Ideologie zorgenkind christen-democraten

Ze waren met z'n twaalven. Een partijcommissie. Het CDA we schrijven januari 1983 bevond zich in een weinig riante toestand. De bedreigingen voor de jongste politieke stroming van het land waren legio. Het duo Scholten/Dijkman kon door uit te treden de partij uiteenspelen, voor de eventuele plaatsing van de kruisraket gold een zelfde vrees, en intussen toonde E. Nijpels (VVD, 36 zetels) zich bijzonder bedreven de problemen van het CDA onder de aandacht van de kiezer te brengen.

Dat was het klimaat waarin de 12-koppige CDA-commissie zich bevond toen ze zich in tastende bespiegelingen een moderne ideologische plaatsbepaling poogde te verschaffen. Toen viel het woord: zorgzame samenleving. Ze zouden het in hun rapport ('Van verzorgingsstaat naar verzorgingsmaatschappij') prominent neerschrijven.

Commissievoorzitter en VU-hoogleraar D. Kuiper: 'Drie jaar later, in 1986, kwam Brinkman opnieuw met de zorgzame samenleving. Hij nam de term van ons over. Ik moet zeggen dat ik er nooit gelukkig mee ben geweest. We hebben hem in die commissie niet eens bedacht, hij stond al in het regeerakkoord van het eerste kabinet-Lubbers. Maar tegelijk onderken ik dat hij het CDA een duidelijke ideologische positie verschafte.'

De ideologische positionering van het CDA en de totstandkoming ervan: het is bij de viering van het tienjarig bestaan van de partij vandaag een thema dat weinig aandacht trekt. Niettemin was er in de partij veel over te doen. De discussie erover speelde zich weliswaar voornamelijk achter gesloten deuren af, bovendien werd ze veelal gevoerd door CDA'ers die zich in de periferie van de macht bevonden, maar het sluitstuk ervan zou van aanzienlijke betekenis zijn voor de wijze waarop in de jaren '80 de Nederlandse verzorgingsstaat van gedaante veranderde.

Voordat het zover kon komen moest het CDA een geestelijke salto mortale ondergaan. Zo althans herinnert M. Leyten-de Wijkerslooth het zich, een van de mensen die intern grote invloed hadden op het ideologische partijdebat. Niet alleen had ze zitting in nagenoeg elke partijcommissie die erover ging, ze is daarnaast een van de vertrouwelingen van partijleider Lubbers in de jaren '80 ging bijna geen kabinetsformatie voorbij waarin ze niet werd verzocht minister van justitie te worden. Ze koos in 1987 voor de Raad van State.

Leyten: 'De drie afzonderlijke partijen KVP, ARP, CHU waren in de jaren '70 ideologisch gaan zwabberen. We waaiden mee met de progressieve wind die over het land ging. Het beleid dat werd gevoerd hield nauwelijks verband met de tradities van de christen-democratie. Maar omdat we zo ontzettend druk waren met het aaneensmeden van de drie partijen kwamen we nauwelijks toe aan discussie daarover.'

In de jaren '70 vreesde ook Leyten dat de totstandkoming van het CDA te laat zou komen, omdat de ideologische en de electorale neergang van de christen-democratie tragisch veel op een vrije val leek. 'Op de golven van de maatschappelijke omslag aan het eind van de jaren '60 hadden we grote moeite een nieuw evenwicht te vinden. Nu is het makkelijk vast te stellen dat Nieuw Links volstrekt doorgeslagen was, maar toen niet. Ik was destijds al een uitgesproken harmoniedenker. Het polariseren in de jaren '70 vond ik dus volstrekt verkeerd, dat stak ik ook nooit onder stoelen of banken. Maar als je dat in die tijd hardop zei, werd je smalend aangekeken. Intussen ging de de-confessionalisering voort. Het lag niet voor de hand dat het CDA zijn aanhang zou behouden, en evenmin dat we een consistente politieke lijn uit konden zetten.'

