O-Europa en zijn zigeuners: een moeilijke verstandhouding

ROTTERDAM, okt. De vorig jaar losgebroken vrijheid heeft in Oost-Europa niet alleen positieve kanten: van vrijheden wordt gebruik maar ook misbruik gemaakt. Persvrijheid leidt tot schelden, vrijheid van organisatie tot de vorming van extremistische partijen en vrijheid van reizen tot een verplaatswoede die de autoriteiten voor grote problemen plaatst. Het probleem van de zigeuners is een combinatie van die ontwikkelingen.

In landen als Tsjechoslowakije, Hongarije, Roemenie en Bulgarije hebben de socialistische machthebbers lang met wisselend succes en met wisselende methoden getracht de zigeuners in hun greep te krijgen. Na de fluwelen revoluties van 1989 is die omvangrijke minderheid op drift geraakt, politiek met eigen partijen en vooral fysiek: duizenden Roemeense zigeuners trokken deze zomer door Hongarije en Tsjechoslowakije naar de toen nog bestaande DDR, in de hoop via de open grenzen naar de Bondsrepubliek te komen, onderweg aanleiding gevend tot grote overlast, tot grenssluitingen, tot de inrichting van opvangkampen en tot een bevestiging van racistische vooroordelen die ten aanzien van zigeuners al bestonden.

De zigeuners worden overal in Oost-Europa in hoofdzaak verantwoordelijk gesteld voor de golf van criminaliteit waarmee de nieuwe vrijheid gepaard is gegaan. In Tsjechoslowakije, waar de 600.000 tot 800.000 zigeuners onder het socialisme waren gedwongen een baan te nemen en een vaste verblijfplaats in het arme oosten van Slowakije te kiezen, zijn duizenden van hen naar Praag getrokken. Daar, zeggen althans de statistieken, wordt inmiddels negentig procent van de diefstallen door zigeuners gepleegd. In Bohemen en Moravie, zeggen nog steeds die statistieken, maken de zigeuners 1,26 procent van de bevolking uit maar plegen ze vijftien procent van alle misdrijven. Het heeft er geleid tot een flinke toename van het racisme, dat niet alleen verbaal wordt beleden: zigeuners zijn in Praag 's nachts op straat niet meer veilig voor groepen skinheads. Bij een recent incident in Plzen sloegen skinheads een Turkse vrachtwagenchauffeur dood die ze voor een zigeuner hielden. De moord had straatgevechten tot gevolg tussen groepen zigeuners (die ook meenden dat de Turk een hunner was) en jongerenbenden. Gewelddaden tegen zigeuners komen in Tsjechoslowakije regelmatig voor waarbij de sympathie van de bevolking duidelijk op de hand van de in andere omstandigheden weinig geliefde skinheads is. President Havel heeft bij herhaling tegen dat tegen de zigeuners gerichte racisme gepleit; hij heeft ook demonstratief het eerste grote zigeunerfestival bezocht toen dat eerder dit jaar in Slowakije werd gehouden, maar veel hebben zijn oproepen niet uitgehaald.

Hongarije

In Hongarije zijn de problemen minder acuut, maar ze zijn er wel. Hoeveel zigeuners Hongarije telt is onduidelijk: officieel zijn het er 400.000 (op een bevolking van 10,6 miljoen), in werkelijkheid zijn het er waarschijnlijk twee maal zo veel. Daarmee vormen de zigeuners verreweg de grootste etnische minderheid in Hongarije: hun omvang is groter dan die van alle andere minderheden samen. Niettemin worden ze niet erkend als een aparte etnische groep, maar staan ze ook nu nog slechts geregistreerd als een minderheid. En een minderheid heeft minder rechten dan een etnische groep.

De Hongaarse zigeneurs en die in Oost-Europa in het algemeen behoren tot de vergeten groepen in de samenleving: hun opleidingsniveau is extreem laag (veel zigeunerkinderen gaan nooit naar school, net zo min als ze ooit een arts zien), ze worden gediscrimineerd en ze raken tijdens de transformatie naar de markteconomie als eersten hun baan kwijt; als ze al werken, want velen hebben nooit of maar tijdelijk een vaste baan gehad, en waar ze die hebben gaat het al te vaak om werk voor ongeschoolden. Net als in Tsjechoslowakije woont een meerderheid (van 70 tot 80 procent) van de Hongaarse zigeuners in de armste gebieden van het land en zijn de meesten zelf straatarm. De problemen worden nog verergerd door het uitsterven van traditionele zigeunerberoepen als het maken van muziek in restaurants, het repareren van koperen vaatwerk en het verkopen van tweedehands kleding.

