Tsjechov en de subtiele kunst van het zitten

Enige vertrouwdheid met de roman Onder de vulkaan van Malcolm Lowry of De Meeuw van Tsjechov is voldoende om dwars door de taalbarriere toegang te krijgen tot twee Poolse voorstellingen. Regisseur Jerzy Grzegorzewski, ooit te gast bij de Haagse Comedie met Amerika naar Franz Kafka, creeert op het toneel een associatief patroon van beelden, echo's, picturaal-zinnelijke momenten, choreografische bewegingen door de acteurs.

In zijn theater bestaat geen hierarchie: de spelers zijn even belangrijk als het decor. Zowel in Onder de vulkaan als De Meeuw sluiten op een zij gekantelde piano's de speelvloer af. In De Meeuw steekt bovendien nog een regiment aan glanzende auto-antennes de hoogte in, de rietpluimen suggererend aan het meer waarboven Kostja de meeuw neerschiet.

Tsjechov en Lowry, de auteurs van de weemoed en de wanhoop. Oneerbiedig gesteld kan men ook zeggen dat Tsjechov de dramaturg van de stoelen, stoeltjes en languissante zomerfauteuils is. Met Tsjechov deed de kunst van het zitten zijn intrede op het toneel. Zitten, praten, hangen. Grzegorzewski maakt fraai en veel gebruik van ranke terrasstoeltjes; de drankverslaafde consul neemt er op plaats en blikt, glas in de hand, naar zijn vulkaan; en Masja, Trigorin en Medwedjenko weten goed raad met de stoelen. Ze klampen zich eraan vast. Welke plaats moeten ze zich anders kiezen in de wereld?

Traagheid is het sleutelwoord van de voorstellingen. Met minimale verschuivingen ontstaat vanuit de openingsbeeld het volgende beeld, het derde enzovoort. Het labyrint van decor en acteur is volmaakt gesloten. De toeschouwer is zich sterk bewust te kijken naar een artificiele, surrealistische vertolking van literatuur. De speelstijl van de acteurs druist op geraffineerde wijze in tegen die onwerkelijke sfeer; ze zijn realistisch in stem en gedrag, psychologisch naar inleving. Zeker als de spelers pal op het voortoneel staan, is de toeschouwer getuige van een staalkaart van het acteren naar Stanislavski.

Nina uit De Meeuw bijvoorbeeld neemt de tijd voor overgangen. Haar stiltes zijn niet quasi-suggestief, zoals slechte stiltes dat zijn, maar noodzakelijk om in de laatste scene de mengeling van bitterheid, desillusie, hoop en verlangen vorm te geven. Wat voor haar rol geldt, is van toepassing op alle rollen: de acteurs ontrafelen hun emoties en geven die vorm in een heldere, stap voor stap opgebouwde speelstijl.

In Nederland is wel eens een heftig feministische interpretatie toegepast op Tsjechov. Daar is geen enkele reden toe; de tekst van De Meeuw geeft krachtige vrouwenrollen die niet nog eens met goede bedoelingen opnieuw geplamuurd hoeven te worden. Zowel Arkadina uit Tsjechov als Yvonne uit Lowry zijn sterke persoonlijkheden die hun kracht en mysterie spelen vanuit de tekst, niet vanuit een wurgend concept.

Het is kunsttheater dat ik gezien heb door Teatr Studio Warschau. De irreele droomsfeer is nauwelijks voor analyse vatbaar, die moet de toeschouwer ondergaan, als muziek of dans. De wijze van acteren deed me weer beseffen dat toneelspel de kunst is om zonder ironie personages geloofwaardig te maken. Zo was daar Nina, opgerold liggend in een hoek van het decor, en tegelijk zo aanwezig.

Voorstelling: Teatr Studio Warschau met: Tien portretten met de meeuw op de achtergrond, naar Anton Tsjechov; De trage verduistering der schilderijen, naar Under the Volcano van Malcolm Lowry; regie: Jerzy Grzegorzewski gezien 6/10 Stadsschouwburg, Amsterdam. Tournee t/m 15/10.