De eerste ideologische verkenningen die de drie partijen in de jaren '70 gezamenlijk uitvoerden, worden achteraf ook met weinig trots beschouwd. Zo verscheen in 1972 het door de latere partijvader P. Steenkamp geschreven 'Op weg naar een verantwoordelijke maatschappij', welke titel ten onrechte een gelijkenis met het antistatelijke CDA-denken van de jaren '80 doet vermoeden. A. Oostlander, die bij de totstandkoming van het CDA directeur van het Wetenschappelijk Instituut (WI) werd: 'Dat stuk vertoonde nog sporen van etatisme. Er werd een vernieuwing van de verzorgingsstaat in bepleit, wat je moeilijk een karakteristieke christen-democratische opstelling kunt noemen.'

In 1978 werd het in de ogen van Oostlander beter, toen het rapport 'Gespreide verantwoordelijkheid' verscheen: 'Daarin is voor het eerst een synthese aangebracht tussen het katholieke en het reformatorische denken door de beginselen van subsidiariteit en soevereiniteit in eigen kring aaneen te smeden. Dat was knap werk.' Het stuk, ook vervaardigd onder leiding van Steenkamp, ging uitsluitend over de economische orde, en bepaalde de ideologische positie van de partij daarmee slechts in beperkte zin.

Leyten: 'In feite verkeerde het CDA tot 1983 in een ideologisch vacuum. Eigenlijk is het natuurlijk te gek dat we de volgorde omkeerden eerst de partij oprichten en vervolgens het gedachtengoed bedenken. Maar het had alles te maken met de angst opnieuw verdeeld te raken. Dat was een trauma.'

Van verzorgingsstaat naar verzorgingsmaatschappij 'gaf het een schok in de partij', weet Leyten. , We moesten onze eigen mensen, die trots waren dat ze de verzorgingsstaat hadden opgebouwd, zeggen dat de zaak was vastgelopen.'

Naast Leyten waren het vooral D. Kuiper (de voormalige AR-radicaal), H. Borstlap (een medewerker van Oostlanders WI die later topambtenaar onder Lubbers werd en nu een der hoogste ambtenaren op Sociale Zaken is) en het huidige CDA-Kamerlid J. Krajenbrink die de inhoud van het rapport bepaalden.

'Hoe werken die dingen?', zegt Leyten. 'Er moest een commissie komen, iedereen moest daarin ARP'ers, CHU'ers, KVP'ers, vrouwen, jongeren en wat je nog meer hebt , dan zat je daar met twaalf leden, maar voor een paar mensen was tevoren al duidelijk waar we uit wilden komen. Zoals ik en Borstlap ook wel wisten dat Lubbers en De Vries het stuk zeer zou passen.'

Het geschrift paarde de crisis in de verzorgingsstaat aan een christen-democratische cultuurkritiek op de individualisering in CDA-termen de 'ik-cultuur' en 'het moderne levensgevoel'.

De verzorgingsstaat werd in toenemende mate de 'afvalbak' van die ik-cultuur. Solidariteit was wel georganiseerd maar werd niet meer als zodanig beleefd. In het dagelijks leven had professionele hulp te veel de natuurlijke positie van de mens als behulpzame mede-burger ontnomen. Individuele Nederlanders en maatschappelijke organisaties wentelden hun (financiele) problemen toenemend af op de overheid.

Daartegenover stelde de partij een radicale 'confrontatie-politiek': burgers en maatschappelijke organisaties dienden weer zicht te krijgen op de eigen verantwoordelijkheid. De overheid moest terugkeren naar haar aloude functie van rentmeester en die van 'meester' laten varen. Intussen zouden maatschappelijke organisaties het middenveld taken van de overheid overnemen. 'Een verzorgingsstaat die niet de trekken van een zorgzame samenleving vertoont kan niet lang stand houden', zo meende het rapport.

De 'verstatelijking' die de jaren '60 en '70 ook het CDA-denken had gekenmerkt diende plaats te maken voor 'vermaatschappelijking'.

Kuiper, voorzitter van de commissie die het rapport schreef: 'Vooral onze aanval op het moderne levensgevoel was hard, maar we hebben het gedaan met het doel de belangrijkste elementen van de verzorgingsstaat in stand te houden. De crisis was diep, en we realiseerden ons dat de goede elementen van de verzorgingsstaat alleen waren te redden als we de zwakheden scherp bloot zouden leggen.'

