Verplichte lijst blijft naief streven

Toen eind augustus het pre-advies van Anbeek, Bekkering en Goedegebuure over een verplichte literatuurlijst in de pers kwam, maakte dat een golf van kritiek los. Nu de Commisie Vernieuwing Eindexamenprogramma's Nederlandse taal en letterkunde VWO-HAVO (CVEN), die om het pre-advies had gevraagd, haar voorstellen heeft afgerond, hebben de drie pre-adviseurs en het belangstellende publiek recht op een toelichting, aldus de voorzitter van de commissie.

De CVEN-voorstellen over literatuur komen, heel in het kort, hierop neer. Er komen, als het doorgaat, op VWO-HAVO twee schoolonderzoeken literatuur. Het ene is voor alle leerlingen van een klas of school gelijk en toetst vooral het literair-historische inzicht. Onderdeel van de stof is een mogelijk per jaar wisselende (voor alle leerlingen van een klas of school) gemeenschappelijke lijst van vijf boeken met hun achtergronden. Het andere onderzoek betreft de per leerling varierende leeslijst. Die lijst blijft vrij, maar moet wel een bepaalde omvang hebben en tot op zekere hoogte de verschillende periodes en genres representeren. Verder is het de bedoeling dat ook de persoonlijke reactie van leerlingen op het gelezene aan bod komt.

Deze voorstellen zijn dwingender dan de huidige regeling. Het doel daarvan is een zekere gemeenschappelijkheid, kwaliteit en rechtsgelijkheid te garanderen. Dit streven lag ook ten grondslag aan de verplichte lijst van Anbeek c.s.; toch is hun pre-advies niet overgenomen. Waarom niet en waarom is hun dan om zo'n lijst gevraagd?

Canon

De aanleiding dat ik, als voorzitter, onder andere om een uitspraak over een vaste lijst, en zo mogelijk een concreet lijstje heb gevraagd, was de discussie in vakkringen over een zogenoemde canon. Maar, eerlijk is eerlijk, ik zou de vraag waarschijnlijk niet hebben gesteld, als ikzelf niet iets had gezien in een bepaald soort gemeenschappelijke lijst. Mij stond daarbij een beperkte, in de klas te behandelen lijst van werken van voor 1945 voor ogen, die leraar en leerling volop ruimte laat voor boeken naar eigen keuze. Om de gedachten te bepalen (voor VWO): enkele middeleeuwse liederen, de Reinaert, sonnetten van Hooft, de Gijsbrecht (ja toch), Sara Burgerhart, Snikken en Grimlachjes, de Max Havelaar, De uitvreter, Karakter en Het uur U vertalingen/ bewerkingen en fragmentarische behandeling toegestaan. Zoals men ziet, niets origineels of revolutionairs. Veel leraren doen (of deden) zoiets. Het nieuwe is dat gezamenlijk wordt afgesproken dat iedereen voor een deel dezelfde werken behandelt. Het doel is bekend en ook door veel critici van de lijst-Anbeek onderschreven: het aanbrengen van een gemeenschappelijk literair-historisch referentiekader.

Toen eind 1989 de pre-adviezen bij de CVEN arriveerden, bleek dat Anbeek, Bekkering en Goedegebuure voor een deel iets anders beoogden. Zij wilden de lijst ook gebruiken voor kwaliteitsbewaking. Daarvoor hoef je echter geen specifieke werken voor te schrijven. Bovendien kozen zij het minder gelukkige uitgangspunt dat in zo'n lijst alle stromingen vertegenwoordigd dienen te zijn. Dat leidde tot een lijst van 21 in plaats van tot de gevraagde 10 titels. En dat had weer tot gevolg dat de lijst de indruk wekte in de plaats te komen van de vrije lijst. Dit laatste was bepaald niet hun bedoeling hier is het trio veel onrecht gedaan in de pers en in de politiek , maar het is weinig realistisch te denken dat leerlingen naast deze 21 werken van na 1830 nog wel een eigen lijst kunnen lezen.

Deze bezwaren zijn overigens niet in de CVEN aan de orde gekomen. De commissie heeft zelfs in het geheel niet over de lijst-Anbeek gesproken, noch bij de ontvangst eind 1989, noch in juni 1990 toen het onderdeel literatuur geagendeerd stond. Deze op het eerste gezicht vreemde gang van zaken moet worden gezien in het licht van twee conferenties over literatuuronderwijs die tussentijds zijn gehouden.

