Uitvinder videorecorder verdient dit jaar voor het eerst opde produktie ervan

WENEN, 10 okt. Voor het eerst sinds Philips in 1972 als eerste fabrikant ter wereld een videocassetterecorder voor consumentengebruik lanceerde, maakt het concern dit jaar winst op dat produkt.

Intussen heeft de videorecorder zich ontwikkeld tot een van de meest populaire elektronische consumentenprodukten, goed voor bijna eenzesde van de wereldmarkt voor consumentenelektronica. Philips heeft daarvan nooit geprofiteerd.

Algemeen directeur P. D. Harmsen, verantwoordelijk voor de video-activiteiten van Philips, heeft uitgerekend hoeveel de onderneming vooral de afgelopen tien jaar heeft toegelegd op de verkoop van videorecorders. Maar de uitkomst wil hij niet vertellen. 'Dat bedrag is gigantisch, ontluisterend', zegt Harmsen. 'Ik vind het beschamend voor het management van Philips.'

Schattingen over het totale verlies lopen uiteen van 1,2 tot 2 miljard gulden.

Harmsen heeft tegenover de ondernemingsraad van de videofabriek in Wenen verklaard dat het 'eine Zumutung', een gotspe, zou zijn om van de huidige bedrijfsleiding te verlangen, dat ze dit verlies de komende tien jaar weer goedmaakt. Harmsen, eenvoudig: 'Dat is onmogelijk.'

Het echec van de videogroep is exemplarisch voor het jarenlange gemodder van Philips. Net zoals de gezondmaking van de groep model staat voor de wederopstanding van de onderneming, die Philips-president Jan D. Timmer voor ogen heeft.

Als leider van de sector Consumentenelektronica heeft hij de afgelopen jaren samen met zijn managementteam een aantal hele simpele veranderingen ingevoerd, die voor Philips een ware revolutie betekenden. Eenvoudige organisatiestructuren bij voorbeeld. Centralisatie van ontwikkeling, produktie en verkoop, maar tegelijkertijd decentralisatie van bevoegdheden. Je spiegelen aan de concurrentie. Niet alles zelf doen. Niet naar het onmogelijke reiken, maar de kansen grijpen die zich voordoen. Allemaal boerenwijsheden die bij het herstel van de videogroep een prominente rol hebben gespeeld.

Een rondleiding door de videofabriek in Wenen toont een verbluffende graad van automatisering. Tien jaar geleden vergde een videorecorder nog tien arbeidsuren, in 1984 kon al met vier uur worden volstaan, inmiddels is vijftig minuten voldoende. Elke zeven seconde produceert de fabriek een apparaat.

Nog verbluffender is de flexibiliteit, de kwaliteitsgerichtheid, de transparantie van de produktie. Elke afdeling heeft een eigen hoekje waar voor iedereen te zien is wat waar fout is gegaan. De vertaling op werkvloer-niveau van Timmers these dat 'je de bomen moet kappen waarachter de mensen zich kunnen verschuilen'. Het is ook een opzet die uitnodigt tot stelselmatige verbetering.

Bedrijfsdirecteuren vertellen dat alle leidinggevenden in de ontwikkeling, in de produktie met enige regelmaat naar winkels worden gestuurd om daar hun eigen videorecorders aan de man te brengen. Dan horen ze tenminste hoe er over hun produkten wordt gedacht, zien ze waarom een klant een ander merk koopt. En op speciale bijeenkomsten worden ze geconfronteerd met dealers, die geen Philips wensen te verkopen. Weten ze weer dat het nog beter kan.

Deze hang naar zelfkritiek met de blik richting markt staat lijnrecht op de zelfgenoegzaamheid en zelfoverschatting, die de videogroep in het verleden steeds parten heeft gespeeld. Begin jaren zeventig kon de onderneming zich nog wentelen in tevredenheid, omdat ze als eerste en enige videorecorders voor consumentengebruik fabriceerde. 'Postduiven' werden die beruchte en legendarische N-1500's door de vakhandel genoemd, omdat ze telkens weer terugkeerden voor reparatie. De verkoop bleef beperkt.