De kritiek die zowel sociaal-democraten als liberalen op het 'nieuwe' CDA-denken uitten was dat het niet meer betrof dan een intelligent bedachte strik op een reeds ingezet bezuinigingsbeleid. 'Daarop hebben ze zich verkeken', zegt Leyten. 'Maar het was moeilijk ze dat duidelijk te maken. Zeker toen er nog het beeld 'het CDA wil terug naar het pannetje soep' bij werd gehaald. Maar in feite werd onze analyse in andere partijen gedeeld. Kalma, van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, schreef al in 1982 'De illusie van de democratische staat'. Die analyse ontliep die van ons nauwelijks. En die analyse geldt nog.'

De laatste vaststelling zegt het al: de invulling van de laat verworven partij-ideologie stuitte op enige praktische bezwaren. Oostlander stelde het van dichtbij vast: 'Als extreem christen-democraat vond ik het een prachtig rapport. Ik had er schik in, werkelijk. Maar er waren enige nadelen. De term zorgzame samenleving beperkte zich te zeer tot de welzijnssector, waardoor Brinkman vanuit zijn functie als welzijnsminister een van de weinigen was die er een zaak van maakten. Veel andere ministers lieten het zitten.'

Datzelfde probleem zou zich klemmender voordoen toen de als betuttelend ervaren term zorgzame samenleving midden jaren '80 was vervangen door die van de verantwoordelijke samenleving. In 1987 zou alweer D. Kuiper het concept ervoor schrijven. 'Een over alle beleidsterreinen uitgewerkte conceptie van de christen-democratische behoefte de sprong naar vermaatschappelijking te maken', aldus de auteur.

Maar bij het WI en in het partijbestuur waar de jonge manager W. van Velzen de recht-door-zee-eenheidsdenker P. Bukman als voorzitter had opgevolgd was men intussen geconfronteerd met een tegendraadse opstelling van de partijleider zelf. Die had sinds 'Gespreide verantwoordelijkheid' uit 1978 kunnen weten dat volgens het CDA de verantwoordelijkheid voor zoiets als de omvang van de werkloosheid niet alleen aan de overheid toebehoorde, maar ten minste zo zwaar aan werkgevers en werknemers. Niettemin ging hij er kort na de vorming van zijn tweede kabinet, in 1986, toe over zijn politieke toekomst te verbinden aan de doelstelling de werkloosheid met 200.000 te verminderen. Op het partijbureau 'vielen we van onze stoel' over zoveel ideologische onthechtheid bij de premier, zou adjunct-directeur C. Klop van het WI ooit verklaren.

Het bleek desondanks erger te kunnen. De CDA-bewindslieden Deetman en Van Dijk niet toevallig beiden ex-CHU'ers lieten beiden weten in het geheel niets te zien in concepten aangaande een zorgzame dan wel een verantwoordelijke samenleving. De klap op de vuurpijl moest toen nog komen: toenmalig CDA-fractieleider B. de Vries stelde in 1987 de zestig-procentsnorm vast. Wanneer de collectieve uitgaven terug waren gebracht tot zestig procent van het nationaal inkomen was de rol van de overheid voldoende teruggedrongen.

Het verhaal was oud, slechts de omzichtige wijze waarop het naar buiten kwam gold als nieuw: het CDA was verdeeld. En niet toevallig juist op het moment dat de zo voorzichtig ontwikkelde ideologie tot volle wasdom was gekomen.

J. Weitenberg, de ex-onderdirecteur van het Centraal Planbureau die in '84 overstapte naar de christelijke werkgevers van het NCW en in menige partijcommissie zitting had onder meer van de commissie die 'Gespreide verantwoordelijkheid' opstelde: 'Het aardige was dat we met de partij een eigen positie hadden verworven. We waren niet langer vlees noch vis, we hadden ons duidelijk geprofileerd tegenover socialisten en liberalen. Maar de wijze waarop De Vries daaraan inhoud gaf was verkeerd. We waren juist aan het denken over wat het domein van de overheid is. De Vries draaide het om. Hij stelde eerst de financiele grens vast en zei: dus is dit het domein van de overheid. Dat was jammer, omdat het de discussie in de partij stokte.'