Ten aanzien van de criminaliteit geeft Hongarije hetzelfde beeld te zien als Tsjechoslowakije: met een aandeel van nog geen tien procent van de bevolking plegen zigeuners 52 procent van alle misdaden en maken ze zestig tot zeventig procent uit van de gevangenisbevolking. Na de revolutie van vorig jaar hebben de Hongaarse zigeuners zich politiek georganiseerd in liefst zeven politieke partijen die het onderling hartgrondig oneens zijn en die er dan ook niet in slaagden een parlementszetel te winnen. In het Hongaarse parlement zitten niettemin twee zigeuners, beiden lid van de links-liberale Liga van Vrije Democraten (SzDSz), die zich van alle grote partijen het duidelijkst voor de zigeuners heeft ingezet.

Er is verder een Democratische Liga van Hongaarse Zigeuners die mooie plannen ontwierp voor de stichting van zigeunerkibboetsen op het platteland tot het bestuur onderling slaags raakte over de bestemming van een subsidie. Sindsdien is men het in dat bestuur over weinig meer eens geworden.

Anders dan Tsjechoslowakije heeft Hongarije geen massale trek te zien gegeven van de plotseling van een verplichte woonplaats en een verplichte baan bevrijde zigeunerbevolking. Maar het maakt de oplossing van de problemen van de zigeuners niet eenvoudiger: de Hongaren staan afwijzend tegenover projecten voor de zigeuners en de zigeuners zelf zijn apathisch en onderling verdeeld.

Roemenie

Ook in Roemenie is onduidelijk hoeveel zigeuners er wonen: volgens de statistieken van het oude bewind zijn het er 230.000 (op een bevolking van 23 miljoen). Dat het er veel meer zijn betwijfelt echter niemand en algemeen gaat men ervan uit dat er tussen twee en drie miljoen zigeuners zijn, onderverdeeld in veertig elkaar onderling vaak slecht gezinde groeperingen. Dat betekent dat ze ook hier de grootste etnische minderheid vormen.

Het maakt de Roemenen nog altijd aan het schrikken. 'Een ware nationale tragedie' noemde een leider van de Liberale partij eerder dit jaar dat aantal van drie miljoen: ook hier kampen zigeuners met vooroordelen, ook hier gaan ze door voor 'dieven die ons net zo min vertegenwoordigen als Ceausescu en zijn clan', zoals het blad Libertatea het uitdrukte. De Roemeense media, toch al niet terughoudend als het gaat om de portrettering van al dan niet vermeende tegenstanders, schilderen zigeuners nogal eens af als zakkenrollers, bedelaars, zwarthandelaren en onbetrouwbare toekomstvoorspellers. De revolutie was in december nog nauwelijks voorbij of men mopperde dat de zigeuners winkels plunderden en met buitenlandse hulppakketten aan de haal waren gegaan. Later is zelfs geschreven dat Ceausescu 'eigenlijk' een Tataar-zigeuner was, hetgeen uiteraard met de hoogste graad van verontwaardiging door woordvoerders van de Tataren en de zigeuners is tegengesproken.

Ook in Roemenie hebben de zigeuners zich georganiseerd. Er is een Democratische Unie van Zigeuners in Roemenie, die drie grote groepen vertegenwoordigt: de ketelsmeden van Sibiu, de violisten van Tirgu Jiu en de Hongaars sprekende zijdezigeuners (een benaming die verwijst naar hun hoofdberoep: handel in textiel) van Cluj. De organisatie, met zigeunerkoning Ion Cioaba als vice-voorzitter, ontwerpt sociale en culturele programma's voor de emancipatie van de Roemeense zigeuners. Verder beschikken ze over zes politieke partijen, met vaak exotische namen als 'Verenigde Democratische Partij van Zigeuners, Fiedelaars en Houtsnijders van Roemenie' en 'Progressieve Partij van Tinsmid-zigeuners'. Ze hebben ook eigen tweetalige tijdschriften, zoals O Glaso el Romengo (de Stem van de Roma), Aven Amentza (Kom Met Ons Mee) en Neo Drom (Nieuwe Weg).

Het doel van die partijen en tijdschriften is 'de sociale wedergeboorte' van de zigeuners, zoals koning Cioaba het heeft uitgedrukt. Voorlopig is het nog vechten tegen de bierkaai: de vooroordelen tegen zigeuners zitten zeer diep en men windt er vaak geen doekjes om. Nica Leon, zigeuner en politicus die bij de betogingen tegen de regering in de lente een hoofdrol speelde, werd door Azi (een blad van het Front van Nationale Redding) kortweg omschreven als 'lid van een donkergekleurde bende' en lezers van Libertatea hielden in een ingezonden brief de Roemenen het voorbeeld van maarschalk Ion Antonescu voor, die in de oorlog de zigeuners eenvoudig naar Transnistrie deporteerde. Een journalist van het blad Adevarul publiceerde een verdedigend bedoeld artikel onder de kop 'Wie is er bang voor de zigeuners?', maar kwam zelf tot de conclusie: 'Als ik eerlijk ben: ik ook.' En de dichter Stefan Augustin Doinas, uitdrukkelijk geen aanhanger van Ceausescu, stelde in Le Monde onomwonden: 'Xenofobie heeft iets vulgairs. Ik ben absoluut niet xenofobisch. Maar ik haat zigeuners.' En hij is de enige niet.