Zes jaar celstraf geeist tegen ex-afvaltransporteur Kemp

DEN HAAG, 10 okt. Tegen S. Kemp, voormalig afvaltransporteur in Hazerswoude, is gisteren voor de Haagse rechtbank zes jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf geeist. Officier van justitie mevrouw mr. M. Schelfhout vorderde die straf wegens een groot aantal misdrijven, in het bijzonder oplichting, valsheid in geschrifte en omkoping, 'die tot doel hadden milieudelicten te verdoezelen'.

Volgens haar is zes jaar cel op zijn plaats gezien de omvang van het aantal misdrijven gepleegd door, onder feitelijke leiding van, of in opdracht van Kemp. Ze wees ook op de lange periode waarin de delicten zijn begaan de jaren zeventig en tachtig en de omvangrijke milieuvervuiling die daarvan het gevolg is, zowel in Nederland als in Belgie. Schelfhout omschreef Kemp als de spil in een reeks bv's, die het plegen van misdrijven tot doel hadden.

Kemp zou jarenlang chemisch afval illegaal hebben gestort in onder meer de Coupepolder te Alphen aan den Rijn en in een zandgroeve bij Mellery in Wallonie. In haar requisitoir, dat tweeenhalf uur duurde, legde de officier uit waarom ze hem toch geen delicten uit de milieuwetgeving, in dit geval de Wet Chemische Afvalstoffen (WCA) en de Afvalstoffenwet, ten laste had gelegd. 'Die wetten kennen een maximale gevangenisstraf van twee jaar voor de daarin opgenomen misdrijven, maar neemt men het milieu werkelijk serieus, dan dient de strafbedreiging veel hoger te zijn'. Schelfhout vindt de verjaringstermijn in de heersende milieuwetgeving, zes jaar, veel te kort. Het zou twaalf of zelfs achttien jaar moeten zijn. Zij pleitte voor een 'wet algemene milieudelicten'.

Voor mr. Schelfhout aan haar lange requisitoir begon, vroeg ze Kemp naar zijn financiele situatie van dit moment. Het ministerie van VROM (milieubeheer) heeft beslag laten leggen op 1,3 miljoen gulden die Kemp op een bankrekening in Duitsland had staan. Dit in verband met een civiele procedure die de Staat der Nederland tegen hem heeft aangespannen om de schoonmaakkosten van de Coupepolder te verhalen. Kemp ontving in 1987 door verkoop van zijn onderneming vier miljoen gulden en de officier rekende voor dat hij hiervan nog tenminste een miljoen gulden moest over hebben. Dat geld zou nu nog ergens op een bankrekening staan.

Kemp, schouderophalend: 'O ja? Dan ga ik het nog een keer ophalen'. Maar hij vulde onmiddellijk aan: 'Nee, het is allemaal weg. Ik denk dat ik ben opgelicht of zoiets'. Hij zei geen bank- of girorekening meer te hebben. 'Als chauffeur in loondienst verdien ik nu netto 1.600 gulden per maand'.

De officier besteedde veel aandacht aan het onderzoek dat aan de rechtszaak was voorafgegaan. In 1987 werd een speciaal rechercheteam geformeerd omdat Kemp werd verdacht van clandestiene afvaltransporten naar Mellery tussen 1985 en 1987. Dat onderzoek heeft twaalf maanden geduurd; 52 getuigen en 28 verdachten werden gehoord. Nog tijdens dat onderzoek, in maart 1988, schreef De Telegraaf over '100.000 vaten giftig afval' in Alphen aan den Rijn. Het gros van die vaten zou daar door Kemp tussen 1977 en 1984 zijn gedumpt. Voor deze zaak werden nog eens zeven verdachten en 98 getuigen gehoord.

Uit de politiele naspeuringen is gebleken dat Kemp van zijn klanten chemisch afval meekreeg om het op verantwoorde wijze te laten vernietigen. Zij betaalden hem in de veronderstelling dat hij het tegen hoog tarief bij de Afvalverwerking Rijnmond (AVR) liet verbranden. Kemp heeft hierover tegen de rechter-commissaris onder andere verklaard: 'Een deel van dit afval bracht ik daadwerkelijk naar de AVR, terwijl ik een ander deel zelf vernietigde. Met vernietigen bedoel ik het verhandelen aan een olieboer, maar dan rekende ik wel AVR-prijzen. Als de vaten op mijn terrein stonden, keek ik zelf eerst of het brandbaar was. Ik draaide de dop van zo'n vat af en stak er papier in. Als dat goed brandde, verkocht ik het afval aan olieboeren, die het weer mengden met stookolie.'

De advocaat van Kemp, mr. Y. M. van Boxel, betoogde met behulp van overhead-sheets dat van haar client niet mag worden verwacht dat hij roomser is dan de paus. 'Je moet deze zaak door de bril van de jaren zeventig bekijken en niet door de bril van de jaren negentig, waarin de aandacht voor het milieu zo veel groter is'. Ze somde een lijst van bedrijven op die volgens haar in die tijd ook schadelijk afval in de Alphense Coupepolder hadden gedumpt. De overheid keek volgens haar niet of slechts oogluikend toe of werkte zelfs mee. Zo kwamen met toestemming van de gemeente Alphen injectienaalden en lappen met bloed van het Alphense Rijnoordziekenhuis op op de stort terecht. De gemeentelijke vuilverbranding Leiden stortte er zonder ontheffing afvalslakken en vliegas. 'Als deze rechtszaak een toneelstuk was, zou het worden afgelast, want er is vandaag maar een van de vele hoofdrolspelers aanwezig.'

Met betrekking tot de stort van afval in het Waalse Mellery wees Van Boxel erop dat hoewel er sinds 1983 een verbod gold op de stort van afval uit het buitenland, de Waalse overheid 'met gulle hand' uitzonderingen toestond. Tot in 1987 werden de praktijken van Kemp en andere Nederlandse afvaltransporteurs uit financiele overwegingen door de Walen gedoogd.

Over het algemeen stond tot halverwege de jaren tachtig niet vast wat nu de 'verantwoorde manier van vernietigen' moest inhouden die Kemp aan zijn klanten toezegde. De advocaat achtte van de telastegelegde feiten alleen bewezen dat Kemp steekpenningen had betaald aan een medewerker van het Academisch Ziekenhuis in Leiden en een opzichter van een vuilstort. En daarover wilde zij van de rechtbank een 'rechtvaardige beslissing'.