Oostlander: 'Het is altijd vervelend wanneer je een gesprek voert en iemand begint over een heel ander onderwerp: dat gevoel overviel me toen De Vries met die norm kwam. Er waren natuurlijk meer mensen in de partij die twee zielen in een borst herbergden: een etatistische en een christen-democratische. Dat heb je nu eenmaal in een partij die enige tijd het spoor bijster is geweest.'

De oud-WI-directeur, inmiddels lid van het Europees Parlement, ziet eveneens dat het denken in de partij over het concept van de verantwoordelijke samenleving enigszins tot stilstand is gekomen: 'De vaart van het conceptuele denken moet er weer in komen. Aan het eind van de jaren '80 heeft misschien het idee bestaan dat we klaar waren. Zo van: nu is er een concept, hoera! Het probleem was natuurlijk dat de praktijk moeilijk bleek om te turnen. Maar dat wil niet zeggen dat je niet op de deur moet blijven kloppen. Als je dat maar lang genoeg doet wordt er vanzelf weer een keer opengedaan. Maar je moet niet stoppen met kloppen.'

Kuiper ziet een andere oorzaak voor de lichte malaise die zich in de ideologische positionering van de partij voltrok. 'Ik denk dat het concept van de verantwoordelijke samenleving te veel als panacee is gepresenteerd. Dan krijg je onvermijdelijk een terugslag.'

Maar het CDA maakt zich alweer op voor de volgende ronde. Sinds de discussie stokte zijn belangrijke posities in de partijtop gewijzigd. Deetman en Van Dijk verdwenen van politiek beladen posities, De Vries is als minister van sociale zaken (samen met Borstlap) de uitvoerder van de tripartisering van de arbeidsvoorziening in CDA-kring beleefd als een van de meest evidente successen van het 'nieuwe' denken.

Tezelfdertijd werd Brinkman, een van de enthousiaste volgers van het concept van de verantwoordelijke samenleving, voorzitter van de Kamerfractie. En G. Terpstra, als voormalig CNV-bestuurder mede-opsteller van, inderdaad, 'Gespreide verantwoordelijkheid', fungeert tegenwoordig als financieel woordvoerder van de fractie en geldt als een der meest vurige pleitbezorgers van het snoeien in overheidssubsidies.

Tijdens de algemene beschouwingen van deze week was de inbreng van Brinkman en Terpstra dan ook duidelijk: beiden wierpen zich op als voorvechter van voortgaande 'vermaatschappelijking'.

Los van het hedendaags politieke debat ziet de invloedrijke Leyten daarin de enige mogelijkheid het 'zieke Nederland' te helen: 'Ik denk alleen dat het grote woord van het 'concept' nu genoeg is gesproken. De ideeen die we hebben ontwikkeld, de analyse die eraan ten grondslag lag ze zijn nog onverminderd geldig. Met andere woorden: het komt nog steeds schrikbarend veel voor dat regels worden overtreden en normen overschreden. De politiek moet daar iets aan doen.

'Maar intussen is al veel ten goede gekeerd. Ik ben ooit het voorbeeld tegengekomen van een woningbouwvereniging. Die dreigde failliet te gaan omdat ze een bewoner een nieuwe voordeur hadden gegund, met als gevolg dat alle bewoners zo'n deur eisten. Te gek! Vervolgens bedacht die woningbouwvereniging de bewoners per flat een eigen budget te geven. Sindsdien halen de bewoners het niet meer in hun hoofd irreele eisen te stellen want dat gaat ten koste van het eigen budget. Het is een klein voorbeeld, maar dit is het type omwenteling dat ons destijds al voor ogen stond. Het probleem is alleen en daar moet niet alleen het CDA zich zorgen over maken dat het nog veel te weinig is gebeurd.'

    • Tom-Jan Meeus