke economen voorspellen en heeft daarom alle reserves nodig om de vereniging tot een goed einde te brengen. Frankrijk en de Benelux hebben ook al geen behoefte om te investeren in landen waar de bestaande wankele en gebrekkige politieke structuren dit tot een hachelijke onderneming maken.

Een beperkte EMU kent dit alimentatie-probleem natuurlijk niet, bovendien weet de President van de Bundesbank, Pohl, heel goed dat een EMU bestaande uit vijf landen het hem veel gemakkelijker maakt om het Duitse model als voorbeeld te nemen. Pohl vindt integratie prachtig zolang er voldoende institutionele garanties bestaan dat een Europese Centrale Bank zich net zo in zal zetten voor prijsstabiliteit als de Bundesbank dat altijd gedaan heeft. Voor Frankrijk en de Benelux is een EMU met Duitsland ook interessant. Het schept een kader waarin zij vermoedelijk iets meer greep krijgen op het rentebeleid van de Bundesbank dan het geval is onder het huidige EMS-stelsel. Politici in deze landen hebben zich meermalen er aan geergerd dat hun centrale banken gedwongen waren om elke rentegril van de Bundesbank te volgen. Het lijkt er dus op dat een Europa van de twee snelheden dichterbij is dan ooit tevoren. Wat betekent dat voor het liberalisme in West-Europa?

Reveil

Als Bolkestein en de zijnen zich gaan inzetten voor een beperkte EMU, zullen zij moeten toegeven dat de toepassing van hun liberale principes niet in alle gevallen tot de gewenste resultaten leidt. Deze vaststelling komt hard aan omdat de universele pretentie van de ideologie in het geding is. Liberalen tillen daar echter niet zo zwaar aan. Zij kunnen altijd als verdediging aanvoeren dat op langere termijn het liberalisme ook in Oost-Europa zijn vruchten zal afwerpen. Bovendien weten zij dat deze ideologische smet op het liberale blazoen slechts een geringe prijs is voor een Europa dat uitsluitend lijkt te zijn uitgerust om een ideologie te dienen: het liberalisme. Dat is namelijk de ultieme consequentie van een beperkte EMU.

Binnen een beperkte EMU zal het democratisch deficit absurde vormen aannemen. Het Europees Parlement van de Twaalf zal zich om voor de hand liggende redenen niet bezig kunnen houden met de controle op de totstandkoming van het gemeenschappelijke economische en monetaire beleid van de Vijf. Daarenboven zal het gemeenschappelijke economische beleid moeilijker tot stand komen als men de soevereiniteit reeds verloren heeft op monetair gebied. Terwijl Europa schreeuwt om een gecoordineerd werkgelegenheids- en milieubeleid komt er dan uitsluitend samenwerking tot stand op monetair gebied. Tot hun grote genoegen zullen Bolkestein en de zijnen vaststellen dat een beperkte EMU hun de beste garantie geeft dat allerlei pogingen tot staatsinterventie in de kiem worden gesmoord, omdat er geen consensus over bestaat en omdat er geen institutionele structuren voor bestaan. Het zal een Europa zijn waarin Bolkestein zich zeer thuis voelt.

    • A. J. Boekestijn