Praag privatiseert

Glimmende jongens en meisjes van zestien. Zwarte smokinkjes, witte handschoenen, lieve blouses. Ze staan in twee rijen tegenover elkaar, op geslacht gesorteerd: stijldansles onder leiding van een dame met hoog opgetast blond haar en een corselet uit de klassieke collectie. Dit is Praag, herfst 1990, in het jugendstil-paleis dat 'Huis van de Gemeente' heet, Obecni Domu. Een traditie uit de Weense tijd, die nazisme en communisme heeft overleefd, neemt het op tegen Wrangler's en Benetton.

Het gebouw met zijn groenkoperen koepeldak komt niet voor in de in Praag opgenomen film Amadeus of boeken als Praha Poeticka. Het is te nieuw. Praag bouwde het in de eerste tien jaar van deze eeuw om zichzelf en de wereld te laten zien dat Tsjechoslowakije op Europees niveau kon meekomen. Alle Tsjechische schilders van naam leverden hun bijdrage. Mucha, voordat hij naar Parijs en Sarah Bernhardt afreisde, is de bekendste.

De begane grond wordt gedomineerd door een groot restaurant en een even ruim cafe, Oosteuropees van bediening, maar met een sfeer, en met plafonds en kroonluchters waar, bij mijn weten, geen vergelijkbaar etablissement in West-Europa aan kan tippen. Iets hoger ligt, omringd door beeldschone salons en zaaltjes voor feesten en partijen, de Smetana-zaal, thuisbasis van het Praags Symphonie-orkest.

De situatie waarin gebouw en orkest zich bevinden is typerend voor het gebrek aan houvast dat het leven in Tsjechoslowakije bijna een jaar na de Fluwelen Revolutie kenmerkt. Alles mag, maar niemand weet of het kan.

Roman Belor, intendant van het orkest, is een jonge econoom die 'algemene techniek' ging studeren omdat daar een plus een nog het dichtst in de buurt van twee uitkwam. Zijn vader is musicus en zelf weet hij op de piano als goede amateur de weg.

B elor heeft zich ten doel ge steld het Prager Symphoniker en het zalencomplex Repre in de wandeling, van representatie tot volle bloei te brengen. Nieuwe concerten in het buitenland hoeven niet meer via het impressariaat van de staat te worden gecontracteerd. De harde valuta die elders in Europa op grond van zulke nieuwe contracten worden verdiend, kunnen eindelijk worden gebruikt voor achterstallig onderhoud aan het orkest en duurdere solisten en dirigenten. Er is ook geen minister van cultuur meer die bepaalt dat Smetana goed is, maar Dvorak en Martinu niet deugen.

Het gebouw zelf is te zichtbaar van en voor de gemeente. Belor kan restauratie en beheer daarvan, ondanks het juridisch vacuum in het land, niet ongemerkt naar zijn hand zetten. De tijd dringt wel. Dezer dagen worden in Tsjechoslowakije de winkels en horeca-bedrijven geveild: de staat is van plan alles aan de meest biedende te verkopen, tenzij de bieder zijn geld vroeger op onfrisse wijze heeft verzameld.

Personeel met een redelijk bod krijgt voorrang. De koopsom mag na een rentevrije periode van vijf jaar zachtjes worden afbetaald. Uit de opbrengst worden afvloeiingsregelingen betaald. Net als in de ex-DDR wordt op grote schaal met ontslagen rekening gehouden; wie wat kan en niet al te enthousiast fout was, mag terug-solliciteren.

V oor de Obecni Domu, een ongerept hoogtepunt van Europese jugendstil, is de veiling geen geschikte procedure. Het orkest wil graag dat alle ruimtes weer tot leven worden gebracht, dat de krakende vloeren in de concertzaal, de aftandse elektrische leidingen en de gammele luchtverwarming worden gerestaureerd. Maar men is huiverig dat een Westerse bingo-keten het snelst met geld klaarstaat, of dat de firma Mac D. de kansen van het gebouw ruikt: de beroemde Poeder Toren, die er pal naast staat, is makkelijk te bekleden met zo'n gele hamburger-boog.

Belor moet dus het stadhuis bespelen voor een beheerste bevrijding van de exploitatie, zonder slome staats-horeca en zonder kapitalisme van het platte soort. Het reeel bestaande socialisme heeft de afgelopen 42 jaar als een ijstijd gefungeerd: er is weinig verpest, maar ook niets gedaan aan het gebouw. De plaquette, die er aan herinnert dat president Masaryk hier in 1918 de republiek Tsjechoslowakije uitriep, zit verstopt achter de grijze kasten waarin orkestleden tijdens uitvoeringen hun trui opbergen.

In de landelijke politiek wordt steeds vaker geschamperd over het uitblijven van beleid van 'Havel en zijn hofnarren' gevarieerd talent, op andere gebieden dan het openbaar bestuur. Aan de top van de stad Praag staan ook mensen van die nieuwe garde, het Burger Forum, dat vorig jaar de omwenteling afdwong. Een ervan is de hoogste gemeentelijke kunstadviseur, die de orkestdirecteur flink laat wachten voor een tijdig gemaakte afspraak. Wanneer hij zich eindelijk vertoont, in wijnrood designer-overhemd met herfstig getinte vlinderdas, is het om te vertellen dat de burgemeester zijn kernkabinet in spoedberaad bijeen heeft geroepen. Een assistente van een medewerkster zal het onderhoud overnemen.

D e intendant proeft het uitstel dat de nieuwe bureaucratie zoekt. In november zijn lokale verkiezingen en tot die tijd wil niemand zich vastleggen. Belor haalt opeens uit: 'Als het nodig is beginnen wij een emotionele campagne. Het gebouw is van ons. Het mag geen business centre worden. Wij zijn geen dromers, wij hebben grandioze oplossingen voor het gebouw. Die zijn goed voor de stad en goed voor het stadhuis.'

Hij vertelt niet dat sinds de revolutie het bezoek aan opera en concert aanzienlijk is teruggelopen. Alsof de Tsjechen die uitlaatklep even niet meer nodig hebben. Zij vergapen zich nu aan slagersetalages met stukken rood vlees. Zij staan blij in de rij bij de benzinepomp, waar sinds zondag niet meer dan 25 liter tot het eind van de maand te krijgen is. Zij verdringen zich bij de drogist die uitheemse shampoo verkoopt, voor de boekwinkel die uit voorzorg niet meer klanten toelaat dan er supermarktmandjes zijn. Op straat is even veel belangstelling voor handelseenheden ter grootte van een kampeertafeltje met daarop de Bijbel en de sprookjes van Andersen. Het is kennelijk allemaal nieuw.