Gemeenschap of burgerschap?

De recente capriolen van het CDA hebben weer eens laten zien hoe enorm breed in de politiek de kloof is tussen leer en leven. Terwijl de christen-democratische voormannen, als het op woorden aankomt, bol staan van morele verontrusting en ethische schoolmeesterij, blijken ze in de praktijk te opereren als cynische realisten voor wie alleen de macht van de eigen club gewicht in de schaal legt.

Dat is om meer dan een reden jammer. Het is jammer voor het publieke aanzien van de politiek dat toch al niet groot is en door dergelijke 'affaires' steeds verder dreigt af te kalven. Het is ook jammer omdat juist het CDA, met een nagenoeg onaantastbare positie in het parlementaire midden, het niet nodig heeft spelletjes te spelen. Als er een partij is die sterk genoeg staat om fatsoenlijk ik zeg niet eens genereus politiek te bedrijven, dan toch wel het CDA.

Daar komt nog bij dat de christen-democraten sedert hun aantreden nu tien jaar geleden, programmatisch enkele interessante gedachten hebben ontwikkeld, waardoor zij de politieke discussie naar zich toe hebben getrokken. Met een scherp oog voor wat de tijdgeest vroeg, wisten zij zich als een soort van 'derde weg' tussen liberalisme en socialisme te profileren, gebruikmakend van oude maar niet verouderde ideeen over maatschappelijke verantwoordelijkheid, sociale harmonie, intermediaire organisatie en corporatisme.

Dat de christen-democratie hiermee teruggrijpt op traditioneel gedachtengoed, is minder interessant dan de constatering dat zij tevens aansluit bij nieuwe stromingen in de moderne politieke filosofie. Met name in Amerika is er op dit moment sprake van een herleefd gemeenschapsdenken dat met de christen-democratie verwantschap vertoont. Men spreekt van 'communitarisme' (even oefenen, dan valt de uitspraak wel mee).

De vertegenwoordigers van deze denkrichting vinden elkaar in een kritische waardering van de moderne samenleving. Zij maken zich zorgen over het huidige extreme individualisme en rationalisme, over politieke onverschilligheid en grootschalige, onpersoonlijke organisatie. Zij zijn van mening dat de grondslagen van ons politieke bestel opnieuw moeten worden doordacht.

Het opmerkelijke van de communitaristen is dat zij een beroep doen op denkbeelden en begrippen die geleidelijk op de achtergrond waren geraakt: gemeenschap en burgerschap, altruisme en publiek verantwoordelijkheidsgevoel. Nog opmerkelijker is het feit dat zij lang niet allemaal in het (neo-)conservatieve kamp zijn te situeren. Men vindt in hun rijen ook radicalen en progressieven, zoals kan blijken uit een zekere sympathie voor bepaalde ideeen uit de Europese sociaal-democratie.

In het zojuist verschenen Jaarboek van het tijdschrift Beleid en Maatschappij wordt aan deze politiek-filosofische denkrichting aandacht besteed. Onder de wat vlakke titel Beleid voor de vrije samenleving (Boom, Meppel/Amsterdam) is een zestal gedegen opstellen over het Amerikaanse politieke denken bijeengebracht, op het eerste gezicht bijzonder abstract maar bij nader inzien zeer bruikbaar voor de politieke praktijk.

Het best wordt dat gedemonstreerd in het heldere en compacte opstel van de Leidse bestuurskundige M. A. P. Bovens. Hij laat zien hoezeer politieke principes beslissend kunnen zijn bij concrete keuzeproblemen zoals bij de verhouding tussen kerk en staat, decentralisatie van bestuur en medezeggenschap, en zelfs aanknopingspunten bieden voor een oordeel over kwesties als militaire dienstplicht en asielbeleid.

Bovens' voornaamste verdienste is evenwel het onderscheid dat hij aanbrengt tussen twee varianten van communitarisme: een 'traditionele' en een 'moderne'. De eerste interpretatie plaatst het herstel van de politieke gemeenschap voorop, de tweede beklemtoont de betekenis van burgerschap in de zin van actieve deelneming aan het politieke verkeer.

De pleitbezorgers voor de traditionele variant zoeken de remedie in herstel van normbewustzijn, kleinschaligheid, versterking van sociale controle en erkenning van religieuze waarden. De moderne variant daarentegen neemt als vertrekpunt de strijd tegen politieke apathie; hierbij gaat het om uitbreiding van burgerschapsrechten en versterking van democratische participatie.

Niet ten onrechte stelt Bovens dat er tussen beide stromingen een fundamenteel verschil bestaat. De representanten van de eerstgenoemde stroming denken institutioneel. Zij gaan uit van de overtuiging dat het individu stevige sociale, normatieve en juridische kaders nodig heeft om zinvol te kunnen leven en werken. Het individu moet weer 'gemeenschapswezen' worden.

De woordvoerders van de tweede richting, eveneens bezorgd over de erodering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel, stellen hun vertrouwen in de zelfwerkzaamheid van de burger. Het is zaak politieke initiatieven meer kansen te geven, bijvoorbeeld door de instelling van referenda en de uitbreiding van voorzieningen voor politieke vertegenwoordiging. Het individu moet tot actief burgerschap worden gebracht.

Terugkerend naar de vaderlandse politiek, zal het niemand ontgaan dat de traditionele school van het gemeenschapsdenken wordt belichaamd in het programma van het CDA, terwijl het burgerschapsideaal aansluit bij het liberale erfgoed en, deels bij dat van de sociaal-democratie.

Tot nog toe zijn de christen-democraten er beter in geslaagd hun ideeen uit te werken dan de andere stromingen de hunne. Over de versterking van staatsburgerschap wordt weinig consistent nagedacht; over het 'maatschappelijk middenveld' en de 'verantwoordelijke samenleving' is een vage maar niettemin samenhangende conceptie ontwikkeld. Dat maakt het CDA voor vele kiezers verleidelijk.

Toch zijn ook de andere partijen nu bezig na te denken over hun politieke grondslagen. NRC Handelsblad-redacteur Mark Kranenburg wees vorige week zaterdag op deze pagina terecht op de congruentie in recente uitingen van de fractieleiders Woltgens en Bolkestein. Beiden zetten zij zich af tegen de gebruikelijke uitbesteding van politieke verantwoordelijkheid aan instanties in het maatschappelijk middenveld, aan corporatieve organen en zoals Woltgens het noemde aan 'clubs van wijze mannen, die voor de politiek het vuiltje moeten opknappen'. Beiden bepleitten zij een eerherstel van democratisch-politieke besluitvorming.

Het is veel te vroeg om nu al van mogelijke samenwerking tussen liberalen en sociaal-democraten te spreken. Dat er een basis is voor gesprek, staat evenwel buiten kijf. Waarom dat gesprek dan niet aangegaan?