Politiek

De eerste conferentie werd georganiseerd onder auspicien van de Nederlandse Taalunie en was gewijd aan de literaire canon in het onderwijs. De CVEN was vooral onder de indruk van een bijdrage van D. Fokkema, hoogleraar literatuurwetenschap in Utrecht, die met alle sympathie voor het idiee van een canon onder meer wees op de politieke onhaalbaarheid van een gemeenschappelijke lijst in een pluriform land als Nederland. Dat hij dit goed heeft beoordeeld, bewezen de wat overhaaste vragen in de Tweede Kamer plus de schielijke bijval van de staatssecretaris, toen de lijst-Anbeek in de publiciteit kwam. De vrijheid van onderwijs staat in Nederland landelijke afspraken over 'waardegeladen' leerstof in de weg. Ook al vinden bijna alle weldenkende Nederlanders dat bijvoorbeeld elementaire bijbelkennis standaardstof behoort te zijn, zoiets is in Nederland onbespreekbaar. In politiek opzicht was daarom reeds het vragen naar een gemeenschappelijke lijst hoogst naief.

Een tweede, voor de CVEN belangrijke conferentie werd belegd door de literatuurdidacticus Wam de Moor. Leraren, literatuurdidactici en toetsdeskundigen stelden op die bijeenkomst de hoofdlijnen vast van een derde, didactisch, pre-advies over het onderdeel letterkunde. De lijst-Anbeek was daar bekend en het opvallendste was dat deze nauwelijks kritiek uitlokte: men zag deze kennelijk niet als een serieuze mogelijkheid. Ongetwijfeld was daarbij de didactische onhaalbaarheid doorslaggevend. Men hoeft geen ingewijde in het literatuuronderwijs te zijn om te bevroeden dat leraren Nederlands zeer uiteenlopende gedachten hebben over dit onderwijs. Sommigen zullen het betreuren, maar het is een te respecteren gegeven dat velen met geen enkele variant van een vaste lijst uit de voeten kunnen. Belangrijk in dit verband is vooral dat veel docenten vroeger wel een of andere canon hebben behandeld maar dat nu niet langer zinvol vinden, ja zelfs schadelijk.

Tegen deze achtergrond hoeft het niet te verbazen dat de twee leden van de CVEN die in juni het concept-voorstel literatuur opstelden, wel de nodige elementen uit het pre-advies-Anbeek overnamen, maar helemaal aan de voorgestelde verplichte boekenlijst voorbijgingen. Zij kwamen met een voorstel dat in de kern gelijk was aan het uiteindelijke ontwerp. Tijdens de besprekingen in de commissie had niemand de behoefte de lijst nog aan de orde te stellen. Met andere woorden: lang voordat het rumoer in de pers losbrak, was de lijst al een stilzwijgend gepasseerd station. Er was gebeurd waarop alle pre-adviseurs vooraf was gewezen: de commissie had gebruik gemaakt van het recht 'eventueel sterk van het uitgebrachte pre-advies af te wijken'. Uiteindelijk hebben alle CVEN-leden, ook degenen die eigenlijk wel wat voor een vast lijstje voelen, om politieke en didactische redenen van zo'n lijst afgezien.

Behoeftenonderzoek

Tot slot moeten een paar relativerende opmerkingen gemaakt worden over dit zo veel besproken pre-advies van universitaire neerlandici over een literatuurlijst. Weliswaar is aan deze academici, wegens hun inhoudelijke deskundigheid, terecht om een (gewaardeerde) mening gevraagd, maar zeer veel zwaarder heeft gewogen de uitkomst van het behoeftenonderzoek van de Stichting Centrum voor Onderwijsonderzoek (SCO), en wat bekend is van de opinies en praktijken van docenten Nederlands. (SCO heeft, betaald door het ministerie, voor de commissie nagegaan welke wensen er over het vak Nederlands onder relevante geledingen van de Nederlandse bevolking leven. De commissie moest van de uitkomsten van dit onderzoek uitgaan. Zoals aangekondigd, zullen dit najaar de voorstellen nog aan de leraren Nederlands worden voorgelegd.)

Verder is de kwestie van een verplichte lijst ongetwijfeld heel belangrijk, maar voor de positie van het literatuuronderwijs zijn zaken als aandeel in de lestijd, behoud van de historische letterkunde, beter functioneren van de vrije literatuurlijst zeker zo belangrijk. Bovendien bestaat het eindexamenprogramma niet alleen uit het onderdeel literatuur. De commissie heeft ook heel moeilijke en belangrijke beslissingen genomen over, onder andere, de tot dusver stiefmoederlijk behandelde mondelinge vaardigheden, het problematische opstel, een mogelijke opname van (theoretische) taalkunde in het programma. Misschien kan de aandacht zich nu eens op die onderdelen richten.