Pas toen de Japanse fabrikanten in 1975 veel betere, goedkopere apparaten op de markt brachten Matsushita-dochter JVC met VHS, Sony met Betamax kwam de afzet echt van de grond. Philips was nergens. In plaats van snel te reageren gaf de onderneming er de voorkeur aan in pastorale rust het superieure Video 2000 te ontwikkelen, dat vanzelfsprekend het wereldsysteem zou worden. Tegen de tijd dat de eerste V2000-recorders eindelijk uit de fabriek rolden in 1981 was de wereldmarkt al lang en breed verdeeld.

Enkele jaren later moest de raad van bestuur bekennen 'dat we het op videoterrein niet zo goed hebben gedaan'. Bij de omschakeling van V2000 op VHS verklaarde de leiding van de videogroep: 'Zakelijke belangen hebben het gewonnen van trots en emoties.' Voortaan zou het alleen maar bergopwaarts gaan. Het marktaandeel van Philips in Europa zou omhoog schieten van 15 tot 30 procent. Het concern zou videorecorderfabrieken openen in Zuidkorea, Brazilie en de Chinese Volksrepubliek.

Harmsen, de huidige no-nonsense leider van de videogroep, weigert om zich af te zetten tegen zijn voorgangers. 'Dat heeft geen enkel nut.' Maar als hij wordt geconfronteerd met al die loze beloften uit het verleden, windt hij zich zichtbaar op. Hij spreekt over 'een tamelijk onvolwassen approach' en noemt een verdubbeling van het marktaandeel 'volstrekt ongeloofwaardig bij de formidabele concurrenten waarmee je te maken hebt'. 'Wie schop je dan van de shelf?'

Harmsen heeft minder beloofd maar meer bereikt. Alle Europese video-activiteiten heeft hij in Wenen bij elkaar gebracht. Leiding en ontwikkellaboratorium werden vanuit Eindhoven overgebracht. De Duitse fabriek in Krefeld ging dicht. Daarmee zorgde hij voor de nodige samenhang tussen produkt- en procesontwikkeling. Daarmee schiep hij ook de schaalgrootte die nodig is om de vitale onderdelen koppen, scanners en loopwerk economisch verantwoord te produceren.

Tegelijkertijd verlaagde hij de kosten, onder meer door fabricage van minder essentiele onderdelen uit te besteden. Bij toeleveranciers in Hongarije en Tsjechoslowakije levert dat aan 500 mensen werk.

Met 2800 werknemers en een produktie in 1990 van 1,9 miljoen apparaten is de vestiging in Wenen veruit de grootste videorecorderfabriek van Europa, veel groter dan die 26 andere bedrijfjes die samen zo'n 7 miljoen apparaten fabriceren en waarvan de meeste in Japanse handen zijn. Die Japanse fabrieken betrekken al hun sleutelcomponenten uit het Verre Oosten. Dat is ook de reden dat de fabriek van Philips in haar eentje meer Europees materiaal gebruikt dan al die Japanse vestigingen bij elkaar.

Vanaf 1991 zullen er ook Europese sleutelcomponenten, gemaakt in Wenen, richting Verre Oosten gaan. Philips had sinds 1987 al een proeffabriek in Japan, waar bij dochterbedrijf Marantz jaarlijks zo'n 300.000 apparaten worden gemaakt. Daar komt binnenkort in Maleisie een joint venture bij met het Japanse JVC, die twee miljoen spelers per jaar gaat produceren. Zowel JVC als Philips zullen sleutelcomponenten leveren aan die gezamenlijke firma. Tot dusverre kocht Philips alle videorecorders die de onderneming buiten Europa aan de man bracht in bij JVC.

Op die manier kan Philips dan toch heel voorzichtig, heel pragmatisch zijn aandeel vergroten op de wereldmarkt, die dit jaar 42 miljoen apparaten en 27 miljard gulden bedraagt. Op die manier kan het concern ook eindelijk een beetje geld verdienen op de verkoop van videoreceorders. 'Door uit te gaan van een realistische business-orientatie', zegt Harmsen. 'Door meer applicatie-gericht te zijn. Grote visies met grote budgetten leiden alleen maar tot grote verliezen.'